# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04-06-2026 (C/02/386237 / FA RK 21-2639)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:5986
- Date: 2026-06-04
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A5986
- Canonical: https://overview.legal/posts/187426

## Summary

Nu de OTS doorloopt, wordt de omgangsregeling in handen GI gelegd, geen vooruitzicht op verbetering communicatie ouders, afwijzing gezamenlijk gezag

## Full text

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/386237 / FA RK 21-2639 Datum uitspraak: 4 juni 2026 (nadere) beschikking over gezag en omgangsregeling in de zaak van [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats] , advocaat voorheen: mr. E.A.G. van Acker te Sint Jansteen, advocaat thans: mr. M. Kalle te Middelburg, tegen [vrouw] , Hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] . Als belanghebbende in deze zaak wordt gezien: de Stichting Jeugdbescherming west Zeeland , hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Middelburg. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het verdere procesverloop 1.1 In het dossier zitten de volgende stukken: - de beschikking van 3 mei 2024 en alle daarin genoemde stukken; - de brief van de GI van 16 december 2024 met bijlagen; - F9-formulier (met bijlagen) van 13 januari 2025 van mr. Tiggelaar; - F9-formulier van 14 januari 2025 van mr. Van Acker; - F9-formulier van 15 oktober 2025 van mr. Van Acker; - de brief van de GI van 10 november 2025; - F9-formulier van 11 november 2025 van mr. Tiggelaar; - F9-formulier van 14 november 2025 van mr. Van Acker; - F9-formulier van 28 november 2025 van mr. Tiggelaar; - de briefrapportage (met bijlagen) van de GI van 8 mei 2026. 1.2 Het verzoek is verder mondeling behandeld op de zitting van 21 mei 2026. Bij die behandeling zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad en een vertegenwoordiger van de GI. 1.3 Aan mevrouw [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] , beiden begeleidsters van de vrouw, en aan mevrouw [persoon 3] , begeleidster van de man, is bijzondere toestemming verleend om de zitting als toehoorders bij te wonen. 1.4 De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/442360 / JE RK 25-2099 . Op dit zaaknummer is per separate beschikking beslist. 2 De verdere beoordeling 2.1 De rechtbank verwijst naar haar beschikking van 3 mei 2025. Hierin is de behandeling van de zaak aangehouden en is de GI verzocht verslag uit te brengen over het verloop en de resultaten van de hulpverlening en de omgangsregeling. 2.2 De rechtbank heeft daarna nog kennisgenomen van meerdere berichten van de GI. Uit het bericht uit 2024 blijkt dat de GI voornemens was om individuele hulpverlening voor de man in te schakelen. In navolging van dat bericht is de zaak ook op verzoek van partijen aangehouden. In 2025 bericht de GI dat het contact tussen de man en de jeugdbeschermer wisselend verloopt. Ondanks herhaalde pogingen van de jeugdbeschermer om het contact structureel te verbeteren, is hierin weinig verandering zichtbaar. Dit geldt ook ten aanzien van het nakomen van de bezoekafspraken. De man toont hierin weinig leerbaarheid. Wel geniet [minderjarige] zichtbaar tijdens de contactmomenten en tonen de man en de dochter een warme band. De bezoeken vinden plaats bij [accommodatie] te [plaats] en zijn volledig begeleid. Een belemmerende factor voor het overgaan naar onbegeleide bezoeken is het wantrouwen van de vrouw, dat is toegenomen. De individuele hulpverlening welke de GI voornemens was voor de man in te schakelen, is vanwege de beperkte bereikbaarheid van de man niet doorgegaan. De GI vindt gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . Stabiliteit, voorspelbaarheid en continuïteit in de opvoedsituatie zijn voor [minderjarige] essentieel en kunnen momenteel onvoldoende worden gewaarborgd. Wel adviseert de GI de omgang tussen de man en [minderjarige] te continueren, gezien het positieve effect op [minderjarige] . Behoud van begeleiding is gezien de huidige dynamiek tussen partijen voorlopig noodzakelijk. 2.3 Thans liggen nog ter beoordeling voor de verzoeken van de man, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. een opbouwende omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen zoals beschreven onder 8 van zijn verzoekschrift, te weten:  tweemaal twee uur per week begeleide omgang gedurende de periode van twee weken;  vervolgens tweemaal een dagdeel per week waarvan een dagdeel begeleid en een dagdeel onbegeleid, gedurende de periode van twee weken;  dan driemaal een dagdeel per week onbegeleid gedurende twee weken;  vervolgens een zorgregeling op basis van gelijkwaardig co-ouderschap, waarbij de minderjarige alternerend de ene week vier dagen en de andere week drie dagen bij hem verblijft en de helft van de schoolvakanties, althans een omgangs- c.q. zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren, II. te bepalen dat hij voortaan samen met de vrouw het gezag over de minderjarige uitoefent. 2.4 Bij bericht van 8 mei 2026 heeft de GI laten weten dat het op dit moment nog onvoldoende mogelijk is om gezamenlijk gezag op een stabiele en verantwoorde wijze vorm te geven. Een belangrijke voorwaarde voor gezamenlijk gezag is dat ouders in staat zijn om met elkaar te communiceren en gezamenlijk beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige] . Op dit moment is er echter nog geen sprake van voldoende contactherstel of constructieve communicatie tussen ouders. De GI vindt het noodzakelijk dat eerst onderzocht en gewerkt wordt aan de mogelijkheden voor herstel van het onderlinge contact en de communicatie tussen ouders. Wettelijk kader gezag 2.5 In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. De verdere standpunten 2.6 Namens en door de vrouw is aangegeven dat er in het verleden sprake is geweest van huiselijk geweld. Ook in de relatie van de man in 2023 bij zijn destijds nieuwe partner was er sprake van huiselijk geweld, evenals een geschiedenis van drugs en alcoholproblematiek. Bij beide ouders is er daarnaast sprake van persoonlijke problematiek. Het is van belang dat de druk bij de vrouw wordt weggenomen en dat het verzoek van de man om gezamenlijk met de vrouw met het gezag te worden belast, wordt afgewezen. [minderjarige] zit klem tussen beide ouders en dit gaat op korte termijn niet verbeteren. Het risico is daarnaast groot dat bij toewijzing van het gezamenlijke gezag de vrouw verder overbelast raakt, als zij zaken samen met de man moet gaan regelen. Nu afwijzen betekent niet dat gezamenlijk gezag in de toekomst niet mogelijk zou zijn. Het haalt wel veel druk weg. 2.7 Namens en door de man is aangegeven dat de man begrijpt dat zijn verzoek om gezamenlijk gezag op dit moment niet toegewezen kan worden. Er zijn echter wel positieve ontwikkelingen, zowel aan de zijde van de man als aan de zijde van de vrouw. De man verzoekt om die reden om zijn verzoek aan te houden. Het is een stimulans voor beide partijen om de verstandhouding te verbeteren, zodat de situatie meer gelijk wordt. De man is bereid om alle hulpverlening aan te gaan, zodat hij gezamenlijk met de moeder het gezamenlijk gezag over [minderjarige] kan uitoefenen. Het zou de man bovendien helpen als er meer informatie over [minderjarige] van de vrouw naar de man gaat. Hoe gaat het op school, waar is [minderjarige] mee bezig, wat vindt ze leuk? Op die manier kan de man meer aansluiting zoeken bij de interesses van [minderjarige] . 2.8 De GI geeft aan dat op dit moment gezamenlijk gezag niet aan de orde is. Er is geen sprake van twee ouders die met elkaar communiceren en kunnen samenwerken. 2.9 De Raad geeft aan dat de beslissing omtrent het gezag aangehouden kan worden of kan worden afgewezen. Als het aangehouden wordt, kan het als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangen. Er zijn echter positieve ontwikkelingen, deze bevinden zich met name op het gebied van de omgang. Wellicht is het beter als partijen zich op de omgangsregeling focussen, zodat deze in het belang van [minderjarige] uitgebreid kan worden. Het is in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen de vader en haar onbelast is. De verdere beoordeling 2.10 [minderjarige] staat sinds 22 juni 2023 onder toezicht van de GI. In deze drie jaren is er nog geen wezenlijke verbetering in de communicatie tussen de ouders gekomen. De GI steekt hier op dit moment niet op in, omdat het voor [minderjarige] meer van belang is dat zij een structurele en onbelaste band met haar vader krijgt. Het verzoek van de man dateert al vanaf 2021. De rechtbank is van oordeel dat op korte termijn niet te verwachten is dat de ouders wel met elkaar kunnen gaan communiceren en samenwerken. De GI steekt hier vooralsnog ook nog niet op in. 2.11 Op enig moment is het van belang dat er duidelijkheid komt. Voor partijen, maar zeker ook [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat gezamenlijk gezag op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. Ook het aanhouden van het verzoek van de man dient het belang van [minderjarige] niet. Voor [minderjarige] is het meer van belang dat er onbelast en structureel contact met de vader is en dat haar moeder niet verder belast wordt. Er is aan de zijde van de vrouw sprake van een grote emotionele belasting. De rechtbank is van oordeel dat het afwijzen van het verzoek van de man om gezamenlijk gezag op dit moment meer rust brengt in de situatie tussen partijen. De kans is ook groter dat de vrouw dan meer achter het tempo van [minderjarige] voor wat betreft de omgangsregeling met de man kan gaan staan. Op die manier wordt eerder bereikt dat [minderjarige] onbelast contact met haar beide ouders kan hebben en wordt de kans dat [minderjarige] verder klem of verloren raakt tussen haar ouders verminderd. Wettelijk kader omgangsregeling 2.12 In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden: omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind; het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil; er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind. De verdere standpunten 2.13 Namens en door de vrouw is aangegeven dat de eerder, bij beschikking van 31 juli 2023 vastgestelde voorlopige omgangregeling nog steeds voldoet. Deze regeling houdt – kort samengevat – in dat [minderjarige] (als minimumregeling) een volledige dag van 9.00 uur tot 18.00 uur deels begeleid omgang heeft met de man gedurende één keer per week en dat het aan de GI wordt gelaten om deze regeling (indien mogelijk) uit te breiden met als doel onbegeleide contactmomenten tussen de man en [minderjarige] , waar een overnachting in zal voorzien. De vrouw vindt het te vroeg om nu vast te leggen hoe en wanneer de omgangsregeling uitgebreid wordt. Er is nog onvoldoende zicht op de thuissituatie van de man en Goed Genoeg Opvoederschap moet nog ingezet worden. De vrouw kan daarom ook niet instemmen met het voorstel van de GI om [minderjarige] ieder weekend met de man omgang te laten hebben. De vrouw wil zelf ook graag in de weekenden tijd met [minderjarige] doorbrengen. De vrouw kan er wel mee instemmen om de man maandelijks van informatie over [minderjarige] te voorzien. 2.14 Namens en door de man is aangegeven dat de voorlopige omgangsregeling te beperkt is. Er moet ruimte komen om ook uit te breiden naar een overnachting. De man begrijpt dat dit voorzichtig moet. Al gaat het voor [minderjarige] veel te langzaam. Volgens de man heeft [minderjarige] behoefte aan een diepere band met haar vader. De man wil de kans hebben om [minderjarige] te beschermen. Hij is bereid om de weekenden op te bouwen en maandenlang iemand langs te laten komen in zijn woning, zodat er toegewerkt kan worden naar een co-ouderschap. 2.15 De GI geeft aan dat dat er sprake is van een dermate positieve ontwikkeling dat de omgang uitgebreid kan worden. In eerste instantie zal dit begeleid zijn en wordt er toegewerkt naar onbegeleide omgang. 2.16 De Raad adviseert om de omgangsregeling en de uitbreiding daarvan in handen van de GI te geven en toe werken naar een weekendregeling. Inhoudelijke beoordeling 2.17 De rechtbank stelt voorop dat de ondertoezichtstelling is verlengd voor de duur van een half jaar, dat wil zeggen tot aan 22 december 2026. De verwachting is, gelet op de huidige stand van zaken, dat de ondertoezichtstelling op dat moment nog niet beëindigd kan worden. De ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] is ernstig en nog niet verminderd. Er moet nog verdere hulpverlening ingezet worden. Dat betekent dat de GI voorlopig nog betrokken blijft en op het tempo van [minderjarige] kan bekijken welke omgangsregeling het best passend voor haar is. De GI dient daarbij rekening te houden met de belangen van [minderjarige] , hetgeen betekent dat er in de weekenden ook tijd mogelijk is welke [minderjarige] met haar moeder door kan brengen. 2.18 De rechtbank zal het verzoek tot omgang niet verder aanhouden. Partijen moeten met de verdere hulpverlening aan de slag en de GI heeft goed zicht op het tempo van [minderjarige] . Ook dient er verdere hulpverlening voor [minderjarige] ingezet te worden. 2.19 De rechtbank zal de definitieve regeling in handen van de GI leggen, waarbij het aan de GI is om te beslissen of en in hoeverre de omgangsregeling begeleid dan wel onbegeleid voortgezet kan worden en tot welke omgangsregeling er in het belang van [minderjarige] uitgebreid kan worden. De rechtbank verwacht van de GI dat de GI voordat er een borgingsplan gemaakt gaat worden én partijen het niet eens zijn met de uiteindelijke omgangsregeling, de definitieve omgangsregeling zal voorleggen aan de kinderrechter in het kader van een 1:265g BW verzoek. Uitvoerbaar bij voorraad 2.20 De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 3 De beslissing 3.1 bepaalt dat de man en de minderjarige, [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, gerechtigd zijn tot omgang met elkaar ) een volledige dag van 9.00 uur tot 18.00 uur deels begeleid omgang heeft met de man gedurende één keer per week en dat het aan de GI wordt gelaten om deze regeling (indien mogelijk) uit te breiden met als doel onbegeleide contactmomenten tussen de man en [minderjarige] , waar een overnachting in zal voorzien. 3.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 3.3 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/187426 · 2026-08-06
