# Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-06-2026 (25/821 en 25/822)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Identifier: ECLI:NL:GHSHE:2026:1560
- Date: 2026-06-10
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHSHE%3A2026%3A1560
- Canonical: https://overview.legal/posts/187413

## Summary

IB buitenlands belastingplichtige. Verzending aanslagen betwist. Verzendrapportage geeft aan dat de aanslagen in een gecombineerde partij ter verzending “aan PostNL en SANDD” zijn aangeboden. Uit een bijlage bij de verzendrapportage blijkt dat de gecombineerde partij voor verzending is gesplitst in buitenlandse post, 48-uur binnenlandse post en 72-uur binnenlandse post. Het is aannemelijk dat de buitenlandse post tijdig en juist ter verzending aan Post NL (als universele postdienst) is aangeboden.

## Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer Nummers: 25/821 en 25/822 Uitspraak op het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 20 maart 2025, nummers BRE 23/8977 en BRE 23/8978, in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016 opgelegd (hierna: de aanslag IB/PVV). Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd (hierna: de boetebeschikking) en belastingrente in rekening gebracht. Daarnaast heeft de inspecteur een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet over het jaar 2016 vastgesteld (hierna: de aanslag Zvw) en bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. De aanslagen IB/PVV en Zvw worden gezamenlijk aangeduid als ‘de aanslagen’. 1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. In hetzelfde geschrift heeft de inspecteur vermeld dat het bezwaar is behandeld als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen middels een voor bezwaar vatbare beschikking op basis van artikel 9.6 Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de 9.6 beschikking). 1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar en de 9.6 beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep tegen de 9.6 beschikking met instemming van partijen mede behandeld met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (prorogatie). De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. 1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaak met nummer 23/1492. 1.6. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten. 1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst. 2 Feiten 2.1. Uit het adressenbestand ‘Beheer van relaties’ (hierna: het BvR) van de Belastingdienst dat is gekoppeld aan de Basisregistratie Personen (hierna: de BRP), volgt dat belanghebbende vanaf 15 december 1998 tot 1 februari 2016 woonde op het adres [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] en vanaf 1 februari 2016 tot 15 september 2020 op het adres [adres 2] MAROKKO. 2.2. Op 29 maart 2017 heeft de inspecteur een verzoek tot uitstel voor het doen van aangifte IB/PVV 2016 ontvangen via de zogenoemde 'Becon regeling’. De aangiftetermijn is verlengd tot 1 mei 2018. Na afloop van deze termijn is aan belanghebbende een herinnering en aanmaning tot het doen van aangifte verstuurd. Beide zijn geadresseerd aan belanghebbende op het adres [adres 2] Marokko. 2.3. Volgens de rapportages van de onderzoeken in de systemen van de inspecteur (hierna: de verzendrapportages) heeft de inspecteur de uitnodiging tot het doen van de aangifte IB/PVV 2016, de herinnering tot het doen van deze aangifte en de aanmaning tot het doen van aangifte verzonden aan het adres: [adres 2] Marokko, Marokko met een dagtekening van respectievelijk 28 februari 2018, 1 juni 2018 en 27 juli 2018. De aanmaning vermeldt een uiterste inzendtermijn van 17 augustus 2018. 2.4. De inspecteur heeft de aanslagen vastgesteld met dagtekening 3 april 2019. Volgens de verzendrapportages zijn de aanslagen op 28 maart 2019 aangeboden aan de postleverancier ter verzending naar het adres: [adres 2] MAROKKO, MAROKKO. 2.5. Belanghebbende heeft met dagtekening 20 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslagen. Het bezwaarschrift is op 23 januari 2023 door de inspecteur ontvangen. 2.6. Belanghebbende heeft een gestempelde verklaring van het hoofd van de gemeente [gemeente] te Marokko met dagtekening 19 juni 2023 overgelegd, waarin — voor zover hier van belang — het volgende staat vermeld: “Verklaart dat de operatie van toewijzing van adressen en nummers in de wijken en straten in gemeente [gemeente] in de provincie [provincie] waaronder de wijk [Wijk] thans gaande is in het kader van modernisering en vernieuwing ten einde de bezorging van post te garanderen.” 3 Geschil en conclusies van partijen 3.1. In geschil is of de inspecteur het bezwaar tegen de aanslagen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of het verzoek om ambtshalve vermindering terecht is afgewezen. 3.2. Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. 4 Gronden Ten aanzien van het geschil Ontvankelijkheid van het bezwaar 4.1. De bezwaartermijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De bezwaartermijn begint dan te lopen op de dag na die van de dagtekening, maar niet eerder dan de dag na de bekendmaking. Zolang de aanslag niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, begint er dus nog geen bezwaartermijn te lopen. 4.2. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, gebeurt door toezending of uitreiking aan hen. Bekendmaking van een belastingaanslag gebeurt door de ontvanger, die de belastingaanslag bekend maakt door verzending of uitreiking van het door de inspecteur voor de belastingschuldige opgemaakte aanslagbiljet. 4.3. Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat in de regel ervan kan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden. De bewijslast bij verzending per post houdt in dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat het desbetreffende poststuk is aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Daartoe zal de inspecteur mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het poststuk is aangeboden. Deze regel lijdt echter uitzondering indien de zending de belastingschuldige niet heeft bereikt als gevolg van een fout van de inspecteur, zoals een verkeerde adressering die aan de inspecteur is te wijten. In dat geval kan niet worden gezegd dat bekendmaking van de aanslag op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden. Onjuist adres? 4.4. Belanghebbende stelt dat de aanslagen hem niet hebben bereikt als gevolg van een fout van de inspecteur. Het gebruikte adres is verkeerd (het juiste adres is [adres 3] en niet [adres 2] ) en dat is aan de inspecteur te wijten, aldus belanghebbende. Ter zitting heeft de gemachtigde toegevoegd dat de adreswijziging in de BRP niet op initiatief van belanghebbende heeft plaatsgevonden. Eventuele spel- en schrijffouten zijn hem dan ook niet aan te rekenen, aldus belanghebbende. 4.5. Het hof stelt vast dat uit de door de inspecteur overgelegde uitdraai van het BvR (zie 2.1) volgt dat de daarin opgenomen adresgegevens van belanghebbende afkomstig zijn van de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zijn verantwoordelijk voor het bijhouden van de persoonsgegevens in de BRP. De ingezetene die zijn adres wijzigt, dan wel vertrekt uit Nederland dient hiervan schriftelijk aangifte te doen. Naar het oordeel van het hof is het daarom aannemelijk dat belanghebbende zelf (en niet de inspecteur) zijn verhuisadres in Marokko aan de gemeente heeft doorgegeven. Het hof overweegt dat het geen aanleiding ziet te veronderstellen dat de inspecteur een mutatie kan aanbrengen laat staan daadwerkelijk heeft aangebracht in de BRP. De verzending van de aanslagen naar het onjuiste adres is dan ook niet aan de inspecteur te wijten. Verzending van de aanslagen 4.6. Belanghebbende stelt verder dat de ter postbezorging van de aanslagen niet aannemelijk is omdat de door de inspecteur overgelegde verzendrapportages niet duidelijk maken aan welk postvervoerbedrijf de aanslagen zijn aangeboden. Hij wijst daarbij op het feit dat de verzendrapportages vermelden dat de aanslagen zijn verzonden in een samengestelde partij documenten die ter postbezorging zijn aangeboden aan “POSTNL en SANDD”. 4.7. De inspecteur stelt daartegenover dat uit de verzendrapportages volgt dat de aanslagen op 28 maart 2019 ter verzending zijn aangeboden aan de postleverancier. Hij voert verder aan dat het postvervoer van brieven naar het buitenland wordt gedaan door de op grond van de Postwet aangewezen “universele postdienst” en dat alleen Post NL als zodanig is aangewezen. Ook wijst de inspecteur op de verzendrapportages waarin is vermeld dat de Belastingdienst voor het kalenderjaar 2019 in een overeenkomst met Post NL heeft vastgelegd dat Post NL - volgens de Postwet - de buitenlandse post (en de 48-uurs binnenlandse post) van de Belastingdienst zal verzorgen. De inspecteur betoogt dat hij daarmee overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen vóór de datum van hun dagtekening op de juiste wijze ter post zijn bezorgd. 4.8. Het hof acht de inspecteur geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Uit de SAP-dispositielijsten die als bijlagen aan de door de inspecteur overgelegde verzendrapporten zijn gehecht, blijkt dat de samengestelde partijen documenten waarvan de aanslagen onderdeel uitmaakten zijn opgesplitst in 48-uurs binnenlandse post, buitenlandse post en 72-uurs binnenlandse post. Zoals de inspecteur heeft gesteld is Post NL aangewezen als enige verlener van de universele postdienst. In dit licht heeft de inspecteur met zijn toelichting over de overeenkomst tussen de Belastingdienst en Post NL voor het kalenderjaar 2019 naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat de aanslagen op 28 februari 2019 ter verzending zijn aangeboden aan Post NL. De blote stelling van belanghebbende dat internationale briefpost niet alleen door Post NL wordt verzorgd, is onvoldoende om anders te oordelen. Omdat aannemelijk is dat de verzending vóór de dagtekening van de aanslagen heeft plaatsgevonden, is de bezwaartermijn van zes weken aangevangen op 4 april 2019 - de dag na die van de dagtekening - en afgelopen op 15 mei 2019. De inspecteur heeft het bezwaarschrift van belanghebbende op 23 januari 2023 ontvangen. Daarmee staat vast dat belanghebbende te laat bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslagen. Ontvangst van de aanslagen 4.9. Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring wegens die termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Daarvan kan sprake zijn als belanghebbende de aanslagen niet heeft ontvangen. Het is voldoende dat op grond van dat wat belanghebbende aanvoert de ontvangst of de aanbieding van de aanslagen redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende erin om deze redelijke twijfel te wekken, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst of die aanbieding. 4.10. Belanghebbende stelt dat hij de aanslagen niet heeft ontvangen en verwijst daarbij naar de verklaring van het hoofd van de gemeente [gemeente] te Marokko (zie 2.6; hierna: de verklaring). 4.11. De rechtbank heeft op dit punt als volgt overwogen en geoordeeld: “Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet het vermoeden van ontvangst of aanbieding van de aanslagbiljetten op het adres waaraan de aanslagbiljetten zijn geadresseerd ontzenuwd. De verklaring van het hoofd van de gemeente [gemeente] te Marokko is van 19 juni 2023. In de verklaring wordt een op dat moment gaande operatie beschreven. Uit de verklaring blijkt niet dat die operatie al in 2019 gaande was, noch dat de postbezorging op het adres van belanghebbende in 2019 niet te garanderen viel. Verder overweegt de rechtbank dat voor zover belanghebbende op de hoogte was van de omstandigheid dat de postbezorging op zijn adres in Marokko te wensen overliet, hij daarop actie had kunnen en moeten ondernemen. Immers, belanghebbende woonde in 2019 al zeker drie jaar in Marokko en hij moet hebben geweten dat hij nog openstaande aangifteverplichtingen in Nederland had, gelet op het gevraagde ‘Becon-uitstel’ naar aanleiding van de uitnodiging tot het doen van aangifte en de omstandigheid dat belanghebbende kennelijk € 30.000 aan loon uit dienstbetrekking heeft genoten, waarover een inhoudingsplichtige Zvw heeft afgedragen.” 4.12. Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat het uitgangspunt dat met de terpostbezorging van het aanslagbiljet de bekendmaking heeft plaatsgevonden, achterhaald is. Het hof ziet echter geen reden om af te wijken van de vaste jurisprudentie op dit punt zoals samengevat in 4.3 hiervoor. Belanghebbende heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat de verklaring niet anders uit te leggen is dan dat tot 2023 de postbezorging in de gemeente [gemeente] niet te garanderen viel. Het hof volgt belanghebbende hierin niet. Uit het feit dat de postbezorging in 2023 is vernieuwd en gemoderniseerd volgt niet zonder meer dat de postbezorging in 2019 zodanig gebrekkig was dat de ontvangst of aanbieding van de aanslagen redelijkerwijs kan worden getwijfeld. Wat belanghebbende in hoger beroep aanvoert, staat er dan ook niet aan in de weg dat het hof het oordeel van de rechtbank op dit punt tot de zijne maakt. 4.13. Gelet op het voorgaande heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslagen, de boetebeschikking en de beschikkingen belastingrente terecht niet-ontvankelijk verklaard. Verzoek om ambtshalve vermindering 4.14. Een verzoek om ambtshalve vermindering wordt afgewezen als het niet is gedaan binnen vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft tenzij de overschrijding van de vijfjaarstermijn verschoonbaar is . Het verzoek heeft betrekking op het belastingjaar 2016 en had dus voor 1 januari 2022 gedaan moeten worden. Belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering is op 23 januari 2023 door de inspecteur ontvangen. Het verzoek is dan ook buiten de vijfjaarstermijn gedaan. Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende geen redelijke twijfel gewekt aan de ontvangst van de aanslagen (zie 4.11 en 4.12) en daarom is (ook) de overschrijding van de vijfjaarstermijn niet verschoonbaar. De inspecteur heeft de verzoeken om ambtshalve vermindering dan ook terecht afgewezen. Tussenconclusie 4.15. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is. Ten aanzien van het griffierecht 4.16. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden. Ten aanzien van de proceskosten 4.17. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb. 5 Beslissing Het hof: verklaart het hoger beroep ongegrond; bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak is gedaan door B.J. Rubbens, raadsheer, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De raadsheer, F. Marcolina B.J. Rubbens Het aanwenden van een rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: de naam en het adres van de indiener; de dagtekening; een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; e gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten. Tot de stukken van het geding behoort een uitdraai van “Adressoort: 01 WOONADRES VOLGENS GEMEENTE”. Artikel 6:8, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Artikel 22j, letter a, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Artikel 3.41, lid 1, Awb. Artikel 8, lid 1, Invorderingswet 1990. Hoge Raad 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:875, r.o. 2.5.1. Hoge Raad 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5063. Artikel 1.4 Wet basisregistratie personen. Artikelen 2.39 en 2.43 Wet basisregistratie personen. De aanslag IB/PVV 2016 maakte volgens de desbetreffende SAP-dispositielijst deel uit van samengestelde partij documenten van in totaal 32.677 stuks waarvan er 714 stuks de bestemming buitenland hadden. De aanslag Zvw maakte deel uit van een samengestelde partij van in totaal 8.931 stuks waarvan er 112 stuks de bestemming buitenland hadden. Artikel 84 Postwet 2009 in verbinding met Aanwijzing verlener universele postdienst 2009, Stcrt. 2009,82 wijst Koninklijke TNT Post BV, de rechtsvoorganger van Post NL, aan als de rechtspersoon die de verlener is van de universele postdienst. Mede uit de toelichting op de aanwijzing blijkt dat Post NL de enige verlener van de universele postdienst is. Artikel 6:7 Awb. Artikel 6:11 Awb. Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, r.o. 2.4.4. Artikel 9.6, lid 2, Wet IB 2001 in verbinding met artikel 45aa, letter a, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001. Artikel 60 AWR in verbinding met artikel 6:11 Awb.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187413 · 2026-08-06
