# Gerechtshof Amsterdam, 04-08-2026 (200.364.978/01)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:GHAMS:2026:2150
- Date: 2026-08-04
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2026%3A2150
- Canonical: https://overview.legal/posts/291180
- Topics: Public Authority, Supervisory Authorities, Supervision, Right of Access, Right of Access Procedures, Consent, Insurance

## Summary

Over en weer ingestelde inzagevorderingen in een zaak over gesteld tekortschieten van ING in de naleving van haar openbaarmakingsverplichtingen. Bepaling van de verdere procesorde in de hoofdzaak.

## Full text

GERECHTSHOF AMSTERDAM afdeling civiel recht en belastingrecht, team I zaaknummer : 200.364.978/01 zaaknummers rechtbank Amsterdam : C/13/756238 / HA ZA 24-987 C/13/756241 / HA ZA 24-988 arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 4 augustus 2026 inzake de rechtspersonen naar buitenlands recht 1. ALLIANZ INVEST KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH, gevestigd te Wenen, Oostenrijk, 2. ALLIANZ GLOBAL INVESTORS GMBH , gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, 3. ALLIANZ GLOBAL INVESTORS FUND SICAV , gevestigd te Senningerberg, Luxemburg, 4. ALLIANZ INTERNATIONAL INVESTMENT FUNDS OEIC , gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, 5. HSBC INSTITUTIONAL TRUST SERVICES (ASIA) LIMITED , gevestigd te Hong Kong, China, 6. HSBC INSTITUTIONAL TRUST SERVICES (ASIA) LIMITED optredend als trustee voor het ALLIANZ GLOBAL INVESTORS ASIA FUND, gevestigd te Hang Kong, China, 7. DEKA INVESTMENT GMBH , gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, 8. DEKA INTERNATIONAL S.A ., gevestigd te Luxembourg-Findel, Luxemburg, 9. DEKA VERMÖGENSMANAGEMENT GMBH , gevestigd te Frankfurt amn Main, Duitsland, 10. HELABA INVEST KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH , gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, 11. LBBW ASSET MANAGEMENT INVESTMENTGESELLSCHAFT MBH , gevestigd te Stuttgart, Duitsland, 12. SWISS LIFE ASSET MANAGEMENT AG , gevestigd te Zurich,,Zwitserland, 13. METZLER ASSET MANAGEMENT GMBH , gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, 14. AMPEGA ASSET MANAGEMENT GMBH , gevestigd te Keulen, Duitsland, 15. AMPEGA INVESTMENT GMBH, gevestigd te Keulen, Duitsland, 16. FIDEURAM ASSET MANAGEMENT (IRELAND) DESIGNATED ACT!VITY COMPANY , gevestigd te Dublin, Ierland, 17. INTERFUND SICAV , gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, 18. AILIS SICAV , gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, 19. BANTLEON INVEST KAPITALVERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH (voorheen genaamd: Bantleon Invest AG), gevestigd te Hannover, Duitsland, 20. JSS INVESTMENTFONDS SICAV , gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, 21. KEPLER-FONDS KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT M.B.H ., gevestigd te Linz, Oostenrijk, 22. STATE STREET BANK AND TRUST COMPANY optredend als trustee van KAISER PERMANENT GROUP TRUST, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, 23. KAISER FOUNDATION HOSPITALS , gevestigd te Oakland, Verenigde Staten, 24. MAGNUS GLOBAL FLEXIBLE, SICAV, S.A ., gevestigd te Barcelona, Spanje, 25. GESIURIS ASSET MANAGEMENT, S.G.I.I.C., S.A ., gevestigd te Barcelona, Spanje, 26. GÉRIFONDS SA, gevestigd te Lausanne, Zwitserland, 27. JP MORGAN CHASE BANK, N.A., gevestigd te Columbus, Verenigde Staten, 28. NORTHERN TRUST COMPANY optredend als directed trustee van THE BOEING COMPANY EMPLOYEE SAVINGS PLANS MASTER TRUST, gevestigd te Chicago, Verenigde Staten, 29. THE CANADA LIFE ASSURANCE COMPANY , gevestigd te Winnipeg, Canada, 30. SWISSCANTO FONDSLEITUNG AG , gevestigd te Zürich, Zwitserland, 31. UNIVERSAL-INVESTMENT-GESELLSCHAFT MBH , gevestigd te Frankfurt am Main, Duitsland, 32. MÜNCHENER RÜCKVERSICHERUNGS-GESELLSCHAFT AKTIENGESELLSCHAFT IN MÜNCHEN , gevestigd te München, Duitsland, 33. MEAG MUNICH ERGO KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH , gevestigd te München, Duitsland, 34. AXXION S.A., gevestigd te Grevenmacher, Luxemburg, 35. BRIDGE BUILDER TRUST optredend namens BRIDGE BUILDER INTERNATIONAL,EQUITY FUND, gevestigd te St.Louis, Verenigde Staten, 36. HSBC CONTINENTAL EUROPE optredend als trustee van THE W&amp;W GLOBAL INVESTMENTS FUNDS, gevestigd te Dublin,,Ierland, 37. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] en [naam 12] optredend als trustees van JOHN HANCOCK VARIABLE INSURANCE TRUST, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, 38. [naam 1] , [naam 11] , [naam 2] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , en [naam 12] optredend als trustees van JOHN HANCOCK HEDGED EQUITY &amp; INCOME FUND, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, 39. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 11] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , en [naam 12] optredend als trustees van JOHN HANCOCK FUNDS II, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, 40. [naam 1] , [naam 2] , [naam 11] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , en [naam 12] optredend als trustees van JOHN HANCOCK FUNDS III, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, 41. [naam 1] , [naam 2] , [naam 11] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , en [naam 12] optredend als trustees van JOHN HANCOCK EXCHANGE-TRADED FUND TRUST, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, 42. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 10] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 12] , [naam 11] en [naam 9] optredend als trustees van JOHN HANCOCK INVESTMENT TRUST, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, de rechtspersonen naar buitenlands recht 43. HANSAINVEST HANSEATISCHE INVESTMENT-GMBH, gevestigd te Hamburg, Duitsland, 44. ONEPATH FUNDS MANAGEMENT LIMITED , gevestigd te Millers Point, Australië, 45. ARCA FONDI SGR S.P.A ., gevestigd te Milaan, Italië, 46. AVIVA INVESTORS INVESTMENT FUNDS ICVC , gevestigd te London, Verenigd Koninkrijk, 47. AVIVA INVESTORS UK FUND SERVICES LIMITED , gevestigd te Londo, Verenigd Koninkrijk, 48. AVIVA LIFE &amp; PENSIONS UK LIMITED , gevestigd te York, Verenigd Koninkrijk, 49. VOYA BALANCED PORTFOLIO INC ., gevestigd te Baltirnore, Verenigde Staten, 50. VOYA VARIABLE PORTFOLIOS INC ., gevestigd te Baltimore, Verenigde Staten, 51. VOYA GLOBAL ADVANTAGE AND PREMIUM OPPORTUNITY FUND , gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten, 52. VOYA MUTUAL FUNDS , gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten, 53. TRANSAMERICA FUNDS, gevestigd te Wilmington, Verenigde Staten, 54. ODDO BHF ASSET MANAGEMENT SAS , gevestigd te Parijs, Frankrijk, 55. ODDO BHF ASSET MANAGEMENT GMBH , gevestigd te Düsseldorf, Duitsland, 56. LUMYNA-MARSHALL WACE UCITS SICAV , gevestigd te Luxemburg, Luxemburg, 57. MARSHALL WACE IRELAND LIMITED , optredend als trustee van MARSHALL WACE INVESTMENT STRATEGIES, gevestigd te Dublin, Ierland, 58. SOLIDARIETÂ VENETO- FONDO PENSIONE , gevestigd te Mestre, Italië, 59. GENERALI INVEST CEE PLC , gevestigd te Dublin, Ierland, 60. GENERALI INVESTMENTS CEE, INVESTICNI SPOLECNOST, A.S., gevestigd te Praag, Tsjechië, 61. BAYERNINVEST KAPITALVERWALTUNGSGESELLSCHAFT MBH , gevestigd te München, Duitsland, 62. RAIFFEISEN KAPITALANLAGE-GESELLSCHAFT M.B.H ., gevestigd te Wenen, Oostenrijk, 63. ODDO BHF ASSET MANAGEMENT LUX , gevestigd te Munsbach, Luxemburg, 64. ACHMEA PENSIOEN- EN LEVENSVERZEKERINGEN N.V ., gevestigd te Apeldoorn, Nederland, 65 [naam 13] NERUDoptredend als trustee van JNL SERIES TRUST, gevestigd te Boston, Verenigde Staten, de rechtspersonen naar buitenlands recht 66. BANK OF KOREA , gevestigd te Seoul, Zuid-Korea, 67. INTERNATIONALE KAPITALANLAGEGESELLSCHAFT MBH, gevestigd te Düsseldorf, Duitsland, 68. WUSTENROT &amp; WURTTEMBERGISCHE AG , gevestigd te Kornwestheim, Duitsland, 69. PROTEKTOR LEBENSVERSICHERUNGS-AG, gevestigd te Berlijn, Duitsland, 70. GIC PRIVATE LIMITED, gevestigd te Singapore, 71. GUTMANN KAPITALANLAGEAKTIENGESELLSCHAFT, gevestigd te Wenen, Oostenrijk, appellanten in de hoofdzaak, tevens eisers en verweersters in de incidenten, advocaat mr. K. Rutten te Utrecht, tegen ING GROEP N.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde, tevens verweerder en eiseres in de incidenten, advocaat mr. D.A.M.H.W. Strik te Amsterdam, Partijen worden hierna Allianz c.s. en ING genoemd. Verder wordt appellante nr. 63 OBAM genoemd en appelante nr. 64 Achmea. 1. De zaak in het kort Allianz c.s. hebben vorderingen ingesteld gestoeld op tekortschieten van ING in de naleving van haar openbaarmakingsverplichtingen in verband met volgens Allianz c.s. bestaande ernstige en structurele tekortkomingen in (de uitvoering van) het beleid ten aanzien van Financieel Economische Criminaliteit (FEC) en cliëntenonderzoek (CDD) en de daaraan verbonden risico’s voor ING. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. In dit arrest wordt beslist op de over en weer ingestelde inzagevorderingen en wordt de verdere procesorde in de hoofdzaak bepaald. 2 Het geding in hoger beroep Allianz c.s. zijn bij dagvaarding van 3 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 november 2025 van de rechtbank Amsterdam onder bovenvermelde zaaknummers gewezen tussen Allianz c.s. als eisers en ING als gedaagde. Op 26 maart 2026 heeft een regiezitting plaatsgehad (de eerste mondelinge behandeling). Daaraan voorafgaand hadden Allianz c.s. een incidenteel verzoek ingediend tot het verstrekken van afschrift dan wel uittreksel van bepaalde gegevens ex art. 195 Rv, tevens voorwaardelijke incidentele vordering tot aanhouding van de hoofdzaak. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend: - memorie van antwoord in het incident van ING, met producties; - voorwaardelijke incidentele conclusie ex art. 195 Rv van ING, met producties; - memorie van antwoord in het voorwaardelijk incident ex art. 195 Rv, met producties. Partijen hebben hun standpunten in de incidenten tijdens de mondelinge behandeling van 29 juni 2026 (de tweede mondelinge behandeling) aan de hand van spreekaantekeningen laten toelichten door hun advocaten en mrs. C.M. Tjoa en E. Diedering-Kuus, advocaten te Utrecht (Allianz c.s.) respectievelijk mr. F. Lambert, advocaat te Amsterdam (ING). Partijen hebben voorafgaand aan de tweede mondelinge behandeling producties toegezonden. Ten slotte is arrest in de incidenten gevraagd. 3 Beoordeling 3.1. Allianz c.s. stellen dat zij institutionele investeerders zijn, die in de periode van 4 januari 2010 tot en met 21 september 2020 (hierna: de Relevante Periode) (certificaten van) aandelen in ING hebben verworven op Euronext Amsterdam (AEX). Zij hebben in eerste aanleg tegen onder meer ING vorderingen ingesteld die zijn gestoeld op tekortschieten van ING in de naleving van haar openbaarmakingsverplichtingen in de Relevante Periode in verband met volgens Allianz c.s. bestaande ernstige en structurele tekortkomingen in (de uitvoering van) het beleid ten aanzien van Financieel Economische Criminaliteit (FEC) en cliëntenonderzoek (CDD) en de daaraan verbonden strafrechtelijke, reputationele en financiële risico’s voor ING. 3.2. In het bestreden vonnis zijn de vorderingen in de hoofdzaak afgewezen. Eveneens afgewezen is het verzoek van Allianz c.s. om ING te gebieden documenten in het geding te brengen. De rechtbank is niet toegekomen aan de beoordeling van onder meer de betwisting door ING van de vorderingsgerechtigdheid van Allianz c.s. 3.3. Partijen vorderen in de inzage-incidenten over en weer dat de ander op straffe van een dwangsom wordt bevolen afschrift of uittreksel van stukken te verstrekken. 3.4. Op grond van art. 194 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Degene die over de gegevens beschikt, is verplicht daarvan desverzocht inzage, afschrift of uittreksel te verstrekken, tenzij (a) hem een verschoningsrecht als bedoeld in art. 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich daartegen verzetten (art. 194 lid 2 Rv). De inzagevorderingen van Allianz c.s. 3.5. De inzagevorderingen van Allianz c.s. zien op: de CAS-rapporten die in de Relevante Periode tot stand zijn gekomen; de maandelijkse rapportages van de General Manager van CAS aan de voormalig bestuursvoorzitter van ING gedurende de Relevante Periode; de rapportages van DNB aan ING Bank over de uitvoering van haar FEC CDD-beleid in de Relevante Periode, alsmede de daarover gewisselde correspondentie tussen ING Bank en DNB; de ongecensureerde versie van de notulen van de vergadering van 15 december 2014 en de ongecensureerde presentatie van dezelfde datum; de schriftelijke vastlegging van de door DNB in 2015 aan ING Bank opgelegde last onder dwangsom en de daarover gewisselde correspondentie tussen ING Bank en DNB, waaronder in ieder geval: (i) de voorlopige zienswijze van DNB en de reactie van ING Bank daarop, (ii) de bevindingen van DNB als gevolg waarvan zij overging tot het opleggen van de aanwijzing en (iii) de ongecensureerde versie van de brief van DNB aan ING Bank van 26 januari 2017; 6. het inspectierapport van de ECB van 7 juli 2015 inzake ING Bank en de daarover gewisselde correspondentie tussen ING Bank en de ECB; 7. de interne rapportages en/of bevindingen inzake het interne onderzoek Project Sky, waaronder de root cause analysis van de afdeling juridische zaken en de bevindingen die blijkens het document van 21 februari 2018 voorafgaand aan de publicatie van het jaarverslag 2016 zijn vastgesteld; 8. het in paragraaf 4.1 van het Onderzoeksrapport genoemde ‘intern memorandum van ING NL’ waarin het volgende citaat voorkomt: “Wij hebben jarenlang alleen het topje van de ijsberg gemonitord zonder steekproeven te nemen in de resterende alerts, welke ons een beeld hadden kunnen geven t.a.v. de kwaliteit en effectiviteit van ons monitoringprogramma en de daarbij gebruikte riskviews c.q. welke aanleiding hadden kunnen danwel moeten zijn tot aanpassingen aan deze riskviews.” 9. de interne vastlegging van het besluit van ING om de informatie over het strafrechtelijk onderzoek op te nemen in de Third Supplements van 3 februari 2017 en de correspondentie daarover tussen de bij dit besluit betrokken personen; 10. de interne vastlegging van de eind 2016/begin 2017 door ING uitgevoerde toets of de haar bekende informatie over het strafrechtelijk onderzoek op grond van de MAR openbaar moest worden gemaakt, waaronder: (i) de aan deze toets ten grondslag liggende analyse(s) (ii) de correspondentie hierover tussen de bij deze besluitvorming betrokken personen; 11. (1) (1) het onderzoeksrapport van Banca d’ltalia, (2) de in februari 2020 getroffen schikkingsovereenkomst met het Italiaanse Openbaar Ministerie en (3) de statement of facts (of een vergelijkbaar document); 11. (1) de notice van 8 juni 2021 en de beslissing tot oplegging van een administratieve boete van 20 januari 2022 van de Poolse toezichthouder PFSA aangaande de bij ING Polen geconstateerde tekortkomingen in de uitvoering van het FEC CDD-beleid. 3.6. Allianz c.s. herhalen hiermee in grote lijnen hun in eerste aanleg afgewezen inzageverzoek. ING meent ten onrechte dat de afstemmingsregel met zich brengt dat vanwege de afwijzing van de vorderingen door de rechtbank, bij beoordeling van het incident niet kan worden vastgesteld dat sprake is van de vereiste rechtsbetrekking tussen Allianz c.s. en ING. De afstemmingsregel, die inhoudt dat een voorzieningenrechter (of een rechter die oordeelt over een verzoek ex art. 223 Rv), ook in hoger beroep, zijn oordeel dient af te stemmen op een over dezelfde vordering gegeven oordeel door de bodemrechter, ziet niet op de zich hier voordoende situatie. Niet valt in te zien dat het hof zijn oordeel moet afstemmen op het oordeel in het vonnis dat voorwerp is van dit hoger beroep. Datzelfde geldt evenzeer voor de afwijzing door de rechtbank van het daar gedane, vergelijkbare inzageverzoek. 3.7. Bij de tweede mondelinge behandeling is afgesproken dat ING zal vragen of en in hoeverre DNB en de ECB instemmen met verstrekking van de onder 3., 5. en 6. bedoelde stukken. Indien en voor zover deze toestemming wordt verkregen, is daarin voldoende grond voor verstrekking van de desbetreffende (delen) van die stukken aan Allianz c.s. gelegen. Het bezwaar van ING tegen verstrekking is daarmee dan immers vervallen. Indien en voor zover deze toestemming niet wordt verkregen, geldt voor deze stukken hetgeen hierna in rov. 3.10. wordt overwogen. Zoals besproken tijdens de tweede mondelinge behandeling, dient ING deze (delen van) stukken uiterlijk op 1 november 2026 aan Allianz c.s. te verstrekken. ING zal duidelijk moeten maken wat niet wordt verstrekt en, voor zover delen van stukken worden verstrekt, zal zij – gelijk zij eerder heeft gedaan bij gedeeltelijke verstrekking van stukken – duidelijk moeten maken wat is ‘weggelakt’. Allianz c.s. moeten de kosten dragen van de verstrekking van deze stukken. 3.8. ING voert aan dat de onder 2. bedoelde stukken niet bestaan omdat mondeling werd gerapporteerd en dat de onder 11. sub (3) bedoelde Statement of Facts evenmin bestaat omdat zo’n stuk destijds niet is opgesteld. Het hof ziet geen reden om aan te nemen dat deze toelichting van ING niet klopt. De inzagevorderingen van Allianz c.s. zien in zoverre op niet bestaande stukken en zijn daarom niet toewijsbaar. 3.9. De onder 4. bedoelde stukken betreffen ‘ongecensureerde’ stukken die in eerste aanleg door ING als producties E-5 en E-6 in het geding zijn gebracht met ‘weggelakte’ passages die volgens de toelichting van ING (in haar akte overlegging producties d.d. 1 februari 2025) namen (E-5 en E-6) en bedrijfsgevoelige informatie (E-6) betreffen. Het door Allianz c.s. geuite vermoeden dat ING aantallen problematische dossiers heeft weggelakt kan alleen betrekking hebben op productie E-6 en levert voorts geen, althans onvoldoende belang op bij verstrekking van afschrift of uittreksel van deze stukken. De inzagevorderingen van Allianz c.s. zijn ten aanzien van de onder 4. bedoelde stukken niet toewijsbaar. 3.10. Bij de huidige stand van de procedure in hoger beroep, waarin nog geen memoriewisseling heeft plaatsgehad, kan niet worden vastgesteld dat Allianz c.s. voldoende belang hebben bij kennisname van de andere door hen genoemde stukken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat een inzagevordering niet is bedoeld om informatie op te vragen om een zaak mee op te zetten, maar om vorderingen te onderbouwen. Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 14. Verder strekt een groot deel van deze stukken kennelijk ter onderbouwing van het/de door Allianz c.s. gestelde ‘tipping point(s)’, terwijl ING gemotiveerd bestrijdt dat een dergelijke figuur als voorwetenschap kan worden aangemerkt. De goede procesorde verzet zich dan ook tegen het bij deze stand van de procedure nu beslissen op de inzage vordering van Allianz c.s. met betrekking tot de andere dan in rov. 3.7.-3.9. genoemde stukken. De beslissing wordt in zoverre aangehouden. 3.11. Afgezien van de in het dictum te vermelden beslissingen wordt iedere verdere beslissing in het door Allianz opgeworpen inzage-incident, waaronder de beslissing over de proceskosten in het incident, aangehouden. De inzagevorderingen van ING 3.12. ING betwist de vorderingsgerechtigdheid van Allianz c.s. Bij de eerste mondelinge behandeling is afgesproken dat Allianz c.s., na dit met ING te hebben afgestemd, een aantal (bijvoorbeeld drie) claimgerechtigde appellanten zou aanwijzen, van wie de vorderingsgerechtigdheid in materiele en formele zin niet ter discussie staat. Allianz c.s. hebben twee ‘Modelappellanten’ aangewezen: OBAM en Achmea, waar ING echter vraagtekens bij heeft geplaatst. De inzagevorderingen van ING strekken ertoe stukken te verkrijgen waarmee die vraagtekens kunnen worden weggenomen. Het gaat om de volgende stukken: I met betrekking tot OBAM: ( A) Articles of association, te weten die van: (1) OBAM, geldig in de periode 4 januari 2010 tot en met heden; en (2) SICAV ODDO BHF II, zoals geldig per: a. het moment dat is besloten om Fusie 2 te effectueren; b. het moment na de effectieve datum van Fusie 2; en c. 8 mei 2026 (de datum van het Arendt Memorandum), voor zover deze sinds Fusie 2 zijn gewijzigd.; ( B) Management regulations, te weten die van: (1) AQUINTA, geldig per: a. 4 januari 2010, het moment waarop is besloten om het sub-fonds Aquinta GM te splitsen, b. het moment waarop is besloten om Fusie 1 te effectueren, c. de effectieve datum van Fusie 1 en d. 8 mei 2026 (voor zover deze sinds Fusie 1 zijn gewijzigd; (2) ODDO BHF Trust Exklusiv (thans: ODDO BHF Exklusiv), geldig per: a. 4 januari 2010; b. de datum waarop is besloten om de Omzetting te effectueren, c. 22 december 2014 (de datum waarop de Omzetting heeft plaatsgevonden); d. de datum waarop is besloten tot Fusie 2; e. de effectieve datum van Fusie 2; en f. 8 mei 2026 (voor zover deze sinds Fusie 2 zijn gewijzigd); (3) PKM, van kracht per 4 januari 2010 en per de Indieningsdatum. ( C) Prospectus/offering documents, te weten die van: (1) AQUINTA (offering document), geldig per: a. 4 januari 2010; b. het moment waarop is besloten om het sub-fonds Aquinta GM te splitsen; c. het moment waarop is besloten om Fusie 1 te effectueren; d. na de effectieve datum van Fusie 1; en e. 8 mei 2026 (voor zover gewijzigd na de effectieve datum van Fusie 1); (2) ODDO BHF TRUST EXKLUSIV (thans: ODDO BHF EXKLUSIV) (offering document), geldig per: a. 4 januari 2010; b. de datum waarop is besloten om de Omzetting c. na de effectieve datum van de Omzetting; d. het moment waarop is besloten om Fusie 2 te effectueren; e. na de effectieve datum van Fusie 2; f. 8 mei 2026 (voor zover deze sinds Fusie 2 zijn gewijzigd); (3) PKM (offering document), geldig per: (a) 4 januari 2010; en (b) 8 mei 2026; en (4) SICAV ODDO BHF II (prospectus), geldig per: a. het moment waarop is besloten om Fusie 2 te effectueren; b. na de effectieve datum van Fusie 2; en c. 8 mei 2026 (voor zover gewijzigd sinds de effectieve datum van Fusie 2; ( D) Documentatie met betrekking tot herstructureringen (1) AQUINTA met betrekking tot Fusie 1: a. notulen of schriftelijke besluiten van het bestuur van OBAM met betrekking tot Fusie 1; b. kennisgevingen aan deelnemers en bewijs van instemming van de deelnemers inzake Fusie 1; c. de portefeuillesamenstelling van Aquinta GS en Aquinta GF waaruit blijkt dat beide sub-fondsen na Fusie 1 aandelen in ING Groep hebben gehouden; d. alle bestaande juridische documentatie over de wijze van overdracht van activa (lees: de vermeende (certificaten van) aandelen in en/of vorderingsrechten op ING Groep): door middel van overdracht van activa; overdracht van netto-activa en/of overgang onder algemene titel; en e. de zgn. ‘non-objection letter’ van CSSF; (2) ODDO BHF EXKLUSIV met betrekking tot de Omzetting: a. notulen of schriftelijke besluiten van het bestuur van OBAM over het besluit tot de omzetting in een UCITS; b. de kennisgevingen aan deelnemers en, indien van toepassing, de instemmingen van deelnemers; en c. de non-objection letter van CSSF; (3) ODDO BHF EXKLUSIV en SICAV ODDO BHF II met betrekking tot Fusie 2 voor de drie sub-fondsen: (1) ODDO BHF EXKLUSIV: Polaris Balanced; (2) ODDO BHF EXKLUSIV: Polaris Dynamic; en (3) ODDO BHF Polaris Flexible: a. de common terms van Fusie 2 (de volledige of de afzonderlijke set(s)); b. notulen of schriftelijke besluiten van het bestuur van OBAM over Fusie 2; c. notulen of schriftelijke besluiten van het bestuur van SICAV ODDO BHF II over Fusie 2; d. kennisgevingen verzonden aan deelnemers van elk van de drie sub-fondsen (indien aanwezig); e. de management company agreement tussen OBAM en SICAV ODDO BHF II, geldig per na de effectieve datum van Fusie 2; f. machtiging(en) van het bestuur van SICAV ODDO BHF II aan OBAM om SICAV ODDO BHF II te vertegenwoordigen in gerechtelijke procedures en/of om procedures voort te zetten namens SICAV ODDO BHF II die OBAM heeft geïnitieerd namens ODDO BHF EXKLUSIV; en g. non-objection letters van CSSF. ( E) Management company agreement ICAV ODDO BHF II, geldig per 8 mei 2026. ( F) Sub-custody of andere overeenkomsten tussen CACEIS Bank, Luxembourg Branch (“CACEIS”) als bewaarder van AQUINTA, SICAV ODDO BHF II en ODDO BHF EXKLUSIV, alsmede de huidige bewaarder van PKM enerzijds en Bank of New York Mellon SA/NV (“BNYM”) anderzijds, voor de periode van 4 januari 2010 tot heden. ( G) CSSF certificaten geldig per 8 mei 2026 voor elk umbrella fund (AQUINTA, ODDO BHF Exklusiv en SICAV ODDO BHF II), en voor het zelfstandige fonds PKM II met betrekking tot Achmea: 1. schriftelijke onderbouwing waaruit blijkt dat: a. Allure en Levob Leven geen beleggingsfondsen vormen, en op geen enkel moment sinds 4 januari 2010 een van Achmea afgescheiden vermogen hebben gevormd; en b. Allure en Levob Leven sinds 4 januari 2010 onafgebroken deel hebben uitgemaakt van het vermogen van Achmea; 2. voor zover Allure en/of Levob Leven op enig moment sinds 4 januari 2010 een afgescheiden vermogen hebben gevormd: schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat Achmea bevoegd was om vorderingen in te stellen tegen ING Groep met betrekking tot de (certificaten van) aandelen in ING Groep die door of via een dergelijk afgescheiden vermogen worden of werden gehouden; 3. een schriftelijke bevestiging van BNY Mellon dat Allure en Levob Leven geen beleggingsfondsen zijn die een afgescheiden vermogen vormen ten opzichte van Achmea, en dat de in het Achmea Custodian Statement vermelde fondsnummers E4AFZ164002 (Levob Leven) en 497672 (Allure) uitsluitend sub-rekeningen zijn van de master custody account van Achmea; 4. alle versies van de algemene voorwaarden, met inbegrip van eventuele aanvullende voorwaarden, die van toepassing zijn of zijn geweest op Allure en/of Levob Leven in de periode vanaf 4 januari 2010 tot de Indieningsdatum; 5. alle versies van de prospectussen die van toepassing zijn of zijn geweest op Allure en/of Levob Leven in de periode vanaf 4 januari 2010 tot de indieningsdatum; en 6. alle versies van de beheerovereenkomst tussen Achmea en AIM met betrekking tot Allure en/of Levob Leven die van toepassing zijn (geweest) sinds 4 januari 2010 (de start van de Relevante Periode), alsmede eventuele overeenkomst(en) tussen AIM, Achmea en BNY Mellon met betrekking tot het beheer en/of de bewaring van de activa van Allure en/of Levob Leven, teneinde de bevoegdheid van AIM te kunnen beoordelen om namens BNY Mellon verklaringen af te leggen en haar rol als gesteld uitvoerend beheerder te verifiëren; 7. schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat voornoemde samenvoeging van de portefeuilles geen betrekking heeft op (certificaten van) aandelen in ING Groep en/of daarop betrekking hebbende vorderingsrechten van Achmea 8. een schriftelijke bevestiging van BNY Mellon dat de in Exhibit A bij het Achrnea Custodian Statement vermelde transacties daterend uit de periode vóór 22 juli 2016 uitsluitend betrekking hebben op transacties onder ISIN NL0000303600 in plaats van ISIN NL0011821202; 9. de bijlage waarnaar in de AIM E-mail wordt verwezen als “original inventory of all trades”; 10. bewijs dat de ondertekenaar van het Achmea Custodian Statement bevoegd was om BNY Mellon te vertegenwoordigen. 3.13.1. ING, die zich op het standpunt stelt dat er geen rechtsbetrekking is tussen haar en Allianz c.s., kan in beginsel aanspraak maken op bepaalde gegevens om dit aan te tonen. Zie Kamerstukken II 2019-2020, 35 498, nr. 3, p. 47. Daarmee is echter niet gezegd dat ING aanspraak heeft op afschrift of uittreksel van alle stukken waarvan zij vindt dat die nodig zijn om al haar vragen en vervolgvragen weg te nemen, ook niet als die betrekking hebben op de formele en materiele gerechtigdheid van claimanten om vorderingen jegens haar in te dienen. 3.13.2. Los daarvan geldt het volgende. Tijdens de eerste mondelinge behandeling zijn praktische afspraken gemaakt over aanwijzing van Modelappellanten waarvan de vorderingsgerechtigdheid niet (meer) ter discussie staat. Uit haar inzage-incident volgt dat ING vele vragen heeft over de vorderingsgerechtigdheid van de Modelappellanten. Hoewel nu niet valt uit te sluiten dat (sommige van) deze vragen terecht zijn en de door ING gewenste onderbouwing op enig moment mogelijk nodig zal zijn om de vorderingsgerechtigdheid van de Modelappellanten vast te stellen, is de proceseconomie niet gediend met het verder voeren van het debat over de vorderingsgerechtigdheid van de Modelappellanten en een beslissing daarover die – na het volledig voeren van het debat over de toewijsbaarheid van de vorderingen in de hoofdzaak – mogelijk niet nodig blijkt te zijn. De inzagevordering is in dat opzicht ontijdig. Het hof houdt daarom de beslissing op de inzagevordering van ING aan totdat in de hoofdzaak wordt toegekomen aan een beslissing over de vorderingsgerechtigdheid van Allianz c.s. 3.13.3. Het hof gaat ervan uit dat ING haar betwisting van de vorderingsgerechtigdheid van Allianz c.s. handhaaft. Tijdens de regiezitting is wel gebleken dat ING in beginsel bereid was om op dat punt tot praktische afspraken te komen (de Modelappellanten). Vooralsnog zal het hof, tegen die achtergrond en gelet op 3.13.2, in de hoofdzaak veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat (in elk geval één van) Allianz c.s. vorderingsgerechtigd zijn/is. Indien in de hoofdzaak geconcludeerd wordt dat de verwijten aan het adres van ING (deels) gegrond zijn, zal het debat over de vorderingsgerechtigdheid nader gevoerd kunnen worden. Indien en voor zover dan aan de orde kunnen te zijner tijd procesafspraken worden gemaakt over de wijze waarop dit verweer van Allianz c.s. zal worden behandeld en of dat in de aansprakelijkheidsfase of in de quantumfase dient te geschieden. Zo nodig zal in dat stadium ING’s inzageverzoek verder worden behandeld. in het door Allianz c.s. opgeworpen aanhoudingsincident 3.14. Gezien de in rov. 3.15 te bepalen procesorde in de hoofdzaak wordt deze incidentele vordering bij gebrek aan belang afgewezen. De door Allianz c.s. aan ING te betalen proceskosten in het incident worden op nihil gesteld. in de hoofdzaak 3.15. Met inachtneming van het besprokene tijdens de eerste en tweede mondelinge behandeling stelt het hof de procesorde in de hoofdzaak als volgt vast: 16 februari 2027: memorie van grieven; 25 mei 2027: memorie van antwoord, eventueel tevens memorie van grieven in incidenteel appel; 6 juli 2027: memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep (indien aan de orde) Oktober/november 2027: mondelinge behandeling – partijen dienen met het oog daarop hun verhinderingen voor deze maanden op na te noemen datum door te geven, waarna de datum zal worden bepaald; Eventuele deskundigenrapporten en omvangrijke producties moeten uiterlijk twee maanden voor de mondelinge behandeling worden ingediend; Reactieve producties, uitsluitend naar aanleiding van de hiervoor bedoelde producties van de wederpartij, moeten uiterlijk een maand voor de mondelinge behandeling worden ingediend; Voor andere dan de hiervoor genoemde producties geldt de reguliere termijn van het Landelijk procesreglement. 3.16. Daarnaast gelden de tijdens de eerste mondelinge behandeling gemaakte procesafspraken onverkort. Dat wil zeggen (gepreciseerd): De procedure in de hoofdzaak zal, zonder dat partijen hun rechten verliezen, worden gefaseerd in een aansprakelijkheidsdeel en een quantum deel. Het hof zal eerst oordelen over de aansprakelijkheid en daarna pas, zo nodig, over het quantum deel. De maximale omvang van de memorie van grieven en de memorie van antwoord (daarin begrepen een eventueel incidenteel appel) is 200 pagina’s. (Voor de memorie van antwoord in incidenteel appel geldt in beginsel de reguliere omvang, maar daarvan kan, in afwijking van het Landelijk procesreglement, uiterlijk twee weken na de memorie van antwoord, gemotiveerd afwijking verzocht worden.) De hiervoor bedoelde afspraak over fasering van de procedure leidt ertoe dat partijen die 200 pagina’s in de eerste fase geheel kunnen besteden aan de aansprakelijkheidsvraag, inclusief alle voor een oordeel daarover relevante geschilpunten, zoals de verjaring en de mogelijkheid van schade. Als wordt toegekomen aan de quantumfase zullen partijen een aanvullende memorie mogen nemen, van een dan te bepalen omvang, waarin louter op de (omvang van de) schade wordt ingegaan. Partijen zullen het dossier in de hoofdzaak in hoger beroep opnieuw (helemaal zelfstandig zonder verwijzingen naar de eerste aanleg) opzetten. Het digitaal dossier zal overeenkomstig het procesreglement worden aangeleverd met korte bestandsnamen. 3.17. Het hof gaat vooralsnog veronderstellenderwijs ervan uit dat in elk geval één van Allianz c.s. vorderingsgerechtigd is. Indien wordt geconcludeerd dat de verwijten aan het adres van ING (deels) gegrond zijn, zal het debat over de vorderingsgerechtigdheid nader gevoerd kunnen worden. Indien en voor zover aan de orde, zullen daarover te zijner tijd nadere procesafspraken worden gemaakt. 3.18. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. 4 Beslissing Het hof: in het door Allianz c.s. opgeworpen inzage-incident beveelt ING uiterlijk op 1 november 2026 de in rov. 3.7. bedoelde stukken als aan de daar genoemde voorwaarden is voldaan op de daar omschreven wijze in het geding te brengen; verklaart dit bevel uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat Allianz c.s. de kosten moeten dragen van de verstrekking van deze stukken; wijst de vorderingen af met betrekking tot de onder 2., 4. en 11. sub (3) bedoelde stukken; houdt iedere verdere beslissing in dit incident aan; in het door Allianz c.s. opgeworpen aanhoudingsincident wijst de vordering af; stelt de door Allianz c.s. aan ING te betalen proceskosten in dit incident op nihil; in het door ING opgeworpen inzage-incident houdt iedere beslissing aan; in de hoofdzaak bepaalt dat partijen op de rol van 18 augustus 2026 ten behoeve van de bepaling van een datum voor de mondelinge behandeling hun verhinderingen dienen door te geven voor de maanden oktober en november 2027; verwijst de zaak naar de rol van 16 februari 2027 voor memorie van grieven; bepaalt de termijnen voor het nemen van de volgende processtukken zoals weergegeven in rov. 3.15; verstaat dat procesinstructies en –afspraken zijn gegeven/gemaakt zoals weergegeven in rov. 3.15 en 3.16; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, M.C. Bosch en L. Alwin en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291180 · 2026-08-22
