# Rechtbank Amsterdam, 31-07-2026 (1325176725)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8000
- Date: 2026-07-31
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8000
- Canonical: https://overview.legal/posts/291185
- Topics: Liability, Identification, IP Address

## Summary

Oplichting door middel van babbeltrucs. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 30 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

## Full text

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/251767-25 Datum uitspraak: 31 juli 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [de verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres 1] , gedetineerd in het [detentieadres] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Leuven, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Assendelft de Coningh, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat door mevrouw [naam 1] van Slachtofferhulp Nederland namens benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is gezegd. 2 Inleiding In het dossier ‘ [dossier 3] ’ zijn verschillende onderzoeken met betrekking tot oplichtingen samengebracht. Deze oplichtingen hadden gemeen dat de aangevers telefonisch werden benaderd door personen die zich voordeden als medewerkers van een bank of de politie. De aangevers waren veelal op leeftijd. Nadat het vertrouwen van aangevers was gewonnen, werd iemand langs gestuurd om de waardevolle spullen van aangevers ‘veilig te stellen’. Er werd een naam en een code doorgegeven van de persoon die bij aangevers aan de deur langs zou komen. De persoon aan de deur identificeerde zich met de opgegeven naam en code en nam de waardevolle goederen van aangevers mee. Met overhandigde bankpassen en pincodes werden vervolgens ook geldbedragen opgenomen, afkomstig van de bankrekeningen van diverse aangevers. De verdenking is dat personen die de goederen kwamen ophalen en geldbedragen hebben opgenomen werden aangestuurd door (onder andere) het Snapchataccount [account 1] . Verdachte wordt verweten dat hij de gebruiker is geweest van dit account en daarmee bij de oplichtingen was betrokken. 3 Tenlastelegging Aan verdachte is na wijziging– kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van oplichting, in de periode van 3 mei 2024 tot en met 2 oktober 2024 in Amsterdam, Duiven, Leiderdorp, Alphen aan den Rijn, Nieuw-Vennep, Zundert, Barneveld, Lunteren en/of Bergen en diefstal in vereniging op 26 september 2024 in Lunteren; diefstal in vereniging door middel van een valse sleutel , in de periode van 3 mei 2024 tot en met 2 oktober 2024 in Nieuw-Vennep, Bergen en/of Amsterdam; medeplegen van witwassen van een bankpas, fashioncheques en/of cadeaukaarten, 769.500 Dirham, een Rolex en/of Ethereum in de periode van 6 juni 2023 tot en met 25 november 2025 in Amsterdam; heling van niet-openbare gegevens in de periode van 6 november 2025 tot en met 24 november 2025 in Amsterdam. De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchataccount [account 1] en dat het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Verdachte moet van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van geldbedragen van [aangever] worden vrijgesproken, omdat niet is komen vast te staan dat verdachte betrokken was bij deze diefstal. Daarnaast moet verdachte worden vrijgesproken van het witwassen van 13,13 Ethereum, omdat niet is komen vast te staan dat verdachte dit bedrag heeft witgewassen. 4.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 en feit 2 primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van deze tenlastegelegde feiten, omdat niet is komen vast te staan dat verdachte de gebruiker is geweest van het Snapchataccount [account 1] . Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte wel kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van Snapchataccount [account 1] , verzoekt de verdediging om medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als getuigen te horen. Ten aanzien van feiten begaan jegens [aangever] heeft de verdediging zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de door [account 1] gestuurde berichten van onvoldoende gewicht zijn om te komen tot medeplegen. Ten aanzien van de oplichting van [aangever 2] moet verdachte worden vrijgesproken, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat [account 1] bij deze oplichting betrokken was. Ten aanzien van de oplichting van [aangever 3] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een voltooide oplichting. Meer subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 en de onder 1 ten laste gelegde diefstal van goederen van [aangever 3] , omdat het opzet van [account 1] niet gericht was op de diefstal. Ten aanzien van de onder feit 3 tenlastegelegde bankpas heeft de verdediging zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de herkenning van verdachte op camerabeelden niet overtuigend is. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak voor het onder sub a tenlastegelegde moet volgen, omdat er geen sprake is geweest van verhullingshandelingen. Met betrekking tot de onder 3 tenlastegelegde witwassen van Fashioncheques/cadeaukaarten heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde witwassen van 769.500 Dirham en € 19.655,- moet verdachte worden vrijgesproken, omdat verdachte een concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst hiervan. Ten aanzien van feit 4 moet verdachte worden vrijgesproken, omdat uit de tenlastelegging niet blijkt om welke gegevens het gaat. 4.3. Het oordeel van de rechtbank De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. 4.3.1. Identificatie van de gebruiker van Snapchataccount [account 1] Feiten en omstandigheden Medeverdachte [medeverdachte 4] is herkend op beelden van een oplichting in Nieuw-Vennep. [medeverdachte 4] heeft hierover verklaard dat hij gedwongen werd om oplichtingen te plegen. Hij moest naar huizen gaan en zeggen dat hij van de politie was. Ook kreeg hij bankpassen waar hij mee moest gaan pinnen. Hij werd gedwongen dat te doen door een jongen die ‘ [naam 5] ’ wordt genoemd. Hij sprak met deze jongen via Snapchat. De jongen had als accountnaam ‘ [naam 5] ’ met een aantal “ [letter] ’tjes”. ‘ [naam 5] ’ zou te zien zijn op een video op YouTube met rapper [rapper] en hij zou rijden in een Mercedes A-klasse. [medeverdachte 4] verstrekte een afbeelding uit die video, waarop ‘ [naam 5] ’ te zien zou zijn, aan de politie. Een verbalisant heeft verdachte herkend als degene die op de YouTube-video te zien is. Aan [medeverdachte 4] is tijdens zijn getuigenverhoor bij de rechter-commissaris een foto van verdachte getoond en [medeverdachte 4] heeft verklaard dat die persoon ‘ [naam 5] ’ is. Daarnaast is verdachte op 30 mei 2024 geobserveerd terwijl hij in een Mercedes A-klasse reed en samen was met rapper [rapper] . Op 20 juli 2024 is verdachte aangehouden. De telefoon die verdachte bij zich had, een iPhone 15, is onderzocht en daaruit blijkt dat het Snapchataccount met gebruikersnaam [account 1] op deze telefoon is geregistreerd. Ook is op deze telefoon een account voor de iTunes Store geregistreerd. Het e-mailadres dat aan dit account is gekoppeld is [e-mailadres] . Daarnaast is er op de telefoon een video van 18 juli 2024 aangetroffen met bestandsnaam (…) [account 1] (…). Hierop is een persoon in selfiestand te zien, die door de verbalisant wordt herkend als verdachte. Op 25 november 2025 is verdachte opnieuw aangehouden. Daarbij zijn onder meer in beslag genomen een iPhone 15, aangetroffen op een plank boven het bed waar verdachte sliep, en een iPhone 16, aangetroffen in de tuin onder het slaapkamerraam van de kamer waar verdachte sliep. Op de iPhone 15 is een Snapchatgesprek aangetroffen tussen het Snapchataccount [account 1] en een andere gebruiker. Op het telefoonnummer dat middels de iPhone 16 werd gebruikt is een tap aangesloten geweest. Uit deze tap blijkt dat verdachte bij zijn naam genoemd werd. Verder staan er op de telefoon meerdere (selfie) foto’s van verdachte op dit toestel. Ook was het Snapchataccount met gebruikersnaam [account 1] geregistreerd op het toestel. Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband bezien, is bewezen dat verdachte de gebruiker is geweest van Snapchataccount [account 1] . De rechtbank acht de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] , dat verdachte ‘ [naam 5] ’ zou worden genoemd, betrouwbaar. Deze verklaring wordt ondersteund door de bevindingen op de drie mobiele telefoons die op twee verschillende momenten bij of in de directe omgeving van verdachte zijn aangetroffen. De rechtbank wijst het voorwaardelijke verzoek om getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te horen af. Uit het dossier blijkt niet dat getuigen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met [account 1] hebben gechat, noch dat zij [account 1] hebben ontmoet. Daarom valt niet in te zien waarom zij zouden kunnen verklaren over [account 1] , waardoor het horen van deze getuigen niet in het belang is voor de beantwoording van de vragen in de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering. Het verzoek om getuige [medeverdachte 1] opnieuw te horen zal eveneens worden afgewezen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het dossier verschillende verklaringen van deze getuige bevat en dat hij op verzoek van de verdediging ook zeer kort voor de zitting (op 15 juni 2026) nog bij de rechter commissaris is gehoord. Daarbij is terecht geconstateerd dat de getuige een verschoningsrecht toekomt in verband met openstaande zaken betreffende oplichting en de getuige heeft zich in antwoord op de gestelde vragen expliciet op dit verschoningsrecht beroepen. Ter zitting is verder gebleken dat het verschoningsrecht hem nog altijd toekomt, nu de betreffende zaken nog altijd openstaan. Niet gebleken is dat deze situatie op aanvaardbare termijn anders wordt. Een en ander doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het recht op een eerlijk proces van verdachte. Het bewijs dat verdachte [account 1] is, vloeit namelijk niet alleen voort uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] , maar ook uit andere bewijsmiddelen. Er zijn daarnaast wel andere personen als getuige gehoord die aan de chatgroep met [account 1] deelnamen. Er is dan ook voldoende compensatie voor het feit dat getuige [medeverdachte 1] een beroep kan doen op zijn verschoningsrecht. 4.3.2. Partiele vrijspraak feit 1 De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichtingen van [aangever 2] en [aangever 3] , omdat uit het dossier niet is gebleken dat verdachte bij deze zaken betrokken is geweest. Aangevers [aangever 2] en [aangever 3] hebben beiden aangifte gedaan van oplichting, waarbij de modus operandi overeenkomt met de andere zaken die bij verdachte op de tenlastelegging staan. Uit het dossier blijkt echter niet dat [account 1] ten aanzien van deze oplichtingen chatberichten heeft gestuurd. Ook de medeverdachten hebben in deze zaak niet over [account 1] verklaard. De rechtbank ziet wel de overeenkomende modus operandi, de omstandigheid dat de medeverdachten in een auto reden op naam van verdachte (zaak [aangever 2] ) en tenslotte de omstandigheid dat het Snapchataccount [account 1] zich in een groeps-chat bevindt waarin anderen berichten sturen over de oplichting (zaak [aangever 3] ), maar acht dit onvoldoende om vast te kunnen stellen dat verdachte hierbij op zodanige wijze betrokken is geweest dat er gesproken kan worden van een nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank acht ook niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [benadeelde partij 2] , omdat uit het dossier niet blijkt dat zij zelf is opgelicht. Gelet op het voorgaande zal verdachte partieel worden vrijgesproken van de oplichtingen van [aangever 2] , [aangever 3] en [benadeelde partij 2] . 4.3.3. Bewijsoverwegingen ten aanzien van feiten 1 en 2 Feiten en omstandigheden [aangever] (feit 1 en feit 2) en [aangever 4] (feit 1) Op 3 mei 2024 is aangever [aangever] gebeld door iemand die zich uitgaf als een medewerkster van de ING Bank en zich voorstelde als [naam 7] . Zij zei dat er in de straat was ingebroken en dat de naam en bankpassen van [aangever] op een lijst voorkwamen. Het was daarom noodzakelijk om bankpassen, telefoons en horloges te laten controleren door een politieagent. Rond 15:30 uur is er iemand bij [aangever] langsgekomen, die twee telefoons, sieraden, bankpassen en cash geld mee wilde nemen om deze te onderzoeken. [aangever] heeft deze goederen in goed vertrouwen meegegeven. Na contact met de politie bleek dat er € 9.170,- van de bankrekeningen van [aangever] was afgeschreven. Op 14 mei 2024 rond 16:55 uur is aangeefster [aangever 4] gebeld door een persoon die zei dat hij van de politie was en dat er een inbraak in de buurt was geweest. Ze zouden daarom komen controleren of alles goed was bij haar. Rond 17:30 uur heeft er een man aangebeld bij [aangever 4] in [plaats 1] . Deze man vroeg waar de sieraden en het geld lagen. De man heeft de goederen in een tas gestopt en hij heeft gezegd dat hij alle sieraden ging scannen. De man is vervolgens met het geld en de sieraden weggerend. Na een achtervolging op 14 mei 2024 zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] aangehouden. Tijdens deze aanhouding zijn diverse goederen aangetroffen die waren weggenomen bij [aangever 4] . Uit onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] rond het moment van de oplichtingen van [aangever] en [aangever 4] in een groeps-chat via Snapchat zat, met daarin onder meer [account 1] . Op 3 mei 2024 om 13:40 uur straalt de telefoon van [medeverdachte 1] uit in [plaats 2] . Om 14:04 uur stuurt [account 1] in de groeps-chat een bericht met de tekst “ [adres 2] ”. Dit is het adres van aangever [aangever] in [plaats 2] , waar vervolgens korte tijd later de oplichting van [aangever] plaatsvindt. Op 14 mei 2024 om 15:48 uur stuurt [account 1] in diezelfde groeps-chat dat de boys richting 'agga' moeten gaan. Het is de verbalisant bekend dat hiermee Den Haag bedoeld wordt. [naam 8] heeft een ‘vis’. Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat hiermee vaak een slachtoffer bedoeld wordt van het plegen van diefstallen door middel van babbeltrucs. Om 16:55 uur stuurt [account 1] : Siii we zijn bezig . Om 17:33 uur stuurt [account 1] : Cash sieraden 2 spas . Het is de verbalisant ambtshalve bekend dat er met 'spa' een betaalpas of creditcard bedoeld wordt. Om 17:41 uur stuurt [account 1] : Ze zegt veel, Sieraden ze pakt nu en Kanje gaan . Om 17:48 uur vraagt [account 1] hoelang het lopen is, waarop de gebruiker van de telefoon ‘2 minuten’ zegt. Om 17:52 uur stuurt [account 1] : [naam 9] en 5711 . De gebruiker vraagt wederom Gaan?, waarop [account 1] stuurt Gaa . [benadeelde partij 1] (feit 1 en feit 2) Op 23 mei 2024 werd aangeefster [benadeelde partij 1] gebeld door een vrouw die zich voorstelde als [naam 10] van de recherche. Er zou geld van de rekening van [benadeelde partij 1] afgehaald zijn en haar rekeningnummer zou geblokkeerd zijn. Ook zou er geld van de rekening van haar dochter, [benadeelde partij 2] , zijn afgehaald. [naam 10] vroeg de codes van haar pinpassen en ING app. De politie zou haar cash geld, sieraden, bankpassen, iPad en telefoon komen ophalen. Er komt vervolgens een man langs, die zich voorstelt als [naam 9] en de tas met goederen meeneemt. ’s Avonds logde aangeefster [benadeelde partij 1] in op haar bankrekening en zag zij dat haar rekening € 1.998,76 in de min stond. Medeverdachte [medeverdachte 4] is herkend op de beelden van deze oplichting. Hij heeft verklaard dat hij deze oplichting heeft gepleegd, omdat hij door ‘ [naam 5] ’ gedwongen werd om dat te doen. De rechtbank heeft hierboven bij de identificatie van [account 1] de verklaring van [medeverdachte 4] al nader beschreven. [aangeefster 1] (feit 1) Op 26 september 2024 werd aangeefster [aangeefster 1] gebeld door iemand die zei dat hij van de politie was. De man vertelde dat er een overval was geweest en dat de politie om die reden het hele verzorgingstehuis op het adres [adres 3] in [plaats 3] zou komen controleren. Terwijl aangeefster de man aan de telefoon had kwam er iemand aan de deur. Deze man heeft sieraden van aangeefster meegenomen. Op camerabeelden van [adres 3] in [plaats 3] is te zien dat de man die bij aangeefster [aangeefster 1] langs is geweest, in een auto met kenteken [kenteken] reed. De laatste letter van het kenteken was niet te lezen. Op diezelfde dag is een auto met kenteken [kenteken] staande gehouden. In deze auto zaten medeverdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] . De verbalisanten zagen dat de personen in de auto voldeden aan het signalement van de personen op de camerabeelden die betrokken zouden zijn bij dit feit. Uit de telefoons van medeverdachten [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] blijkt dat zij op 26 september 2024 in een groeps-chat via Snapchat zaten, met daarin onder meer [account 1] . Rond het moment van de oplichting van [aangeefster 1] zijn de volgende berichten gestuurd: 16:55 uur – [account 1] – bel felijk aan 16:59 uur – [account 1] – tempo 17:03 uur – [account 1] – [naam 9] 5711 Politie 17:03 uur – shiittttmennn – nummer 56 toch 17:06 uur – [account 1] – 53 17:06 uur – shiitttmennnn – bel nu aan 17:11 uur – [account 1] – bro kijk wat er in zit. Neem dat mee ga loezoe. Dr kk moeder 17:28 uur – blijfzoekende – waar zijn jullie nu? 17:29 uur – [account 1] – [plaats 3] [aangeefster 2] (feit 1 en feit 2) Op 2 oktober 2024 om 14:51 uur werd aangeefster [aangeefster 2] gebeld door [naam 10] van de politie. Zij vertelde dat er in [plaats 4] was ingebroken en dat de naam van aangeefster op een lijstje stond. Een collega van haar zou langskomen om te kijken hoe het zat met haar sloten en haar waardevolle spullen. Er kwam een man aan de deur die zich voorstelde als [naam 9] . Aangeefster [aangeefster 2] had haar sieraden en contant geld al klaargelegd. Zij heeft haar bankpas en pincode ook aan [naam 9] meegegeven. De politie vertelde aangeefster [aangeefster 2] later dat er € 1.000,- is gepind bij de Geldmaat op het Plein in [plaats 4] . Op de camerabeelden van de Geldmaat is medeverdachte [medeverdachte 8] herkend. Uit de telefoon van [medeverdachte 8] blijkt dat op 2 oktober 2024 de volgende berichten zijn gestuurd: Tijdstip 12.39 tot 13.11 uur [account 1] : [adres 4] [plaats 4] . Niet aanbellen nog. Eerst kijke of ze wat heeft. [account 1] : [naam 9] , 5711. Wacht ff op groen licht. Tijdstip 13.12 [account 1] : Ga Tijdstip 13.31 tot 13.35 uur [account 1] : Gelukt tog bro. Kijk of je ergens 400 kan zwaaien. cctje.l: Hahaha, sii pressureplus24: Broer skot die shit. Die lk is gelukt toch. cctje.l: 1000 eraf. Ewa, we gaan buurt uit. 4.3.4. Conclusie ten aanzien van feiten 1 en 2 De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan oplichting en diefstal met een valse [aangever] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte de gebruiker is geweest van Snapchataccount [account 1] en uit het voorgaande blijkt dat [account 1] zich bezighoudt met oplichtingen en diefstallen. Uit de inhoud van de berichten maakt de rechtbank verder op dat verdachte ook het opzet heeft gehad op deze oplichtingen en diefstallen. Verdachte en zijn mededaders hebben een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, door het aannemen van valse namen en hoedanigheden. De opeenstapeling van oplichtingsmiddelen maakt dat er ook sprake is van een samenweefsel van verdichtsels. Vervolgens zijn in de zaken [aangever] , [benadeelde partij 1] en [aangeefster 2] de bankpassen van aangevers gebruikt om geld van hun rekeningen te halen. Er is volgens een vooropgezet plan gehandeld, waarbij in wisselende samenstellingen de aangevers zijn benaderd en iedere verdachte een eigen rol had. Verdachte is, door de sturende en coördinerende rol die uit de berichten naar voren komt, een belangrijke schakel in het geheel geweest. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de feiten 1 en 2, waaraan verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. 4.3.5. Partiele vrijspraak feit 3 De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van de bankpas van [naam 11] , de Fashioncheques en cadeaukaarten, het contante geldbedrag van € 19.655,-, de 769.000 Dirham en de Ethereum. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Ten aanzien van het witwassen van de bankpas van [naam 11] en de Fashioncheques en cadeaukaarten is de rechtbank van oordeel dat verdachte op basis van het dossier weliswaar te linken is aan de bankpas en de Fashioncheques en cadeaukaarten, maar niet dat hij betrokken is geweest bij de oplichting die ten grondslag ligt aan het verkrijgen van deze goederen. Aan verdachte is enkel ten laste gelegd dat hij wist dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank kan dat op grond van het dossier echter niet vaststellen. Dat verdachte zich in 2024 bezig hield met oplichten is voor een bewezenverklaring niet voldoende. Ook kan de rechtbank niet uit een andere omstandigheid afleiden dat verdachte wist dat deze goederen van misdrijf afkomstig waren. Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 19.655,- en het bedrag van 769.000 Dirham oordeelt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft verklaard dat het contante geld dat bij hem is aangetroffen van zijn moeder is. De moeder van verdachte alsmede een oom van verdachte hebben deze verklaring van verdachte bevestigd. Ten aanzien van het bedrag aan Dirham heeft verdachte verklaard dat hij deze betaling heeft verricht voor zijn moeder, die bezig was met de aankoop van een woning in Marokko. Zij heeft daarvoor bij verschillende mensen geld geleend. De moeder van verdachte heeft deze verklaring wederom bevestigd, en onderbouwd met stukken. Verdachte heeft daarmee een verklaring over de herkomst van de geldbedragen gegeven, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Een legale herkomst van dit bedrag kan naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten. Dat verklaringen op bepaalde punten niet exact overeenkomen en dat de moeder van verdachte ter zitting niet op alle vragen een concreet antwoord heeft gegeven maakt niet dat haar verklaring als op voorhand onbetrouwbaar ter zijde moet worden geschoven en dit oordeel dus niet anders. 4.3.6. Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3 Feiten en omstandigheden Op 25 november 2025 is verdachte aangehouden en is de woning waar hij sliep doorzocht. Op de plank boven het bed werd een horloge aangetroffen van het merk Rolex. De Rolex is inbeslaggenomen, op echtheid gecontroleerd en getaxeerd op € 14.000,-. Verdachte heeft verklaard dat hij de Rolex heeft geleend, maar hij wilde niet verklaren van wie. 4.3.7. Conclusie ten aanzien van feit 3 Om het witwassen van de Rolex te kunnen bewijzen, moet de rechtbank kunnen vaststellen dat de Rolex afkomstig is uit een misdrijf. Daarvoor geldt het volgende beoordelingskader. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat een voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor deze bewezenverklaring vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat dit voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo’n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet uit misdrijf afkomstig is. Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo’n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen (vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352). Uit het financieel onderzoek is gebleken dat verdachte weliswaar legale inkomsten heeft genoten, maar dat de hoogte daarvan niet toereikend is om de Rolex van € 14.000,- uit legale bronnen te kunnen verklaren. Daarom mag van verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de Rolex niet uit misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft over de Rolex verklaard dat hij de Rolex van iemand heeft geleend, maar hij wil niet verklaren van wie. Verdachte heeft daarom geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd, die door de officier van justitie nader kan worden onderzocht. Er is daarom redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk dan dat de Rolex middellijk of onmiddellijk, afkomstig is uit enig misdrijf. De rechtbank acht daarom het witwassen van de Rolex bewezen. 4.3.8. Ten aanzien van feit 4 Feiten en omstandigheden Zoals eerder bij de identificatie van [account 1] al is benoemd, is er op 25 november 2025 een iPhone 16 in beslag genomen, waarvan verdachte kan worden aangemerkt als gebruiker. Op de telefoon is een Snapchatgesprek met ‘ [account 2] ’ aangetroffen, waarin te lezen is dat verdachte op 6, 7 en 13 november 2025 persoonsgegevens verstuurde van vier personen uit België. Het ging om een uitgebreide lijst van gegevens van die personen, zoals de volledige naam, geboortedatum, adres, woonplaats, telefoonnummers, bankrekeningnummer en IP-adres. In de periode tussen 20 en 24 november 2025 ontvangt verdachte in een Snapchatgesprek met ‘ [account 3] ’ vergelijkbare gegevens van weer andere personen uit België. In de bovengenoemde Snapchatgesprekken wordt ook gesproken over onder meer “bellen”, “halen” en “vis” ; termen die ook gebruikt werden in de gesprekken met betrekking tot de oplichtingen onder feit 1. 4.3.9. Conclusie ten aanzien van feit 4 De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte gegevens heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze door misdrijf zijn verkregen. Het is onaannemelijk dat voldaan is aan de voor rechtmatige verstrekking vereiste toestemming van de betrokkenen om hun persoonsgegevens te gebruiken of te verspreiden. Mede gelet op de context waarin deze gegevens worden gedeeld, valt niet in te zien hoe deze gegevens op legale wijze in het bezit van verdachte zijn gekomen. Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen bewezen dat verdachte Ten aanzien van feit 1: in de periode van 3 mei 2024 tot en met 2 oktober 2024 te Leiderdorp en Alphen aan den Rijn en Nieuw-Vennep en Barneveld en Bergen (NH), tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, - [aangever] , en - [aangever 4] , en - [benadeelde partij 1] , en - [aangeefster 1] , en - [aangeefster 2] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten geldbedragen en sieraden en juwelen en telefoons en ipads en bankpassen en creditcards en bijbehorende pincodes, door - telefonisch contact op te laten nemen met voornoemde slachtoffers, daarbij gebruikmakend van de valse hoedanigheid van een medewerker van de fraudehelpdesk van een bank en/of de politie en - voornoemde slachtoffers te laten vertellen dat er onderzoek wordt gedaan in verband met fraudemeldingen en/of dat er een geldbedrag van de rekening is afgeschreven, en - voornoemde slachtoffers te laten vertellen dat er criminelen in de buurt van de woning van het slachtoffer actief zijn en/of criminelen zijn aangehouden die in het bezit waren van persoonsgegevens van het slachtoffer, en - voornoemde slachtoffers te laten vertellen dat waardevolle goederen gescand en/of gecontroleerd moeten worden en daarom een of meerdere geldbedragen en sieraden, door een bankmedewerker en/of politieagent worden opgehaald, en - voornoemde slachtoffers te laten bewegen om de bijbehorende pincodes telefonisch door te geven en - aan te laten bellen bij de woning van voornoemde slachtoffers en bankpassen en bijhorende pincodes en telefoons en ipads in ontvangst te nemen en geldbedragen en sieraden en juwelen in ontvangst te laten nemen; Ten aanzien van feit 2: in de periode van 3 mei 2024 tot en met 2 oktober 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen, toebehorende aan: - [aangever] en - [benadeelde partij 1] en - [aangeefster 2] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door meermalen, gebruik te maken van een bankpas en/of creditcard en bijhorende pincode van die [aangever] en [benadeelde partij 1] en [aangeefster 2] ; Ten aanzien van feit 3: op 25 november 2025 een Rolex horloge ter waarde van € 14.000,- te Amsterdam, voorhanden heeft gehad terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf; Ten aanzien van feit 4: in de periode van 6 november 2025 tot en met 24 november 2025 te Amsterdam, niet-openbare gegevens, te weten sets met daarop de naam en geboortedatum en adresgegevens (straatnaam en postcode en woonplaats) en telefoonnummers en IBAN bankrekeningnummer en IP-adressen van personen, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 5 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 6 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 7 Motivering van de straf 7.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest. 7.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat uit jurisprudentie blijkt dat er voor vergelijkbare zaken lagere gevangenisstraffen worden opgelegd. Daarnaast heeft de verdediging verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. 7.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Verdachte heeft zich, samen met anderen, schuldig gemaakt aan oplichting van vijf personen. Op slinkse wijze werden de slachtoffers gemanipuleerd om hun waardevolle spullen en bankgegevens aan verdachte en zijn mededaders te geven. Verdachte en zijn mededaders hebben zich daarbij doelbewust gericht op kwetsbare en vaak oudere personen. Door het handelen van verdachte en zijn mededaders is het vertrouwen dat deze aangevers hadden in de samenleving en in zichzelf geschaad. Dat de impact groot is op slachtoffers blijkt onder andere ook uit de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] . Zij heeft aangegeven dat zij nu zenuwachtig is als er iemand aanbelt en dat zij hierdoor oxazepam moet slikken. Aangever [naam 11] heeft aangegeven dat het voorval nog regelmatig door zijn hoofd spookt en dat hij het gevoel heeft dat het zijn eigen schuld is. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij deze gevolgen voor lief heeft genomen en enkel aan zijn eigen financiële gewin heeft gedacht. Dit wordt nog versterkt door het feit dat verdachte en zijn mededaders op respectloze wijze over de slachtoffers en hun waardevolle spullen praten, spullen die vaak een emotionele betekenis hadden voor de slachtoffers. In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank ook mee dat uit de inhoud van de chatberichten blijkt dat verdachte een sturende en coördinerende rol had. Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte al eerder ter zake van vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank heeft verder onder meer kennisgenomen van het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, gedateerd 30 maart 2026. Hieruit blijkt dat er op meerdere leefgebieden sprake is van instabiliteit. Verdachte heeft geen stabiele dagbesteding en er is sprake van aanzienlijke schuldenproblematiek. Ook zijn er vraagtekens over het sociale netwerk van verdachte. Deze factoren worden als risicovol gezien voor de kans op herhaling. De reclassering adviseert daarom een straf met bijzondere voorwaarden. Daarnaast adviseert de reclassering om aan verdachte een fors voorwaardelijk deel op te leggen, omdat zij twijfelen aan de bereidheid van verdachte om mee te werken. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het bijzonder gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten en in verband met een juiste normhandhaving niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een forse gevangenisstraf. De rechtbank acht vanwege de grote impact die het handelen van verdachte en de mededaders had en gelet op de rol die verdachte hierin vervulde, per oplichting als uitgangspunt een gevangenisstraf van 5 maanden passend. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden is. Aan de proeftijd zullen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals is geadviseerd door de reclassering. Gelet op deze uitspraak zal de rechtbank de voorlopige hechtenis van verdachte niet opheffen danwel schorsen, zoals is verzocht door de verdediging. De rechtbank is van oordeel dat het maatschappelijk belang bij de gevangenhouding van de verdachte nog altijd dient te prevaleren boven zijn persoonlijke belang bij invrijheidstelling, mede ook gelet op zijn strafblad. 8 Beslag Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen: Geldbedrag 19.655 euro (omschrijving: G6741574); Geldbedrag 1.475 euro (omschrijving: G6741522); Telefoon (omschrijving: G6741534); Telefoon (omschrijving: G6741600); Telefoon (omschrijving: G6741616); Telefoon (omschrijving: G6741614); Horloge (omschrijving: G6741595). Verbeurdverklaring Nu met betrekking tot de goederen genoemd onder 3 tot en met 5 en 7 het bewezen geachte is begaan, dienen deze voorwerpen verbeurd te worden verklaard. Retour verdachte Het geld vermeld op de beslaglijst onder 2 moet worden teruggegeven aan verdachte. De telefoon vermeld onder 4 en 6 op de beslaglijst moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu deze niet is gebruikt bij het plegen van het bewezen geachte. Nu geen nader onderzoek heeft plaatsgevonden aan deze telefoon kan niet worden gesteld dat in strijd is met het algemeen belang. Retour [naam 12] Het geld vermeld op de beslaglijst onder 1 moet worden teruggegeven aan [naam 12] . 9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel 9.1. Algemene overweging over immateriële schade Er bestaat alleen recht op immateriële schade als dit uit de wet voortvloeit. Die schade moet in verband staan met het strafbare feit. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, Burgerlijk Wetboek (BW) kan immateriële schade worden toegewezen indien sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Daarvan kan sprake zijn als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen of wanneer door de aard en de ernst van de normschending sprake is van een aantasting in zijn of haar persoon ‘op andere wijze’. Degene die zich beroept op de aantasting in zijn persoon moet met concrete gegevens deze aantasting onderbouwen. Dit is alleen anders als de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. 9.2. Benadeelde partij [aangever 4] De benadeelde partij [aangever 4] vordert betaling van € 500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [aangever 4] voor deze aantasting in de persoon voldoende heeft gesteld. Daarbij is van belang dat een oplichting, onder de omstandigheden waarop die in deze zaak heeft plaatsgevonden, door het zich telefonisch voordoen als politieagent die zegt dat er in de buurt is ingebroken en [aangever 4] vervolgens ervan overtuigd behulpzaam te willen zijn, het vertrouwen van haar wint en dat vervolgens een ander de woning betreedt om zoveel mogelijk goederen weg te nemen onder de noemer van die hulp, levert niet alleen een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer op, maar heeft voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen (angst en achterdocht) nadat zij bekend wordt te zijn opgelicht dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon. De gevolgen liggen ook voor de hand. Er kan daarom naar het oordeel van de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Dit brengt de rechtbank ertoe de schade te begroten op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (14 mei 2024) tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van [aangever 4] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. 9.3. Benadeelde partij [aangeefster 1] De benadeelde partij [aangeefster 1] vordert betaling van € 120,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [aangeefster 1] voor deze aantasting in de persoon voldoende heeft gesteld. Ook in de zaak van [aangeefster 1] is telefonisch contact met haar gezocht en is gezegd dat de persoon van de politie is en behulpzaam wil zijn. Tegen haar is gezegd dat er in de buurt een overval plaatsvond, is ook haar vertrouwen gewekt en zijn onder de noemer van hulp door een politiegent in burger zou zijn, goederen weggenomen. Deze oplichting, deels in een woning, en onder de omstandigheden waaronder die in deze zaak heeft plaatsgevonden, levert niet alleen een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer op, maar heeft voor de bewoner van die woning daarnaast dermate ingrijpende gevolgen (het aanschaffen van een geheim nummer, angstig als iemand belt of als er een vreemde persoon aan de deur komt) dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon. Die gevolgen liggen ook voor de hand. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is geweest van een aantasting ‘op andere wijze’, zodat een vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Dit brengt de rechtbank ertoe de schade te begroten op € 120,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (26 september 2024) tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van [aangeefster 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. 9.4. Benadeelde partij [naam 11] De benadeelde partij [naam 11] vordert betaling van € 500,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte van het feit waarvoor vergoeding wordt gevorderd wordt vrijgesproken. De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen. 9.5. Benadeelde partij [benadeelde partij 1] De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert betaling van € 1.520,- aan vergoeding voor materiële schade en € 750,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ten aanzien van de materiële schade Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De hoogte van de vordering is toegelicht en onderbouwd en die toelichting en onderbouwing is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (23 mei 2024) tot aan de dag der algehele voldoening. Ten aanzien van de immateriële schade De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] voldoende heeft gesteld dat er van een aantasting in de persoon sprake is. Ook [benadeelde partij 1] is gebeld door iemand die zich voordeed als politieagent, ze vertrouwede het eerst niet maar is toch overtuigd geraakt, omdat die persoon veel informatie over haar had. Vervolgens is er ook bij haar iemand in de woning geweest om goederen weg te nemen onder de noemer van hulp. [benadeelde partij 1] zag later dat er geld van haar rekening was afgeschreven en bevroor. Zij kreeg het benauwd, begin te trillen en kon niet geloven wat haar was overkomen. Ze was angstig dat ze zelf iemand toegang tot haar woning had gegeven. Haar vertrouwen in de medemens en instanties is geschaad. Zij heeft het gevoel in de gaten te worden gehouden. Deze oplichting, deels in een woning, en onder de omstandigheden waaronder die in deze zaak heeft plaatsgevonden, levert niet alleen een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer op, maar heeft daarnaast voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon. De gevolgen liggen ook voor de hand. De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is geweest van een aantasting ‘op andere wijze’, zodat een vergoeding van immateriële schade kan worden toegekend. De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Dit brengt de rechtbank ertoe de schade te begroten op € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (23 mei 2024) tot aan de dag der algehele voldoening. Als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partij wordt aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij zal in het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van [benadeelde partij 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. 9.6. Benadeelde partij [benadeelde partij 2] De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 2.350,- aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is betwist, omdat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de oplichting van [benadeelde partij 2] . De rechtbank is van oordeel dat aan [benadeelde partij 2] door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Verdachte wordt weliswaar vrijgesproken van de oplichting van [benadeelde partij 2] , maar wordt wel veroordeeld voor de oplichting van [benadeelde partij 1] . Door de oplichting van [benadeelde partij 1] heeft benadeelde partij [benadeelde partij 2] rechtstreekse schade opgelopen, omdat haar goederen zijn meegenomen gedurende de oplichting. De gevorderde schadevergoeding is toegelicht en onderbouwd en voor wat betreft de hoogt n iet betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (23 mei 2024) tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. In het belang van [benadeelde partij 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. 10 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 63, 139g, 311, 326, 420bis van het Wetboek van Strafrecht. 11 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd; Ten aanzien van feit 3: witwassen; Ten aanzien van feit 4: niet-openbare gegevens verwerven of voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen, meermalen gepleegd. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden. Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden dat: veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak; veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek die uit de diagnostiek naar voren komt; veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verklaart verbeurd: 3. Telefoon (omschrijving: G6741534); 5. Telefoon (omschrijving: G6741616); 7. Horloge (omschrijving: G6741595). Gelast de teruggave aan [de verdachte] van: 2. Geldbedrag 1.475 euro (omschrijving: G6741522). 4. Telefoon (omschrijving: G6741600) 6. Telefoon (omschrijving: G6741614) Gelast de teruggave aan [naam 12] van: 1. Geldbedrag 19.655 euro (omschrijving: G6741574). Benadeelde partij [aangever 4] Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever 4] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever 4] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Benadeelde partij [aangeefster 1] Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 120,- (honderdtwintig euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 120,- (honderdtwintig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 september 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Benadeelde partij [naam 11] Verklaart niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen. Benadeelde partij [benadeelde partij 1] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 1.520,- (vijftienhonderdtwintig euro) aan vergoeding voor materiële schade en € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 2.020,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 20 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Benadeelde partij [benadeelde partij 2] Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 2.350,- (tweeduizend driehonderdvijftig euro) aan vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 2.350,- (tweeduizend driehonderdvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (23 mei 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 23 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Dit vonnis is gewezen door mr. A.K. Glerum, voorzitter, mrs. M. Nieuwenhuijs en M.P.N. Gommers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Buiskool, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 juli 2026. [--] In de voetnoten wordt, tenzij anders vermeld, steeds verwezen naar bewijsmiddelen in het dossier, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld gaat het hierbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2024111013-17 d.d. 3 februari 2025, p. 95 Zaaksdossier [dossier 1] . Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 februari 2025, p. 103 Zaaksdossier [dossier 1] . Proces-verbaal van bevindingen herkenning [de verdachte] d.d. 25 maart 2025, p. 120 Zaakdossier [dossier 1] . Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 4] d.d. 15 juni 2026, p. 2. Proces-verbaal van observatie 30 mei 2024 d.d. 3 juni 2024 p. 77 Zaaksdossier [dossier 1] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 20315619 d.d. 31 januari 2025, p. 173 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 20315619 d.d. 31 januari 2025, p. 175 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21930683 d.d. 19 januari 2026, p. 81 Algemeen dossier [dossier 3] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21734939 d.d. 4 december 2025, p. 94 en p. 95 Algemeen dossier [dossier 3] . Proces-verbaal van aangifte met nummer 240503-397-938 d.d. 3 mei 2024, p. 125 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1500-2024152108-2 d.d. 14 mei 2024, p. 1 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1500-2024152108-2 d.d. 14 mei 2024, p. 2 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2024152108-7 d.d. 14 mei 2024, p. 64 en 65 Aanvullend proces-verbaal 1 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2024153108 d.d. 24 oktober 2024, p. 1538 Aanvullend proces-verbaal 5 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2024152108 d.d. 16 mei 2024, p. 69 Zaaksdossier [dossier 2] en Proces-verbaal van bevindingen met nummer 100 d.d. 26 juni 2024, p. 15 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 100 d.d. 26 juni 2024, p. 15 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 2024152108 d.d. 16 mei 2024, p. 69 Zaaksdossier [dossier 2] . Proces-verbaal van aangifte [benadeelde partij 1] d.d. 24 mei 2024, p. 32 t/m 34 Zaaksdossier [dossier 1] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2024111013-17 d.d. 3 februari 2025, p. 95 Zaaksdossier [dossier 1] . Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 februari 2025, p. 103 Zaaksdossier [dossier 1] . Proces-verbaal aangifte [aangeefster 1] d.d. 26 september 2024, p. 21 Zaaksdossier PL0600-2024453336. Proces-verbaal aangifte [aangeefster 1] d.d. 26 september 2024, p. 22 Zaaksdossier PL0600-2024453336. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2024453336-28 d.d. 27 september 2024, p. 18 Zaaksdossier PL0600-2024453336. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2024453336-6 d.d. 26 september 2024, p. 27 Zaaksdossier PL0600-2024453336. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2024453336-57 d.d. 29 september 2024, p. 48 Zaaksdossier PL0600-2024453336 en proces-verbaal van bevindingen met nummer PL0600-2024453336-89 d.d. 6 oktober 2024, p. 104 en p. 105 Zaaksdossier PL0600-2024453336. Proces-verbaal van aangifte [aangeefster 2] d.d. 2 oktober 2024, p. 17 Zaaksdossier PL1100-2024219208. Proces-verbaal van aangifte [aangeefster 2] d.d. 2 oktober 2024, p. 18 Zaaksdossier PL1100-2024219208. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2024219177-4 d.d. 3 oktober 2024, p. 20 Zaaksdossier PL1100-2024219208. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2024219208-59 d.d. 15 oktober 2024, p. 40 Zaaksdossier PL1100-2024219208. Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2024219208-59 d.d. 15 oktober 2024, p. 41 Zaaksdossier PL1100-2024219208. Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming met nummer 2024172805 d.d. 25 november 2025, p. 33 Algemeen dossier [dossier 3] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21731885 d.d. 27 november 2025, p. 63 Algemeen dossier [dossier 3] . De verklaring die verdachte ter terechtzitting op 17 juli 2026 heeft afgelegd. Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21734939 d.d. 4 december 2025, p. 94 en p. 95 Algemeen dossier [dossier 3] Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21734939 d.d. 4 december 2025, p. 97 Algemeen dossier [dossier 3] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21734939 d.d. 4 december 2025, p. 111-113 Algemeen dossier [dossier 3] . Proces-verbaal van bevindingen met nummer 21734939 d.d. 4 december 2025, p. 101, 102, 104 en 109 Algemeen dossier [dossier 3] .

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291185 · 2026-08-22
