# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-06-2026 (25/434)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:4339
- Date: 2026-06-30
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A4339
- Canonical: https://overview.legal/posts/291169
- Topics: Personal Data, Public Authority, Consent

## Summary

Herzieningsverzoek

## Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem nummer BK-ARN 25/434 uitspraakdatum: 30 juni 2026 Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer op het verzoek tot herziening van [belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: verzoeker, tevens belanghebbende genoemd) van de uitspraak van het Hof van 12 juli 2022, nummer BK-ARN 21/00806, in het geding tussen verzoeker en de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem (hierna: de Inspecteur) 1 Ontstaan en loop van het verzoek 1.1. De Inspecteur heeft op de voet van artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) een informatiebeschikking met dagtekening 3 september 2019 aan verzoeker verstrekt, die (mede) betrekking had op de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2016. Bij uitspraak van 12 juli 2022, nummer BK-ARN 21/00806 (hierna: de uitspraak van 2022) heeft het Hof – kort gezegd – de informatiebeschikking vernietigd en de Inspecteur veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten van verzoeker, berekend conform het forfait in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bbp). Verzoeker heeft gevraagd de uitspraak van 2022 te herzien op de voet van artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). 1.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en met betrekking tot bepaalde stukken een verzoek tot beperkte kennisneming (artikel 8:29 Awb) gedaan. Het verzoek betreft namen van derden en namen van medewerkers van de Belastingdienst die slechts zijdelings bij het dossier waren betrokken. 1.3. Bij beslissing van 6 januari 2026 heeft het Hof het verzoek tot beperkte kennisneming gehonoreerd. Met betrekking tot de namen van medewerkers van de Belastingdienst heeft het Hof hiervoor de volgende motivering gegeven: “ Privacy van individuele ambtenaren 4.9. De Inspecteur heeft in de bijlagen 2 en 12 van in totaal vijf belastingambtenaren de namen, telefoonnummers en mailadressen weggelakt. 4.10. De geheimhoudingskamer acht het aannemelijk dat kennisneming van de persoonsgegevens van deze belastingambtenaren zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Dit belang weegt in dit geval zwaarder dan het belang dat belanghebbende in het onderhavige geschil kennis kan nemen van deze gegevens. Daarbij neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat de Inspecteur heeft gewezen op het procesverloop waaruit onder meer blijkt dat de relatie tussen partijen zodanig was geëscaleerd dat team Escala is ingezet, op de ervaring bij de Belastingdienst dat belanghebbende met diverse individuele belastingambtenaren contact heeft gezocht om informatie te verkrijgen, en op het feit dat de desbetreffende belastingambtenaren een ondergeschikte rol hebben gespeeld in het dossier van belanghebbende.” 1.4. Bij brief van 28 januari 2026 heeft verzoeker het Hof laten weten dat hem met betrekking tot de geheimhoudingsprocedure niet is gevraagd of hij prijs stelt op een mondelinge behandeling en dat hij geen uitnodiging voor een behandeling ter zitting heeft ontvangen. Verder heeft hij een e-mail van 14 januari 2026 ingebracht van een (ex-) medewerker van het team Escala van de Belastingdienst, de heer [naam1] (hierna: [naam1] ), waarin deze reageert op de geheimhoudingsbeslissing van het Hof van 6 januari 2026. In deze e-mail schrijft [naam1] dat de contacten met verzoeker “verliepen in een goede en open sfeer waarbij uw vasthoudendheid mij niet heeft gestoord”. Verder schrijft [naam1] : “Wat ik niet teruglees in de [geheimhoudings]uitspraak is wat de bevindingen waren van Escala inzake de mate van escalatie, de oorzaak van het conflict, uw rol, de rol van de betrokken ambtenaren, mijn conclusies, mijn aanbevelingen en wat daar in Utrecht mee is gedaan. Uit de tussenuitspraak krijg ik niet de indruk dat mijn bevindingen over de communicatie tussen u en de Belastingdienst met de geheimhoudingskamer zijn gedeeld.” 1.5. Bij bericht van 5 februari 2026 heeft het Hof de Inspecteur verzocht de stukken waar [naam1] op doelt zo mogelijk in te sturen. 1.6. Bij bericht van 13 februari 2026 heeft de Inspecteur deze stukken ingebracht, met een (nieuw) verzoek tot beperkte kennisneming van namen van medewerkers van de Belastingdienst. 1.7. Verzoeker en de Inspecteur hebben de kans gekregen over en weer schriftelijk op deze nieuwe stukken te reageren. 1.8. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord verzoeker bijgestaan door zijn partner, mevrouw [naam2] , zijn gemachtigde mr. M.C.J. Schoenmakers en door [fiscalist] alsmede [naam3] namens de Inspecteur, bijgestaan door [naam4] , [naam5] en [naam6] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd. 2 Vaststaande feiten 2.1. In de uitspraak van 2022 heeft het Hof, voor zover van belang, de volgende feiten vastgesteld: “2.1. Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van eenmanszaak onder de naam [onderneming] . In het handelsregister zijn de activiteiten van deze onderneming omschreven als dienstverlening op het gebied van (ver)bouwen, advies, budgettering en coördinatie. 2.2. Belanghebbende woonde op het adres [adres1] te [woonplaats] . Op 12 januari 2012 heeft hij een koopovereenkomst gesloten met [naam7] en [naam8] (de verkopers) met betrekking tot een woonboerderij met schuur, ondergrond, erf, tuin en grasland, plaatselijk bekend als [adres2] te [woonplaats] (hierna ook: de woning) voor een koopsom van € 820.000. [makelaar1] heeft de verkopers bijgestaan. 2.3. Op 16 juni 2012 heeft belanghebbende met de verkopers van de woning een huurovereenkomst gesloten voor de huur van de woning. In de huurovereenkomst is onder meer opgenomen dat belanghebbende de woning voor € 2.000 per maand zal huren voor de duur van zes maanden, in overleg telkens met zes maanden te verlengen. Belanghebbende heeft de woning gedurende een jaar gebruikt voor opslag van materiaal van zijn onderneming. De huurpenningen zijn gedurende één jaar ten laste van het resultaat van de onderneming gebracht. 2.4. Bij besluit van 25 juni 2013 heeft de raad van de [gemeente woonplaats] het bestemmingsplan ‘ [woonplaats] woongebied’ vastgesteld. Dit plan voorziet onder meer in een wijzigingsbevoegdheid waarmee op het perceel [adres2] maximaal vier woningen mogelijk kunnen worden gemaakt. In het kader van de totstandkoming van dit bestemmingsplan heeft belanghebbende in 2012 en 2013 verschillende contacten gehad met ambtenaren van de gemeente en heeft hij gebruik gemaakt van de inspraakmogelijkheden. 2.5. De [naam19] B.V. (hierna: [naam19] ) , die eigenaresse is van het naast [adres2] gelegen perceel, heeft inzake het in 2.4. vastgestelde bestemmingsplan een procedure aangespannen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In die procedure heeft belanghebbende als partij deelgenomen, waarbij hij is bijgestaan door onder anderen [advocatenkantoor2] . 2.6. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 18 juni 2014 het besluit van de raad van de gemeente van 25 juni 2013 partieel vernietigd en de gemeente opgedragen het ‘gebrek’ te herstellen. 2.7. In een brief van [advocatenkantoor1] van 11 juli 2014, gericht aan de raad van de [gemeente woonplaats] , is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Namens heer [belanghebbende] leg ik graag het volgende aan u voor. Uw raad heeft op 25 juni 2013 het bestemmingsplan ‘ [woonplaats] woongebied’ unaniem vastgesteld. Onderdeel van dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid die het mogelijk maakt om drie extra woningen te realiseren op het perceel [adres2] . De heer [belanghebbende] is hiervoor de initiatiefnemer. (…)” 2.8. In een brief van [advocatenkantoor1] van 14 november 2014, gericht aan [naam19] is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Naar ik begrijp is [naam19] niet bereid om bij de eventuele aankoop van het perceel [adres2] rekening te houden met de extra woonbestemming die het perceel zal gaan krijgen. Zolang [naam19] hier aan vasthoudt, lijkt een compromis niet haalbaar en verder overleg niet zinvol. (…)” 2.9. Belanghebbende heeft de woning in oktober 2016 verkocht aan [naam19] voor een bedrag van € 1.800.000. De woning is toen door de verkopers (juridisch) geleverd aan belanghebbende die vervolgens op dezelfde dag de woning in eigendom heeft overgedragen aan [naam19] . 2.10. De woning is in de aangiften IB/PVV van belanghebbende nimmer verantwoord, noch in box 1 noch in box 3. De aan belanghebbende opgelegde primitieve aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2017 zijn door de Inspecteur vastgesteld zonder dat rekening is gehouden met de woning. 2.11. Bij brief van 6 mei 2019 heeft de Inspecteur in de persoon van [naam9] aan ‘ [onderneming] ’ een boekenonderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 tot en met 2017. Op 15 mei 2019 hebben belanghebbende en de Inspecteur telefonisch contact gehad over het boekenonderzoek waarbij de Inspecteur ook de woning aan de orde heeft gesteld. 2.12. In een e-mail van 15 mei 2019 heeft belanghebbende een chronologisch overzicht met betrekking tot de activiteiten inzake de woning aan de Inspecteur verstrekt. In dit overzicht is onder meer het volgende vermeld: “(…) Aankoop [adres2] , [woonplaats] (…) 18-07-12 E-mail [naam10] 19-07-12 E-mail [naam11] (…) 12-09-12 Gesprek [naam12] (Gemeente Het te doorlopen traject besproken. Aanwezig: [belanghebbende] (…) [naam11] ( [gemeente woonplaats] ) (…) 31-10-12 Inspraakreactie ( [belanghebbende] ) Voorontwerp bestemmingsplan [woonplaats] Woongebied (…) 26-06-13 E-mail Griffie [gemeente woonplaats] (…)” 2.13. Voorts heeft belanghebbende als bijlagen bij e-mails van 15 mei 2019 het volgende aan de Inspecteur verstrekt: de koopovereenkomst uit 2012 inzake de koop van de woning; de huurovereenkomst inzake de woning; een digitale link naar het bestemmingsplan waarin de woning is gelegen en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als bijlage bij een e-mail van 16 mei 2019 heeft belanghebbende twee verkoopbrochures (één van [makelaar1] en één van [makelaar2] ) uit 2012 met betrekking tot zijn woning aan de [adres1] te [woonplaats] aan de Inspecteur gestuurd. 2.14. Op 17 mei 2019 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen belanghebbende en de Inspecteur over het boekenonderzoek. Tijdens deze bespreking heeft de Inspecteur gevraagd naar e-mails en andere stukken rond de aan- en verkoop van de woning. 2.15. In bijlagen bij een e-mail van 20 mei 2019 heeft belanghebbende drie taxatierapporten (alle uit 2016) met betrekking tot de woning aan de Inspecteur verstrekt. 2.16. In een e-mail van 20 mei 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende het volgende geschreven: “(…) Zoals ik u afgelopen vrijdag 17 mei heb aangegeven ontvang ik graag nadere inzage in uw administratie waaronder e-mails en andere stukken rond de aan- en verkoop van het perceel [adres2] . Om te beginnen vraag ik u mij al uw e-mails vanaf 2011 ter inzage te verstrekken met de volgende relaties en die betrekking hebben op het perceel: - de familie [naam7] / [naam8] - de gemeente [woonplaats] - buro [akoestisch deskundige] - [makelaar1] - [advocatenkantoor2] - [advocatenkantoor1] - [naam19] - de door u ingehuurde akoestische deskundigen. Even voor de duidelijkheid, het gaat me om de e-mailcorrespondentie zelf alsmede stukken die als bijlage zijn aangehecht of relevante stukken die los van de e-mail onderdeel zijn van uw administratie. Graag ontvang ik ook van u facturen die bovengenoemde partijen u hebben gestuurd voor hun dienstverlening. Heeft u ook andere kosten gemaakt inzake dit perceel, dan vraag ik u mij daarvan opgave te doen. (…)” 2.17. In een e-mail van 12 juni 2019 heeft de Inspecteur in het kader van de in 2.16 bedoelde e-mail aan belanghebbende het volgende geschreven: “(…) Kunt u mij nader informeren hoe ver u bent met het verzamelen van de opgevraagde stukken? (…)” 2.18. In een e-mail van 12 juni 2019 heeft belanghebbende de Inspecteur bericht dat hij de in 2.16 bedoelde e-mail heeft gemist. 2.19. In een e-mail van 20 juni 2019 heeft de Inspecteur het volgende aan belanghebbende geschreven: “(…) [onderneming] , uw onderneming, betreft een eenmanszaak waarbij anders dan bij een BV privé en zaak snel door elkaar heen lopen dan wel administratief niet geheel gescheiden zijn. Kijk daarvoor alleen al naar de diverse privé opnamen en stortingen in uw kapitaalsvergelijking. Daar komt bij dat uw werkzaamheden rond [adres2] , naar mijn inschatting nu, niet zo van uw reguliere werkzaamheden in [onderneming] verschillen dat het per definitie een privékwestie is en dat de gevraagde informatie dus privé stukken zijn; nog los van de vraag of u dan die stukken dan ook niet hoeft te verstrekken. Met de opgevraagde stukken wil ik uw werkzaamheden rond het perceel juist nader onderzoeken om vast te stellen of het privé is, of dat het behoort tot uw onderneming [onderneming] . Het kan echter zijn dat die werkzaamheden zodanig zijn dat ze typeren als resultaat uit overige werkzaamheden. In dat geval geen ondernemingsactiviteit, maar wel belastbaar in box 1. Daarom heb ik die administratie nodig. Bovendien, zo blijkt uit mijn onderzoek in de administratie van [onderneming] tot nu toe, zijn er een aantal aanwijzingen dat het perceel [adres2] (of rechten daaruit) wellicht tot uw ondernemingsvermogen gerekend moeten worden. U heeft de opstallen immers gebruikt als opslag voor uw onderneming waardoor u de huur van € 2.000 per maand tot uw ondernemingskosten heeft gerekend. U bent sinds 2012 in overleg met de gemeente over de mogelijkheid om 4 woningen op het terrein te bouwen en u betrekt daar diverse externe specialisten bij. Eén van die specialisten is een advocaat waarvan zijn kosten in uw onderneming zijn verantwoord (zie bijlage). U was in de jaren vóór 2016 geen eigenaar van het perceel (u had slechts een recht op levering). Bovendien had u niet het voornemen om in de bestaande opstal te gaan wonen (die zou tegen de vlakte gaan). Het perceel betreft derhalve geen eigen woning, dus een eventuele ontwikkeling daarvan is niet te kwalificeren als (bouw- ontwikkeling van de) eigen woning. Graag zie ik dat u mij de gevraagde stukken uiterlijk op 28 juni 2019 ter beschikking stelt voor inzage. (…)” 2.20. In een e-mail van 1 juli 2019 heeft belanghebbende aan de Inspecteur voorgesteld in de eerste helft van september een feitenrelaas te sturen. In een e-mail van dezelfde dag heeft de Inspecteur hierop als volgt gereageerd: “(…) U mag mij voorzien van een eigen feiten relaas, dat heb ik u aangeboden, maar dat is niet in vervanging of in plaats van hetgeen ik u vijf weken geleden vroeg. (…) Dus vraag ik u bij deze opnieuw mij – per omgaande – te antwoorden per wanneer u mij bovenstaande informatie gaat verstrekken zodat ik kan inschatten of ik nu een informatiebeschikking moet gaan opmaken of niet. (…)” 2.21. In een e-mail van 3 juli 2019 heeft [fiscalist] , fiscaal adviseur van belanghebbende (de adviseur), onder meer het volgende geschreven: “(…) Namens hem wil ik nogmaals bevestigen dat hij welwillend is om mee te werken aan het aanleveren van de gevraagde informatie. Gezien het feit dat een groot deel van de stukken echter alleen op papier beschikbaar zijn en vanwege de aankomende vakantieperiode van zowel de heer [belanghebbende] als ondergetekende willen wij met u afspreken deze zaken uiterlijk 1 september a.s. aan te leveren. (…)” 2.22. In een e-mail van 3 juli 2019 heeft de Inspecteur het volgende aan de adviseur geschreven: “(…) Dank voor uw reactie en fijn dat u en de heer [belanghebbende] willen meewerken aan mijn verzoek. Zoals ik u beide al heb aangegeven was ik anders genoodzaakt geweest deze week een informatiebeschikking aan de heer [belanghebbende] uit te reiken. Deze informatiebeschikking heb ik in concept al klaar. U schrijft dat u uiterlijk op 1 september 2019 mij de gevraagde stukken aanlevert. Ik zal in de laatste week van augustus contact met de heer [belanghebbende] opnemen om te vragen naar de stand van zaken. Als dan blijkt dat er te weinig zicht is op een concreet gegeven gevolg aan uw toezegging, dan reik ik de beschikking alsnog uit. Maar ik ga ervan uit dat het niet zover hoeft te komen, want het is van beide zijden belangrijk eerst inzicht te krijgen op de feiten. (…)” 2.23. In een e-mail van 30 augustus 2019 heeft de adviseur het volgende geschreven aan de Inspecteur: “(…) Naar aanleiding van onderstaand bericht van de heer [belanghebbende] wil ik u graag verzoeken om het gevraagde uitstel te geven zodat de heer [belanghebbende] extern advies kan inwinnen. (…) Goedemorgen [fiscalist] , Onze vakantie zit er bijna weer op, maandag begint alles weer. (…) Als ik mij niet vergis, zouden wij rond deze tijd contact hebben met de heer [naam9] inzake de vorderingen omtrent de door hem gevraagde informatie in het kader van zijn onderzoek. Welnu op vakantie heb ik (…) verteld over het door de heer [naam9] uitgevoerde boekenonderzoek [onderneming] . Nu het onderzoek zich echter lijkt te verplaatsen naar het privé-domein, kon ik niet anders dan haar inhoudelijk inlichten. Ondanks dat de heer [naam9] reeds meerder keren heeft aangegeven dat ik deze kwestie met jouw hulp zou moeten kunnen afhandelen, is met name (…) van mening dat het goed is om extern advies te vragen. Helaas is een afspraak met de adviseur niet eerder mogelijk dan in de tweede week van september. Zou jij de heer [naam9] kunnen inlichten dat er dus vorderingen zijn maar dat wij in de tweede helft september met een reactie komen? (…)” 2.24. In een e-mail van 3 september 2019 heeft de Inspecteur daarop als volgt gereageerd: “(…) Via [fiscalist] bereikte mij uw bericht van vorige week vrijdag. Dit bericht is afwijkend van de e-mail van [fiscalist] van begin juli waarin u zich bereid toonde mij de opgevraagde stukken te overhandigen rond 1 september 2019. Omdat u weer niet concreet aangeeft wanneer de stukken dan wel ter inzage worden aangeboden kan ik niet akkoord gaan met nader uitstel. Bijgaand ontvangt u de informatiebeschikking. U kunt daartegen in bezwaar gaan of mij berichten door de verstrekking van de opgevraagde stukken. (…)” 2.25. Met dagtekening 3 september 2019 heeft de Inspecteur, in de persoon van [naam9] , de onderhavige informatiebeschikking aan belanghebbende opgelegd. In de informatiebeschikking is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Op 20 mei 2019 heb ik dit geconcretiseerd en u per e-mail gevraagd mij de volgende informatie ter inzage te verstrekken: 1. uw e-mails vanaf 2011 met de volgende relaties die betrekking hebben op dit perceel: - de familie [naam7] / [naam8] - de gemeente [woonplaats] - buro [akoestisch deskundige] - [makelaar1] - [advocatenkantoor2] - [advocatenkantoor1] - [naam19] - de door u ingehuurde akoestische deskundigen, met de aantekening dat het gaat om de e-mailcorrespondentie zelf alsmede stukken die als bijlage zijn aangehecht of relevante stukken die los van de e-mail onderdeel zijn van uw administratie. 2. de facturen die bovengenoemde partijen u hebben gestuurd voor hun dienstverlening met de aantekening opgave te doen van ander kosten inzake dit perceel. (…) Informatiebeschikking Op grond van de artikelen 47 en 49 AWR bent u verplicht de informatie waarom ik heb verzocht duidelijk, stellig en zonder voorbehoud binnen de gestelde termijn te verstrekken of voor raadpleging beschikbaar te stellen. (…) Gevolgen Als u niet aan uw informatieverplichtingen voldoet en niet of niet tijdig bezwaar hebt gemaakt tegen deze beschikking, wordt deze informatiebeschikking onherroepelijk. Dat betekent dat u zich dan in een nadelige bewijspositie hebt gemanoeuvreerd in de bezwaarfase tegen de belastingaanslagen waarop de informatieverzoeken zien. U dient dan namelijk ‘te doen blijken’ dat die belastingaanslagen niet juist zijn, de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast. (…)” 2.26. Op 4 september 2019 heeft belanghebbende een bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking ingediend. Bij brief van 18 oktober 2019 is het bezwaar gemotiveerd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen: “(…) De heer [naam7] is op 19 december 2016 helaas overleden. (…) het contact verliep bijna altijd via de heer [naam7] . (…) De facturen van [advocatenkantoor2] hebben betrekking op de privésituatie van belanghebbende. (…)” 2.27. In een brief van 6 februari 2020 is het bezwaar door belanghebbende nader gemotiveerd. In deze brief is onder meer het volgende opgenomen: “(…) Inzake de Gemeente [woonplaats] heeft [belanghebbende] in december 2019 contact opgenomen met Gemeente. Voor de reactie van de Gemeente verwijzen wij naar bijlage 1. (…) Voor de reactie van buro [akoestisch deskundige] (de akoestische deskundigen) verwijzen wij naar bijlage 2. (…) Voor wat betreft de informatie met betrekking tot [naam19] , en zoals ook aangegeven in de bespreking van 10 december 2019, is de relatie met [naam19] zodanig slecht dat belanghebbende liever geen contact opneemt met [naam19] en dat hij hier ook niet veel van verwacht. (…)” 2.28. In bijlage 1 bij de brief van 6 februari 2020 is de volgende reactie van de gemeente [gemeente woonplaats] op een verzoek van belanghebbende opgenomen: “(…) Wij hebben van u een verzoek ontvangen om correspondentie tussen u en de gemeente [gemeente woonplaats] aan te leveren. Om aan uw verzoek te voldoen hebben wij het volgende van u nodig.  Een ondertekend informatieverzoek met een kopie van uw geldige legitimatie. (…)” 2.29. In bijlage 2 bij de brief van 6 februari 2020 is het volgende verzoek van belanghebbende, gericht aan Buro [akoestisch deskundige] , opgenomen: “(…) In vervolg op ons eerder telefonisch onderhoud, zou ik graag vernemen of [akoestisch deskundige] mogelijkerwijs nog beschikking heeft over met ondergetekende gevoerde e-mailcorrespondentie inzake Broekdijk [adres2] , [woonplaats] ? (…)” 2.30. In bijlage 2 bij de brief van 6 februari 2020 is de volgende reactie van Buro [akoestisch deskundige] op het verzoek van belanghebbende opgenomen: “(…) Het betreffende project is bij ons al enige jaren geleden afgesloten. In ons digitale archief is geen e-mail communicatie meer terug te vinden. (…)” 2.31. Het bezwaar van belanghebbende is namens de Inspecteur behandeld door [naam13] ) . Bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2020 heeft hij het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. In het kader van de behandeling van het bezwaar heeft [naam13] de motivering van het bezwaar aan [naam9] verstrekt met de vraag daarop te reageren.” 2.2. Het Hof stelt verder de volgende feiten vast. 2.3. Het Hof heeft in de uitspraak van 2022 de informatiebeschikking vernietigd. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van de integrale proceskosten, heeft het Hof destijds het volgende geoordeeld: “Anders dan belanghebbende bepleit, ziet het Hof geen aanleiding voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten. Het dossier bevat geen enkel aanknopingspunt voor de conclusies dat de Inspecteur hier ‘tegen-beter-weten-in’ heeft gehandeld dan wel in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Het Hof zal de proceskosten die belanghebbende ter zake van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, vaststellen overeenkomstig de forfaitaire normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht.” 2.4. De definitieve aanslag IB/PVV 2016 is op 10 augustus 2018 geautomatiseerd afgedaan conform de ingediende aangifte. 2.5. Na de uitspraak van 2022 heeft verzoeker de volgende stukken in bezit gekregen: Een e-mail van 12 oktober 2022 van [naam14] ) aan [naam9] ), beiden werkzaam bij de Belastingdienst. Uit deze e-mail blijkt dat de aan- en verkoop van de woning reeds in 2018 door [naam14] was geselecteerd voor controle. Een e-mail van [naam9] van 15 augustus 2018, waarin een derdenonderzoek bij de [naam19] wordt bevestigd. Een e-mail van 20 oktober 2022 van [naam15] (werkzaam bij de Belastingdienst) aan verzoeker waarin wordt bevestigd dat in 2018 een derdenonderzoek bij de [naam19] was gestart en wordt medegedeeld dat begin 2019 een derdenonderzoek bij de gemeente [gemeente woonplaats] heeft plaatsgevonden en dat in de zomer van 2022 een derdenonderzoek heeft plaatsgevonden bij de heer [naam16] . Een second opinion van medewerkers van de Belastingdienst, werkzaam bij MKB kantoor Hoofddorp. In deze, blijkbaar voor de Inspecteur bindende, second opinion, wordt enerzijds geconcludeerd dat de transactie mogelijk belastbaar is in box 1, maar wordt anderzijds aangeraden geen navorderingsaanslag IB/PVV 2016 aan verzoeker op te leggen, omdat artikel 16 van de AWR daartoe geen mogelijkheden biedt. Een e-mail van 31 januari 2025 van [naam17] (werkzaam bij de Belastingdienst) aan verzoeker, waarin wordt aangegeven dat geen gegevens voorhanden zijn waaruit blijkt op welke wijze de controle van de transactie aan [naam9] is toegewezen, maar dat dit waarschijnlijk in het tweede kwartaal van 2018 is geschied. Enige andere stukken die niet eerder in de procedure omtrent de informatiebeschikking als op de zaak betrekking hebbende stukken zijn ingebracht. 2.6. Uit het ‘Escala-dossier’ blijkt, bijvoorbeeld uit een e-mail van 23 februari 2023 van [naam1] aan [naam18] ((destijds) werkzaam bij de Belastingdienst), dat [naam1] vooral ontevreden is over hoe dit dossier intern door de Belastingdienst wordt en is opgepakt. 3 Het verzoek 3.1. Verzoeker vraagt om herziening van de uitspraak van 2022. Aan dit verzoekt legt verzoeker ten grondslag dat hij na de uitspraak van 2022 bekend is geraakt met feiten en omstandigheden die hem vóór de uitspraak van 2022 niet bekend waren en redelijkerwijs ook niet bekend konden zijn. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat indien het Hof in de procedure over de informatiebeschikking bekend was geweest met deze feiten en omstandigheden er, in tegenstelling tot hetgeen het Hof heeft geoordeeld in de uitspraak van 2022, wél voldoende aanknopingspunten waren geweest voor het toekennen van de werkelijk proceskosten, omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb. Daartoe stelt verzoeker enerzijds dat, nu de start van het onderzoek is gelegen voor het opleggen van de definitieve aanslag IB/PVV 2016 en verder niet in het dossier is vastgelegd, de Inspecteur had moeten stoppen met het onderzoek en geen informatiebeschikking had mogen nemen. Dit is, aldus verzoeker zo evident, dat de Inspecteur tegen beter weten in c.q. in verregaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld door het onderzoek voort te zetten en de informatiebeschikking te nemen. Anderzijds stelt verzoeker dat de Inspecteur wist of had moeten weten dat er geen sprake was van een nieuw feit en dat hij om die reden het onderzoek had moeten stopzetten. Hetgeen de Inspecteur aanvoert omtrent kwade trouw, is slechts een gelegenheidsargument, aldus nog altijd verzoeker. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975) dan wel dat de Inspecteur de informatiebeschikking in rechte heeft gehandhaafd, terwijl duidelijk was dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zou houden (Hoge Raad 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802). 3.2. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Volgens de Inspecteur zijn de door verzoeker aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden niet relevant voor het geschil over de informatiebeschikking. Uit die ‘nieuwe’ feiten en omstandigheden kan dan ook niet de conclusie worden getrokken dat verzoeker recht had op een vergoeding van de werkelijke proceskosten. 3.3. Verder is in geschil of er gewichtige redenen bestaan die maken dat het beroep van de Inspecteur op beperkte kennisneming van namen van medewerkers van de Belastingdienst dient te worden gehonoreerd, hetgeen de Inspecteur bepleit en verzoeker betwist. 4 Beoordeling van het verzoek Geheimhouding 4.1. De geheimhoudingsbeslissing van dit Hof van 6 januari 2026 is kennelijk tot stand gekomen zonder dat het Hof beschikte over een volledig dossier. Om deze reden kan deze beslissing niet in stand blijven (Hoge Raad 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9389, r.o. 3.5). 4.2. Het Hof heeft tijdens het onderzoek ter zitting op 18 maart 2026 mondeling (hernieuwd) beslist op de verzoeken tot beperkte kennisneming. Tussen partijen was niet in geschil dat met betrekking tot de namen van derden sprake was van gewichtige redenen en dat het verzoek tot beperkte kennisneming door het Hof diende te worden gehonoreerd. Het Hof heeft ter zitting aldus beslist. Verzoeker heeft het Hof toestemming gegeven om de zaak ook inhoudelijk te behandelen. 4.3. Het Hof heeft verder beslist dat met betrekking tot de namen van medewerkers van de Belastingdienst dergelijke gewichtige redenen niet bestaan. Hierop heeft de Inspecteur ter zitting de namen van de medewerkers bekend gemaakt, waarop het onderzoek ter zitting kort is geschorst teneinde verzoeker in de gelegenheid te stellen van de namen van de medewerkers van de Belastingdienst kennis te nemen. Ter zitting is aangekondigd dat de beslissing omtrent het verzoek tot beperkte kennisneming in de schriftelijke uitspraak nader zal worden gemotiveerd. 4.4. Het Hof motiveert deze beslissing als volgt. Hetgeen is bepaald in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van (delen van) stukken te weigeren (geheimhouding) of de bestuursrechter mede te delen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). 4.5. Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van verzoeker bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Ook indien een partij op grond van gewichtige redenen verzoekt dat een andere partij van persoonsgegevens van deze partij geen kennis mag nemen, handelt de rechter zoveel mogelijk overeenkomstig artikel 8:29 van de Awb. 4.6. Objectieve aanwijzingen die maken dat een dreiging richting (een aantasting van de persoonlijke levenssfeer van) medewerkers van de Belastingdienst reëel is, kunnen dergelijke gewichtige redenen opleveren. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen van een dreiging jegens (een aantasting van de persoonlijke levenssfeer van) medewerkers van de Belastingdienst indien de namen van deze medewerkers bij verzoeker bekend worden. Verzoeker kan weliswaar vasthoudend zijn, hetgeen door hem wordt erkend, maar uit niets blijkt dat verzoeker medewerkers van de Belastingdienst onheus bejegent of zich niet houdt aan (bindende) aanwijzingen omtrent de wijze waarop wel en niet kan worden gecorrespondeerd met medewerkers van de Belastingdienst. Getuigen 4.7. Verzoeker heeft ter zitting zijn verzoeken om getuigen ( [naam1] en Van [naam6] ) te kunnen horen ingetrokken. Herziening 4.8. Op grond van artikel 8:119, lid 1, van de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die i) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, ii) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en iii) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. 4.9. Verzoeker was voor de uitspraak van 2022 niet bekend en kon redelijkerwijs ook niet bekend zijn met het feit dat het onderzoek naar de transactie met de woning reeds was aangevangen in 2018 en wel voor het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2016. Stukken waaruit dit blijkt waren niet aan verzoeker of het Hof ter beschikking gesteld als op de zaak betrekking hebbend stuk in de procedure over de informatiebeschikking. Het feit dat het onderzoek naar de transactie met de woning reeds was aangevangen voor het opleggen van de primitieve aanslag IB/PVV 2016 is uiteindelijk doorslaggevend geweest voor de beslissing om geen navorderingsaanslag IB/PVV 2016 aan verzoeker op te leggen. Het Hof zal hierna beoordelen of dit feit, indien dit bij het Hof bekend was geweest in de procedure over de informatiebeschikking, tot een ander oordeel van Hof zou hebben kunnen leiden met betrekking tot de aan verzoeker toe te kennen proceskostenvergoeding. In vergaande mate onzorgvuldig 4.10. Het Hof overweegt dat de Inspecteur bevoegd is de informatieverplichtingen van artikel 47 van de AWR ten aanzien van verzoeker in te roepen als hij zich op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen of de te raadplegen boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van verzoeker (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7498). In het verlengde daarvan kan, als een belastingplichtige niet voldoet aan deze verplichting, de Inspecteur een informatiebeschikking verstrekken. 4.11. Voordat een navorderingsaanslag wordt opgelegd zal de Inspecteur (materieel) dienen te onderzoeken of een belastbaar feit dat navordering rechtvaardigt zich heeft voorgedaan en (formeel) of in verband met dat belastbaar feit (nog) een navorderingsaanslag kan worden opgelegd. Naar het oordeel van het Hof bestaat geen rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur op grond waarvan de Inspecteur, voordat hij onderzoekt of een belastbaar feit zich heeft voorgedaan en in dat kader een informatiebeschikking neemt, eerst moet onderzoeken of het opleggen van een navorderingsaanslag op formele gronden onmogelijk is. Slechts indien vast staat dat het opleggen van een navorderingsaanslag redelijkerwijs niet mogelijk is, kan worden gesteld dat het desondanks nemen van een informatiebeschikking in vergaande mate onzorgvuldig is. Daarvan was echter, zoals het Hof hierna zal motiveren, geen sprake. Op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb) 4.12. Het Hof acht het ook niet in vergaande mate onzorgvuldig dat stukken waaruit de exacte datum van de start van het onderzoek omtrent de transactie met de woning blijkt niet door de Inspecteur waren overgelegd in de procedure over de informatiebeschikking. Immers, in het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van een informatiebeschikking is slechts van belang of de Inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van verzoeker. Zolang dit het geval is en de mogelijkheid tot navorderen redelijkerwijs bestaat, is niet van belang dat deze mogelijkheid tot navorderen enigszins is ingeperkt. Tegen beter weten in procederen 4.13. Naar het oordeel van het Hof betekent het feit dat de mogelijkheid om een navorderingsaanslag op te leggen op basis van een nieuw feit was beperkt, niet dat de Inspecteur tegen beter weten in de informatiebeschikking heeft genomen en gehandhaafd. Immers, zelfs als de Inspecteur zich op dat moment ervan bewust was dat de primitieve aanslag lopende het onderzoek was opgelegd en dat de mogelijkheid tot navordering op deze wijze was beperkt - hetgeen de Inspecteur heeft betwist - betekent dit niet dat navordering onmogelijk was. Anders dan verzoeker meent, is het Hof van oordeel dat het de Inspecteur vrij stond op een later moment te onderzoeken in hoeverre navordering (nog) mogelijk was, bijvoorbeeld door te onderzoeken of sprake was van kwade trouw. Het Hof merkt daarbij op dat in 2016 (het recht op levering van) de woning niet kon worden aangemerkt als een eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet IB 2001 en (het recht op levering van) de woning dan wel het transactieresultaat niet in de aangifte was opgenomen in box 3 of in box 1. De ter zitting ingenomen stelling dat de schuld die was aangegaan voor de verkrijging van de woning even groot was als de waarde van (het recht op levering van) de woning, laat onverlet dat zowel de bezitting als de schuld opgenomen dienden te worden. De daarbij ingenomen stelling dat de waarde van (het recht op levering van) de woning niet was veranderd sinds 2012 (€ 820.000) acht het Hof, gelet op de verkoop in oktober 2016 voor een bedrag van € 1.800.000 niet geloofwaardig. Het Hof is van oordeel dat voor de uitspraak van 2022 de mogelijkheid tot navorderen redelijkerwijs nog bestond. Noch het feit dat de Inspecteur hieromtrent niet met verzoeker heeft gecommuniceerd, noch het feit dat later, in de (bindende) second opinion van kantoor Hoofddorp, zonder nadere toelichting wordt gemeld dat “[u]it het dossier (…) niet [is] gebleken dat er sprake zou zijn van kwade trouw”, brengen het Hof tot een ander oordeel. 4.14. Op grond van het vorenstaande is het Hof van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb. Het verzoek om herziening moet om die reden worden afgewezen. 5 Griffierecht en proceskosten Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing Het Hof wijst het verzoek om herziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. G.B.A. Brummer en mr. R.R. van der Heide, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier. De beslissing is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken. De griffier, De voorzitter, (S. Darwinkel) (R.A.V. Boxem) Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden. Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl . Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen: 1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291169 · 2026-08-22
