# Rechtbank Midden-Nederland, 29-07-2026 (12128188 \ MC EXPL 26-1199)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:5310
- Date: 2026-07-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A5310
- Canonical: https://overview.legal/posts/291187

## Summary

reiskosten NS-Businesscard, gedaagde verklaart kaart niet te hebben ontvangen

## Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 12128188 \ MC EXPL 26-1199 Vonnis van 29 juli 2026 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NS REIZIGERS B.V. , gevestigd in Utrecht, eisende partij, hierna te noemen: NS Reizigers, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde] , gevestigd in [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , vertegenwoordigd door de heer [gemachtigde] . 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van NS; - de conclusie van antwoord van [gedaagde] ; - de conclusie van repliek van NS; - de conclusie van dupliek van [gedaagde] . 1.2 Vervolgens is vonnis bepaald. 2 De kern van de zaak 2.1 NS wil dat [gedaagde] € 354,33 betaalt voor gemaakte reiskosten met een NS-Business Card (een OV-chipkaart voor zakelijke partijen) in de periode oktober 2024 tot en met januari 2025. [gedaagde] is het daar niet mee eens. De kantonrechter stelt NS in het gelijk en wijst het bedrag toe. Ook moet [gedaagde] wettelijke handelsrente, buitengerechtelijke kosten en de proceskosten betalen. 3 De beoordeling [gedaagde] moet de hoofdsom betalen 3.1 Tussen partijen bestaat sinds 1 februari 2018 een overeenkomst NS Business Card. Op grond van deze overeenkomst heeft [gedaagde] een NS-Business Card bij NS besteld. Omdat de geldigheidsduur van deze kaart verstreek heeft NS op 10 juli 2024 een nieuwe (geactiveerde) kaart naar [gedaagde] opgestuurd. [gedaagde] voert aan dat zij de nieuwe kaart niet heeft ontvangen en dat de reiskosten waarvan betaling wordt gevorderd niet door haar zijn gemaakt. 3.2 [gedaagde] betwist niet dat NS haar enige tijd voor het verlopen van de oude kaart via een e-mail heeft medegedeeld dat er een nieuwe kaart zou worden toegezonden. [gedaagde] had dus alert kunnen en moeten zijn op de ontvangst van de nieuwe kaart. NS heeft de kaart opgestuurd naar het bij haar bekende adres van [gedaagde] . Als [gedaagde] de kaart had willen ontvangen op een ander adres, had [gedaagde] op tijd een adreswijziging moeten doorgeven aan NS. Dat zij dit pas op 21 oktober 2024 heeft gedaan komt voor haar rekening en risico. 3.3 Dat [gedaagde] tijdens het telefoongesprek op 21 oktober 2024 of tijdens het telefoongesprek op 27 november 2024 – welk gesprek volgens NS ging om over het beëindigen van het gebruik van de kaart – aan NS heeft laten weten dat zij de kaart in juli 2024 niet had ontvangen, wordt door NS betwist en is door [gedaagde] niet verder onderbouwd. Wat daar ook van zij, [gedaagde] had volgens de toepasselijke productvoorwaarden NS-Business Card een duplicaat van de kaart moeten aanvragen waarna de oorspronkelijke kaart werd geblokkeerd. Dit is voorgeschreven voor de gevallen verlies en diefstal en het niet ontvangen van een kaart waardoor de kaart ook in handen van een derde is gekomen, kan hiermee gelijk worden gesteld. Door dit niet te doen, heeft [gedaagde] het zelf in de hand gehad dat de kaart kennelijk langere tijd door een ander is gebruikt. 3.4 De slotsom is dat [gedaagde] het gevorderde bedrag van € 354,33 moet betalen. [gedaagde] moet de wettelijke handelsrente betalen 3.5 De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding wordt toegewezen. De verschuldigdheid daarvan volgt uit de wet en wordt ook niet betwist. [gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten betalen 3.6 De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten van € 40,00 moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). NS heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 3.7 [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van NS worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 128,65 - griffierecht € 139,00 - salaris gemachtigde € 174,00 (2 punten × € 87,00) - nakosten € 43,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 485,15 Uitvoerbaar bij voorraad 3.8 De veroordelingen in dit vonnis worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat NS dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde] om aan NS tegen bewijs van kwijting te betalen € 394,33 met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 354,33 vanaf 18 februari 2026 tot de voldoening; 4.2 veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 485,15, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen; 4.3 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. 13702

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291187 · 2026-08-22
