# Rechtbank Amsterdam, 30-07-2026 (13-138401-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7781
- Date: 2026-07-30
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7781
- Canonical: https://overview.legal/posts/291186
- Topics: Personal Data

## Summary

EAB Zweden; overlevering toegestaan

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-138401-26 Datum uitspraak: 30 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 21 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 8 mei 2026 door the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime , Zweden, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Zweden) op [geboortedag] 2000, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd [detentie adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 9 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 9 juli 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Engelse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst, omdat er een tolk in de Engelse taal was opgeroepen in plaats van een tolk in de Zweedse taal. Zitting van 16 juli 2026 Op de zitting van 16 juli 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Zweedse taal. De raadsman heeft geen inhoudelijke verweren gevoerd ten aanzien van het overleveringsverzoek. De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Zweedse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt twee vonnissen, namelijk een vonnis van the Malmö District Court van 17 december 2020 met kenmerk B 5681-20 (hierna ‘ vonnis I ’) en een vonnis van the Malmö District Court van 21 december 2022 met kenmerk B 11507-22 (hierna ‘ vonnis II ’). In vonnis I is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee jaren en zes maanden. Hij heeft hiervan volgens het EAB twee jaren ondergaan, waarna hij voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. In vonnis II is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een vrijheidsstraf van twee maanden en is tevens de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen, waardoor hij alsnog de resterende zes maanden van de in vonnis I aan hem opgelegde vrijheidsstraf moet ondergaan. De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld in de hiervoor genoemde vonnissen en hij moet deze straffen ondergaan in Zweden. De hiervoor genoemde veroordelingen zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot beide beslissingen hebben geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Zoals onder 3. is overwogen is de opgeëiste persoon ten aanzien van de straf van vonnis I na twee jaren voorwaardelijk in vrijheid gesteld, met een strafrestant van zes maanden. Uit het EAB volgt dat de reden voor de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is dat de opgeëiste persoon een nieuw strafbaar feit heeft gepleegd en hiervoor is veroordeeld in vonnis II. Deze ‘triggerende’ veroordeling moet de rechtbank toetsen aan artikel 12 OLW. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt namelijk dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW. Zoals hiervoor is overwogen doet deze weigeringsgrond zich niet voor omdat de opgeëiste persoon aanwezig was bij het proces dat tot vonnis II heeft geleid. 5 Strafbaarheid 5.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit waarop vonnis I ziet aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Zweden maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 5.2 Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit waarop vonnis II ziet niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. De rechtbank stelt vast dat het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. Het feit levert naar Nederlands recht op: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Aan de opgeëiste persoon is voor dit feit geen vrijheidsstraf van ten minste vier maanden opgelegd. De rechtbank stelt echter vast dat het EAB betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van meerdere vrijheidsstraffen en dat de andere vrijheidsstraf wel voldoet het vereiste van artikel 7, eerste lid, onder b OLW. Gelet op artikel 7, zesde lid, OLW kan daarom de overlevering ook voor vonnis II worden toegestaan. 6 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 7 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2 en 10 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW. 8 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime (Zweden) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 30 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting) ). Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291186 · 2026-08-22
