# Rechtbank Den Haag, 05-06-2026 (703753)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:21760
- Date: 2026-06-05
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A21760
- Canonical: https://overview.legal/posts/187415

## Summary

Kort geding, vordering tot verwijdering persoonsgegevens uit het EVR, het IVR en alle overige schaderegisters en tot ongedaanmaking melding bij het fraudeloket van het CBV afgewezen

## Full text

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/703753 / KG ZA 26/421 Vonnis in kort geding van 5 juni 2026 in de zaak van [eiseres] te [woonplaats] , eiseres, advocaat mr. A.S. Avagyan te Amsterdam, tegen: Klaverblad Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. te Zoetermeer, gedaagde, advocaat mr. A.A.M. Zeeman te Voorburg. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘Klaverblad’. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 15; - de door Klaverblad overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12; - de door gedaagde overgelegde volledige versie van productie 12 en de aanvullende productie 16; - de op 22 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens [eiseres] pleitnotities zijn overgelegd. 1.2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag. 2 De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [eiseres] is werkzaam als zelfstandig letselschadebehandelaar. In de periode van 1 juli 2023 tot eind november 2023 heeft zij in opdracht van Klaverblad letselschadedossiers behandeld. 2.2. Nadat Klaverblad ermee bekend was geworden dat er in het verleden meerdere frauderegistraties van verschillende verzekeraars geregistreerd stonden op naam van [eiseres] , heeft zij eind november 2023 de met [eiseres] gesloten overeenkomst van opdracht met onmiddellijke ingang beëindigd. Klaverblad heeft nadien toegelicht dat sprake is van een vertrouwensbreuk, nu [eiseres] – samengevat – haar betrokkenheid bij de frauduleuze incidenten desgevraagd niet heeft gemeld in het integriteitsonderzoek dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van opdracht is gedaan. Klaverblad verwijt [eiseres] dat zij opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt en Klaverblad op die manier heeft misleid om een overeenkomst van opdracht te krijgen. 2.3. Een en ander is voor Klaverblad aanleiding geweest om de persoonsgegevens van [eiseres] te registreren in het (interne) Incidentenregister en het Intern Verwijzingsregister (IVR) voor de duur van acht jaar en in het Extern Verwijzingsregister (EVR) voor de duur van vijf jaar. Ook heeft zij van de registratie in het interne lncidentenregister een melding gedaan bij het Centrum voor Bestrijding van Verzekeringscriminaliteit (CBV). 2.4. [eiseres] heeft via een eerder kort geding bij deze rechtbank geprobeerd de registraties in de registers en de melding bij het CBV ongedaan te maken. Bij vonnis van 6 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Het Gerechtshof Den Haag heeft dat vonnis bij arrest van 3 juni 2025 bekrachtigd. Daarbij heeft het hof onder meer het volgende overwogen: “Voor zover [eiseres] heeft willen betogen dat registratie voor de duur van vijf jaar in het EVR om andere redenen disproportioneel is, gaat het hof daar niet in mee. Het door een (potentieel) schadebehandelaar opzettelijk verzwijgen van een ernstig fraudeverleden vormt een zodanige bedreiging voor de verzekeringssector dat een registratie van langere duur in beginsel toegelaten is. Redenen waarom daar in dit geval in die zin van afgeweken moet worden, dat de termijn op minder dan vijf jaar zou moeten worden gesteld, zijn niet gebleken. Dat [eiseres] als gevolg van de registraties hinder ondervindt bij het uitoefenen van haar werk als schadebehandelaar is daartoe onvoldoende. Hetzelfde geldt voor eventuele problemen bij het afsluiten van verzekerings- of bancaire producten, waarbij overigens [eiseres] ook niet onderbouwd gesteld heeft dat daarvan daadwerkelijk sprake is.” 2.5. Bij brief van 13 maart 2026 heeft [eiseres] met een beroep op gewijzigde omstandigheden en het proportionaliteitsvereiste Klaverblad gesommeerd om de registratie in het EVR te beëindigen. Klaverblad heeft niet aan deze sommatie voldaan. 2.6. Eveneens op 13 maart 2026 is de NIVRE-registratie van [eiseres] vanwege de EVR-registratie beëindigd. 3 Het geschil 3.1. [eiseres] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter Klaverblad veroordeelt om haar persoonsgegevens te verwijderen uit het EVR, het IVR en alle overige schaderegisters en de melding bij het fraudeloket van het CBV ongedaan te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en Klaverblad veroordeelt in de proceskosten. 3.2. Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Door de registraties, in het bijzonder de EVR-registratie, zijn haar inkomsten vrijwel opgedroogd, althans is er sprake van een zeer grote terugval in haar inkomen. Haar omzet is gedaald van ruim € 245.000 in 2023 naar ongeveer € 31.000 in 2025. Hierdoor kan zij haar zakelijke en privékosten niet meer betalen en stevent zij af op een persoonlijk faillissement. [eiseres] meent dat zij gelet hierop een zwaarwegend belang heeft bij beëindiging van de registraties. De registraties zijn in de gegeven omstandigheden disproportioneel. [eiseres] wijst er daarnaast op dat het doel van de EVR-registratie is om financiële instellingen te waarschuwen tegen fraudeurs, terwijl in haar geval de kans op recidive relatief laag is. 3.3. Klaverblad voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4 De beoordeling van het geschil 4.1. Het meest verstrekkende verweer van Klaverblad is dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen, omdat die vorderingen gelijkluidend zijn aan de vorderingen waarop reeds door de voorzieningenrechter van deze rechtbank in 2024 en het Gerechtshof Den Haag in 2025 is beslist. De voorzieningenrechter volgt Klaverblad niet in dit verweer. In dit kort geding kan [eiseres] weliswaar niet meer aan de orde stellen of de registraties in de registers en de melding bij het CBV terecht zijn gedaan, maar wel kan beoordeeld worden of er op dit moment reden bestaat om de registraties en de melding ongedaan te maken. [eiseres] stelt in dit verband dat de registraties tot gevolg hebben dat haar huidige financiële situatie dusdanig nijpend is dat zij afstevent op een persoonlijk faillissement. Ook als juist is dat de drastische daling van haar inkomen al tijdens de vorige kortgedingprocedure voor [eiseres] kenbaar was en dit ook is meegewogen in het eindoordeel van het hof, neemt niet weg dat de situatie nu zo precair kan zijn dat dit ongedaanmaking van de registraties en de melding vanwege de disproportionaliteit daarvan rechtvaardigt. [eiseres] kan dan ook in haar vorderingen worden ontvangen. 4.2. De rechtbank stelt voorop dat uit de stellingen van [eiseres] volgt dat zij vooral (spoedeisend) belang heeft bij verwijdering van de registratie in het EVR, omdat die registratie volgens haar tot gevolg heeft dat haar inkomsten nagenoeg zijn opgedroogd. Niet gesteld of gebleken is dat ook de overige registraties en de melding bij het CBV haar belemmeren in het uitvoeren van haar werkzaamheden en het vergaren van inkomsten. Bij verwijdering of ongedaanmaking daarvan heeft zij dan ook geen spoedeisend belang. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter enkel beoordelen of de registratie in het EVR nu nog proportioneel is. 4.3. Onbetwist is dat Klaverblad een gerechtvaardigd belang heeft bij opname van de persoonsgegevens van [eiseres] in de registers en handhaving daarvan. Het incidentenregister en het EVR maken onderdeel uit van het Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (“IFI”). Het doel van dat systeem is de waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector en de bestrijding van fraude en het beoogt dat financiële instellingen een goed geïnformeerde beslissing kunnen nemen over een aanvraag. Door het plaatsen van een registratie kan Klaverblad aldus collega-verzekeraars waarschuwen voor niet integer gedrag van in dit geval [eiseres] . Dat belang geldt, mede in het licht van wat het hof heeft overwogen over de duur van de registratie in het EVR (zie 2.4), onverminderd. 4.4. De gestelde gewijzigde privésituatie van [eiseres] dwingt naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu niet tot verwijdering van de registratie of het verkorten van de registratieduur. Onvoldoende aannemelijk is dat de huidige financiële situatie van [eiseres] (uitsluitend) te wijten is aan de EVR-registratie. Uit de door haar overgelegde stukken blijkt weliswaar dat sinds de registraties schulden en (recent) betalingsachterstanden zijn ontstaan, maar dat dit komt door een inkomstenterugval die is veroorzaakt door de registratie heeft [eiseres] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiseres] ook al eerder (van 2018 tot 2022) in het EVR stond geregistreerd. Destijds was zij ook al actief als zelfstandig letselschadebehandelaar. Niet gesteld of gebleken is dat zij toen problemen heeft ondervonden door die registratie. Over die periode is geen enkele informatie verstrekt. Daardoor is ook onduidelijk welke waarde moet worden toegekend aan de omzet die in 2023 door [eiseres] met haar onderneming is behaald. Klaverblad heeft nog erop gewezen dat uit de door [eiseres] overgelegde stukken blijkt dat zij in laatstgenoemd jaar bijna twee ton euro aan privé-onttrekkingen heeft gedaan uit haar onderneming die kennelijk niet zijn aangewend aan het betalen van belastingen. Bovendien is onvoldoende gebleken dat [eiseres] niet op andere wijze in een inkomen kan voorzien. Terecht heeft Klaverblad opgemerkt dat er genoeg banen zijn waarbij de registraties niet hoeven te worden gemeld. Dat het niet kunnen krijgen van een arbeidsongeschikt-heidsverzekering het verrichten van andere werkzaamheden bemoeilijkt, acht de voorzieningenrechter niet overtuigend. Voor het verrichten van werkzaamheden in loondienst zal zo’n verzekering in de regel immers niet nodig zijn. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat de registratie voor de duur van vijf jaar disproportioneel is geworden. 4.5. De slotsom is dan ook dat de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. 4.6. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Deze proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot aan de hand van het liquidatietarief. Klaverblad heeft weliswaar gevorderd om [eiseres] in de werkelijke proceskosten te veroordelen, maar daarvoor bestaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen grond. Gelet op dat wat in 4.1 is overwogen, is anders dan Klaverblad meent, geen sprake van misbruik van procesrecht. 4.7. De proceskosten van Klaverblad worden aldus begroot op: - griffierecht € 735 - salaris advocaat € 1.177 - nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101 4.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: 5.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af; 5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.3. veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.4. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026. EI

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187415 · 2026-08-06
