# Rechtbank Den Haag, 30-07-2026 (NL25.58141)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:22616
- Date: 2026-07-30
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A22616
- Canonical: https://overview.legal/posts/291155
- Topics: Types of Special Categories of Personal Data, Identification, Minors, Special Categories of Data, Healthcare, Biometric Data, Biometric Data, Personal Data, Public Authority, Law Enforcement

## Summary

AA, gegrond.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58141 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser 1] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Imami). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 14 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 20 november 2025 de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 27 maart 2026. De rechtbank heeft de behandeling van het beroep aangehouden omdat eiser niet op tijd kon verschijnen vanwege een treinstoring. 2.2. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 12 juni 2026 verder op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser stelt [eiser 1] te zijn, geboren op [geboortedag 1] 2006, van Eritrese nationaliteit, behorend tot de Tigrinja bevolkingsgroep en geboren in Soedan. Hij heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft in Soedan problemen ervaren met de Soedanese bevolking en met de politie door zijn Eritrese afkomst. Eiser is mishandeld en vernederd en een politieman vertelde hem dat hij naar de gevangenis zou moeten of terug zou moeten keren naar Eritrea. Bij terugkeer naar Soedan vreest eiser in de gevangenis terecht te komen of naar Eritrea gestuurd te worden en hij vreest dat in Eritrea nog ergere dingen met hem zullen gebeuren dan in Soedan. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: - Identiteit, nationaliteit en herkomst; - Problemen in Soedan. 4.1. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig. Verweerder heeft de problemen in Soedan niet beoordeeld, omdat de gestelde vrees er is op grond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, die ongeloofwaardig zijn geacht. 4.2. Volgens verweerder heeft eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet onderbouwd met objectieve documenten. Ook voldoet eiser ten aanzien van het eerste asielmotief niet aan artikel 31, zesde lid, onder b, c en e van de Vw. Eiser bevindt zich namelijk al sinds 14 november 2023 in de Nederlandse asielprocedure en het is voor hem mogelijk om aan identificerende documenten te komen in Soedan. De identificerende documenten van de gestelde ouders van eiser onderbouwen zijn eigen identiteit, nationaliteit en herkomst niet omdat niet kan worden aangenomen dat dit zijn ouders zijn. Hetzelfde geldt voor de documentatie van gestelde familieleden. Het overgelegde oude vaccinatiebewijs is geen identificerend document. Ook op basis van de verklaringen van eiser, onder andere over zijn talenkennis en etniciteit, kan geen eenduidige herkomst of nationaliteit worden vastgesteld. Daarbij heeft eiser wel enige kennis over de Eritrese tradities en/of gebruiken maar zou hij deze ook via openbare bronnen kunnen hebben verkregen en heeft hij hiermee zijn herkomst en nationaliteit niet onderbouwd. Eiser heeft verschillende verklaringen gegeven voor zijn leeftijd en heeft deze niet gecorrigeerd. Ten slotte kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, mede gelet op de andere persoonsgegevens waaronder hij in Italië is geregistreerd. 4.3. Eiser heeft verweerder misleid over zijn identiteit en nationaliteit. Eiser heeft immers aangegeven minderjarig te zijn, terwijl zowel de gehoormedewerkers van de Immigratie- en Neutralisatiedienst (IND) als van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) eiser in Nederland als evident meerderjarig hebben geschouwd. Ook staat eiser in Italië bekend onder twee aliassen. Verweerder heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, Vw. 4.4. Omdat eiser tijdens de procedure meerderjarig is verklaard, is niet gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw. Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten, omdat zijn asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is er op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. De beroepsgronden 5. Eiser voert aan dat hij documenten heeft aangeleverd en in zijn gehoor in grote lijnen geloofwaardig heeft verklaard. Hij heeft, mede gelet op zijn achtergrond als minderjarige, voldaan aan zijn inspanningsverplichting. Verweerder motiveert onvoldoende waarom eiser over Soedanese documentatie dient te beschikken. Eiser heeft namelijk gemotiveerd waarom hij hier niet over beschikt. Gezien de samenwerkingsplicht ligt het op de weg van verweerder om een DNA-onderzoek te doen. Verweerder heeft ook onvoldoende rekening gehouden met de individuele achtergrond van eiser en had de asielaanvraag niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen verblijfsvergunning regulier krijgt op grond van het buiten schuld beleid. Eiser was namelijk minderjarig toen hij zijn asielaanvraag heeft ingediend. Eiser heeft daarnaast een privéleven opgebouwd en zou daarom een verblijfsvergunning regulier moeten krijgen. Ten slotte heeft eiser, gelet op de persoonlijke omstandigheden en gelet op het risico bij terugkeer, ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd gekregen. Het oordeel van de rechtbank Identiteit, nationaliteit en herkomst Leeftijdsschouwen 6. Omdat eiser bij het indienen van zijn asielaanvraag zijn gestelde minderjarige leeftijd niet heeft onderbouwd met authentieke identificerende documenten, is hij, overeenkomstig verweerders beleid, door medewerkers van de AVIM en de IND geschouwd. De AVIM en de IND hebben geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. 6.1. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801, is geoordeeld dat de leeftijdsschouw een bruikbaar middel is voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Daarbij is benadrukt dat het, om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. 6.2. De leeftijdsschouwen van zowel de AVIM als de IND vinden plaats in de aanmeldfase van de asielprocedure. De twee schouwen vinden altijd afzonderlijk van elkaar plaats. De IND heeft voorafgaand aan de schouw geen kennis van de uitkomst van de schouw van de AVIM. Die is tot na de schouw die de IND verricht elektronisch verzegeld. Zowel de schouwers van de AVIM als van de IND baseren hun bevindingen op uiterlijke kenmerken, gedrag en verklaringen van een vreemdeling. 6.3. Eiser heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de leeftijdsschouwen onzorgvuldig zijn, gelet op jurisprudentie van de Afdeling. De rechtbank volgt eiser daarin en is van oordeel dat de schouwen van de AVIM en de IND niet voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. De schouwers leggen in het proces-verbaal niet uit waarom de lichamelijke kenmerken en het gedrag van eiser typerend zijn voor een meerderjarige en waarom juist niet voor een minderjarige. Van een deel van de lichamelijke kenmerken kan de rechtbank zich wel voorstellen dat die meer bij meerderjarigen dan bij minderjarigen voorkomen (zoals grijze haren en stoppels) maar van een aantal kenmerken (zoals krullend donker haar, een litteken op de wang) is zonder verdere toelichting onduidelijk wat die zeggen over eisers leeftijd. Bovendien wijken de waarnemingen bij de schouwen deels onderling af en is onduidelijk welke rol die verschillen spelen in de conclusies en waarom in beide gevallen wordt geconcludeerd tot evidente meerderjarigheid. Zo wordt in de schouw van de AVIM benoemd dat eiser wel een terugwijkende haargrens, stoppels en zichtbare groeven rond de mondhoeken heeft, terwijl in de schouw van de IND wordt benoemd dat eiser geen terugwijkende haargrens, stoppels en zichtbare groeven rond de mondhoeken heeft. Wat betreft het gedrag van eiser wordt in de schouw van de AVIM onder meer genoemd dat eiser met zijn armen over elkaar zit, regelmatig met zijn ogen draait bij vragen die hij niet prettig vindt, geëmotioneerd raakt aan het einde van het gesprek en aangeeft zijn familie te missen. Door de IND wordt onder meer benoemd dat eiser een actieve luisterhouding heeft, rechtop zit, vriendelijk is, goed meewerkt en goed verklaart. De rechtbank kan uit de verslagen niet opmaken hoe deze gedragingen en verklaringen hebben bijgedragen aan de conclusie dat eiser meerderjarig is. Ook is bij sommige omschrijvingen zonder verdere toelichting niet duidelijk wat daarmee wordt bedoeld of waar die op zijn gebaseerd (zoals ‘betrokkene lijkt ouder dan de opgegeven leeftijd’, ‘betrokkene verklaart goed’). Daar komt bij dat de schouw door de IND plaatsvond op 7 augustus 2024 en eiser, uitgaande van zijn gestelde geboortedatum 6 augustus 2006, op dat moment bijna 18 jaar was en er wat betreft de leeftijds- en gedragskenmerken geen harde grens c.q. omslagpunt is bij de 18e verjaardag. Dit alles maakt dat de schouwen geen bruikbaar middel zijn om uitspraak te doen over de leeftijd van eiser. Verweerder mocht de leeftijdsschouwen daarom niet betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. De beroepsgrond slaagt. Leeftijdsregistratie Italië en verklaringen eiser over zijn geboortedatum 7. Het voorgaande neemt echter niet weg dat verweerder met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3991, onder 3.3, en van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:327, onder 3.5. In dit geval heeft verweerder nader onderzoek gedaan bij de Italiaanse autoriteiten. Deze autoriteiten hebben meegedeeld dat eiser in Italië geregistreerd staat als [alias 1] , geboren op [geboortedag 2] 2003, van Eritrese nationaliteit, en als [alias 2] , geboren op [geboortedag 3] 2003, van Eritrese nationaliteit. 7.1. In de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, onder 6.9, heeft de Afdeling overwogen dat verweerder niet op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de juistheid van een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat. Dit betekent niet, zo staat in die uitspraak, dat geen gewicht toekomt aan een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Verweerder moet de leeftijd van een vreemdeling en de bewijswaarde van een leeftijdsregistratie beoordelen met toepassing van het nationale bestuursrechtelijke bewijsrecht, met inachtneming van wat daarover aanvullend in het Unierecht is bepaald. Het is daarbij aan de betrokken vreemdeling om zijn identiteit, waaronder zijn geboortedatum, aannemelijk te maken. Als verweerder twijfels heeft over de minderjarigheid van de betrokken vreemdeling, dan geldt als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid. Verweerder moet dan uitgaan van het vermoeden dat de betrokken vreemdeling minderjarig is. Het is dan aan verweerder om dat vermoeden te ontzenuwen. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. Daarbij moet verweerder ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen betrekken. 7.2. Uit het onderzoek bij de Italiaanse autoriteiten volgt dat aan de daar geregistreerde namen en geboortedata van eiser geen brondocumenten of een medisch leeftijdsonderzoek ten grondslag liggen. Er is enkel vermeld dat eiser is “photofingerprinted” onder de vermelde aliassen. De geregistreerde gegevens zijn, zo begrijpt de rechtbank hieruit, gebaseerd op verklaringen die eiser zou hebben afgelegd. De rechtbank constateert dat tijdens het aanmeldgehoor enkel aan eiser is gevraagd welke naam en geboortedatum hij in Italië heeft opgegeven (waarop eiser heeft geantwoord: mijn eigen naam en geboortedatum) en dat hij niet nader is bevraagd over de omstandigheden waaronder de registratie in Italië tot stand is gekomen of is geconfronteerd met de door Italië geregistreerde gegevens. In de zienswijze heeft eiser aangegeven dat hij niet weet hoe de Italiaanse autoriteiten hem hebben geregistreerd en dat zijn gegevens in Italië niet juist zijn geregistreerd. Op de zitting heeft eiser verklaard dat hij in Italië niet met een tolk is gehoord, dat hij zijn eigen naam en geboortedatum heeft opgegeven en dat hij niet weet welke gegevens de Italiaanse autoriteiten hebben genoteerd. Hoewel de rechtbank het opmerkelijk vindt dat eiser in Italië met andere gegevens is geregistreerd, is zij gelet op dit alles van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zwaar gewicht toekent aan de registratie van eiser in Italië als meerderjarige. Te meer nu verweerder het in de Italiaanse registratie vermelde geboortejaar 2003 (en overigens ook de in Italië geregistreerde namen) niet overneemt maar als geboortedatum voor eiser [geboortedag 4] 2006 aanhoudt, welke geboortedatum slechts ruim één maand afwijkt van de door eiser gestelde geboortedatum. 7.3. Verweerder heeft ook gesteld en betrokken dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn geboortedatum. Eiser betwist dit en wijst erop te hebben verklaard dat hij in 2020, toen hij 14 of 15 jaar was, uit Soedan is vertrokken, wat correspondeert met het door hem opgegeven geboortejaar 2006. De rechtbank constateert dat verweerder eiser tegenwerpt dat hij in het gehoor bij de AVIM op 14 november 2023 heeft verklaard ‘tot 2020’ in Soedan te hebben gewoond en 14 of 15 jaar te zijn geweest toen hij uit Soedan vertrok, terwijl hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard ‘in 2020’ Soedan te hebben verlaten en dat hij toen 15 jaar oud was. Verweerder legt de door eiser bij de AVIM afgelegde verklaring uit als dat eiser heeft verklaard dat hij Soedan in 2019 heeft verlaten, zodat eiser in 2004 of 2005 geboren zou moeten zijn. De rechtbank volgt die strikt letterlijke uitleg van ‘tot 2020’ niet, mede gelet op de aan eisers antwoord voorafgaande vraag en de vervolgvraag, waaruit blijkt dat de AVIM eisers antwoord heeft begrepen als dat hij in 2020 Soedan heeft verlaten . Eiser heeft in hetzelfde gehoor bovendien meermalen verklaard op dat moment 17 jaar oud te zijn, wat strookt met de door hem opgeven geboortedatum [geboortedag 1] 2006. In het aanmeldgehoor van 7 augustus 2024 heeft eiser opnieuw verklaard te zijn geboren op [geboortedag 1] 2006, en verklaard over een week 18 jaar te worden en Soedan eind 2020 te hebben verlaten, toen hij 15 jaar oud was. Gelet op dit laatste volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat uit het aanmeldgehoor volgt dat eiser geboren moet zijn in 2004 of 2005, maar enkel in de conclusie dat hieruit het geboortejaar 2005 volgt. Hoewel eisers verklaring dat hij Soedan heeft verlaten toen hij 15 jaar oud was, niet juist kan zijn wanneer wordt uitgegaan van het gestelde geboortejaar 2006, valt niet in te zien waarom die onjuistheid voldoende is om eiser tegen te werpen dat hij ongerijmd heeft verklaard over zijn geboortedatum. Dit mede gelet op de door eiser consistent genoemde geboortedatum van [geboortedag 1] 2006, zijn eerdere verklaring dat hij op zijn 14e of 15e uit Soedan is vertrokken en zijn referentiekader (jong, niet op school gezeten). Dat eiser niet heeft verklaard moeite te hebben met data en dat in het medisch advies geen beperkingen zijn geconstateerd, zoals verweerder overweegt, maakt dit niet anders. Het gaat immers bij bedoelde verklaring niet om een specifieke datum, maar over een herinnering dan wel het terugrekenen hoe oud eiser moet zijn geweest bij vertrek. Ook op dit punt heeft verweerder dus het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt. Documenten 8. Verweerder heeft eiser verder tegengeworpen dat niet is gebleken dat eiser pogingen heeft ondernomen om zelf aan documenten over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te komen, hoewel dit wel mogelijk is. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2019 en het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2021 op het standpunt dat eiser (ook nu nog) aan identificerende documenten zou kunnen komen in Soedan. Zo is er voor vreemdelingen een mogelijkheid om in Soedan aan een Alien ID kaart of geboorteakte te komen. Voor de aanvraag daarvan heeft eiser geen andere documenten nodig. Ook zou eiser een nationaalnummer en nationaliteitsverklaring kunnen aanvragen in Soedan. De documenten die eiser heeft overgelegd van zijn gestelde ouders volstaan niet om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst vast te stellen. Er kan namelijk niet worden aangenomen dat deze personen de ouders van eiser zijn. Het vaccinatiebewijs dat eiser heeft overgelegd is geen identificerend document, omdat het geen pasfoto bevat. Verweerder volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat is voldaan aan de inspanningsverplichting. 8.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser aan identificerende documenten kan komen. Verweerder verwijst naar oude ambtsberichten over Soedan van 2019 en 2021. De rechtbank constateert dat in het Algemeen Ambtsbericht Soedan van december 2025 (dat weliswaar dateert van na het bestreden besluit, maar dat de rechtbank op de zitting aan de orde heeft gesteld en op basis van de ex nunc-toetsing bij haar beoordeling betrekt) niet langer wordt verwezen naar eerdere ambtsberichten voor meer informatie over het verkrijgen van identificerende documenten in Soedan, zoals in het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2021 nog werd gedaan. Het is daarom niet zeker dat de informatie uit eerdere ambtsberichten nog gevolgd kan worden. Daardoor is onduidelijk of eiser op dit moment deze documenten nog kan verkrijgen. Bovendien is niet van alle documenten die verweerder noemt duidelijk of die ook te verkrijgen zijn door personen die stellen wel in Soedan geboren te zijn, maar een andere nationaliteit te bezitten. Daar komt bij dat uit pagina 105 van het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2019 blijkt dat migranten volgens een bron voor de verkrijging van een Alien ID- kaart een medisch onderzoek ondergaan waarbij wordt getest op ziekten en uit pagina 48 van het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2023 blijkt dat paspoorten, identiteitskaarten en nationale nummers enkel in persoon aangevraagd kunnen worden en een foto die ter plekke gemaakt wordt, een handtekening en/of biometrische gegevens bevatten. De rechtbank maakt hieruit op dat deze documenten, anders dan verweerder veronderstelt, door eiser niet vanuit Nederland kunnen worden verkregen. Wat betreft de identiteitskaart volgt uit pagina 48 van het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2021 dat in Soedan een nationale identiteitskaart volgens de wet verplicht is vanaf zestien jaar. Eiser verklaart op zijn vijftiende uit Soedan te zijn vertrokken, zodat niet onaannemelijk is dat hij bij zijn vertrek niet in het bezit was van een dergelijke kaart. Volgens het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2021, pagina 47, kunnen buitenlanders, waaronder vluchtelingen, die in Soedan geboren zijn, weliswaar een geboorteakte verkrijgen, maar de toegang tot documenten en geboorteakten blijft een uitdaging. Of het verkrijgen van een geboorteakte vanuit Nederland ook mogelijk is, kan de rechtbank hieruit niet opmaken. Het verkrijgen van een Alien-ID kaart ziet volgens pagina 105 van het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2019 enkel op vluchtelingen die zich registreren bij de ‘Alien’s Department’ van het ministerie van Binnenlandse zaken. Het is dan ook de vraag of eiser, die stelt te zijn geboren in Soedan, onder deze regeling valt. Verweerder heeft op de zitting nog gewezen op pagina 64 van het Algemeen Ambtsbericht Soedan van 2025, waar staat dat de oorlogssituatie in Soedan weliswaar een negatieve impact had op de afgifte van documenten, maar dat in Kassala (waar eiser zegt vandaan te komen) nog wel identiteitsdocumenten worden afgegeven. Het is de rechtbank op basis van dit ambtsbericht echter niet duidelijk in hoeverre het verkrijgen van deze documenten voor eiser vanuit het buitenland mogelijk is, te meer nu eiser niet de Soedanese nationaliteit zou hebben. 8.2. Hoewel (afgezien van wat hiervoor is overwogen onder 8.1) verweerder terecht opmerkt dat eiser geen pogingen heeft gedaan om aan de door verweerder genoemde identificerende documenten te komen, heeft eiser wel pogingen gedaan om documenten te verkrijgen. Eiser heeft verklaard hierover contact te hebben gehad met zijn moeder en later ook met een nicht en oom. Hij heeft op 5 augustus 2025 foto’s overgelegd van identiteitskaarten van zijn gestelde ouders (met vertaling) en bij zijn zienswijze op 19 november 2025 een foto van een oud vaccinatiebewijs (afgegeven in Kassala op 18 augustus 2006) van zichzelf en WhatsApp-berichten met foto’s van documenten van gestelde familieleden. Gedurende de beroepsprocedure heeft eiser nog een vertaling van het vaccinatiebewijs en het gestelde originele vaccinatiebewijs overgelegd, met een toelichting op hoe hij dit document heeft verkregen en (begrijpt de rechtbank) met het verzoek dit document te onderzoeken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat onderzoek naar de echtheid van het vaccinatiebewijs niet nodig is omdat dit geen identificerend document is nu er geen foto op staat. Uit de overgelegde documenten volgt verder volgens verweerder geen familieband, zodat daarmee nog altijd niet de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser kan worden vastgesteld. De rechtbank kan verweerder volgen in het standpunt dat een vaccinatiebewijs geen identiteitsdocument is en dat de gestelde familierelatie niet blijkt uit de overgelegde documenten. Dat neemt echter niet weg dat eiser met het overleggen van de documenten een begin van bewijs heeft geleverd om zijn gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. De rechtbank constateert dat de persoonsgegevens (inclusief geboortedatum), woonplaats en plaats van afgifte vermeld op het vaccinatiebewijs overeenkomen met wat eiser heeft verklaard. Op het vaccinatiebewijs is aangekruist dat geen geboorteakte aanwezig is, wat steun biedt aan eisers verklaring dat hij zo’n document niet heeft gehad. Dat iemand niet beschikt over een geboorteakte is niet ongebruikelijk in Soedan, waar niet alle geboortes worden geregistreerd, ook niet onder Eritrese vluchtelingen. Verder stroken ook de gegevens vermeld op de foto’s van de identiteitsdocumenten van eisers gestelde ouders met eisers verklaring. Verweerder heeft bovendien in zijn beoordeling niet betrokken hoe aannemelijk het is dat eiser over deze (foto’s van) documenten – waaronder een mogelijk origineel vaccinatiebewijs - kan beschikken, indien deze niet hemzelf en zijn familieleden betreffen. Gelet hierop heeft verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan en waarom er geen enkele bewijswaarde aan deze documenten wordt gehecht. De beroepsgrond slaagt. 9. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de leeftijdsschouwen, de leeftijdsregistratie in Italië en de verklaringen van eiser over zijn geboortedatum, en over de documenten, heeft verweerder het vermoeden dat eiser minderjarig is onvoldoende ontzenuwd. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst te onderbouwen. In het verlengde van dit alles heeft verweerder bovendien ondeugdelijk gemotiveerd dat van misleiding sprake is. Op wat door verweerder nog is overwogen over eisers verklaringen over zijn nationaliteit en herkomst en op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, gaat de rechtbank niet meer in. Refoulement 10. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd, gelet op het reële risico dat hij loopt bij terugkeer naar het land van herkomst. Op de zitting heeft eiser in dit verband aangevoerd dat uit algemene informatie blijkt dat in Eritrea een dienstplicht geldt en eiser vreest daarnaast dat hij opgepakt wordt omdat hij in Soedan heeft verbleven. Wat betreft Soedan heeft eiser verklaard dat hij discriminatie en uitsluiting vreest en dat in Soedan op dit moment een burgeroorlog heerst. Het is daarom onveilig voor eiser om terug te keren. 10.1. Uit onder meer het arrest Ararat van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, volgt dat verweerder een (actuele) beoordeling van het refoulementrisico moet maken bij oplegging van een terugkeerbesluit. Verweerder heeft in dat kader een onderzoeksplicht. Verweerder moet op basis van wat een derdelander aanvoert en op basis van gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst een refoulementbeoordeling maken en zich er aldus van vergewissen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het EU Handvest (artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)). De rechter moet erop toezien, in voorkomend geval ambtshalve, dat verweerder het beginsel van non-refoulement in acht neemt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:2025:4178, onder 13.2, 13.3 en 13.5. Bij het opnemen van meerdere landen van terugkeer in het terugkeerbesluit, in dit geval Eritrea en Soedan, moet verweerder beoordelen of terugkeer naar deze landen strijdig is met het non-refoulement beginsel. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank uitdrukkelijk óók als de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling niet aannemelijk zijn geacht, nu het beginsel van non-refoulement absoluut is en in elke fase van de terugkeerprocedure moet worden geëerbiedigd. 10.2. Verweerder heeft op de zitting erkend dat in het bestreden besluit geen boordeling van het risico op refoulement is opgenomen en dat het besluit daarom een gebrek bevat. Op de zitting heeft verweerder zich in aanvulling op het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser aannemelijk moet maken waarom hij vreest voor een schending van artikel 3 van het EVRM en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk problemen zal ondervinden bij terugkeer. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder met een dergelijke algemene formulering het gebrek in het bestreden besluit niet heeft hersteld. Verweerder is niet ingegaan op de concrete verklaring van eiser over de problemen die hij vreest bij terugkeer naar Eritrea of Soedan en ook niet op algemene landeninformatie over de actuele situatie in deze landen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank komt niet toe aan een beoordeling van de overige beroepsgronden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet zij geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Dit betekent dat verweerder zich opnieuw, op basis van alles wat is overgelegd en verklaard door eiser, een oordeel zal moeten vormen over de geloofwaardigheid van eisers identiteit, nationaliteit en herkomst. Vervolgens zal verweerder op basis daarvan moeten bezien of eisers asielmotief ‘problemen in Soedan’ inhoudelijk moet worden beoordeeld. Ook zal verweerder zich, als hij een terugkeerbesluit wil opleggen, moeten uitlaten over het risico op refoulement. 12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De rechtbank gaat in deze uitspraak uit van de wet- en regelgeving zoals geldend ten tijde van het bestreden besluit, tenzij anders vermeld. “V: Wanneer ben je vertrokken uit jouw land van herkomst? A: Ik ben geboren in Soedan. Ik heb daar tot 2020 gewoond. V: Hoe oud was je toen je uit Soedan vertrok? A: Ik was 14 of 15 jaar. V: Waar ben je na 2020 naartoe gegaan?” Zie Algemeen Ambtsbericht Soedan 2019, pagina 106, en Algemeen Ambstbericht Soedan 2021, pagina 49.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291155 · 2026-08-22
