# Rechtbank Midden-Nederland, 31-03-2026 (UTR 25/4130)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:5351
- Date: 2026-03-31
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A5351
- Canonical: https://overview.legal/posts/291188
- Topics: Public Authority, Personal Data

## Summary

BNT WOO niet-ontvankelijk besluit alsnog genomen

## Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/4130 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres (gemachtigde: J. van der Velden), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen , verweerder. Inleiding Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend op 12 juli 2025 omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om informatie, van 2 maart 2025, op grond van de Wet open overheid (Woo). Overwegingen 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het beroep niet tijdig beslissen 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 3. Eiseres heeft het verzoek ingediend op 2 maart 2025. Verweerder heeft het verzoek op 3 maart 2025 ontvangen. In artikel 4.4, eerste lid, van de Woo is bepaald dat het bestuursorgaan zo spoedig mogelijk op het verzoek om informatie beslist, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen. Verweerder had dus uiterlijk op 31 maart 2025 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 22 april 2025 in gebreke gesteld en eiseres heeft meer dan twee weken daarna (op 12 juli 2025) beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. 4. Verweerder heeft op 16 juni 2025 een besluit genomen op het Woo-verzoek van eiseres. Volgens verweerder is dit besluit met bijbehorende bijlagen op 18 juni 2025 via e-mail naar de gemachtigde van eiseres verstuurd. De gemachtigde heeft aan de rechtbank laten weten dat hij deze e-mail niet heeft ontvangen. Hierop heeft verweerder op 21 oktober 2025 opnieuw het besluit met bijbehorende bijlagen naar gemachtigde gemaild. De gemachtigde heeft vervolgens de ontvangst van het besluit met bijlagen bevestigd. 5. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen. Verweerder heeft immers beslist op haar Woo-verzoek en eiseres heeft ook bevestigd dat zij dit besluit met bijlagen heeft ontvangen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Het alsnog genomen besluit 6. Ingevolge artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. 7. Uit de brief van eiseres van 4 november 2025 begrijpt de rechtbank dat zij het niet eens is met het genomen besluit. Aangezien er al een bezwaarprocedure loopt, zal de rechtbank dat deze brief niet doorzenden naar verweerder om als bezwaar te behandelen op het alsnog genomen besluit. Proceskosten 8. De vraag is of eiseres ook recht heeft op een proceskostenvergoeding. Dat is het geval als zij het beroep niet tijdig beslissen heeft ingesteld voordat verweerder het besluit van 16 juni 2025 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. De rechtbank moet dus de vraag beantwoorden wanneer het besluit op de juiste wijze bekend is gemaakt. 9. Tussen partijen is in geschil of verweerder het besluit met het e-mailbericht van 18 juni 2025 op de juiste wijze bekend heeft gemaakt. De rechtbank overweegt hierover als volgt. 10. Op grond van artikel 3:41 van de Awb wordt een besluit bekend gemaakt door toezending of uitreiking aan belanghebbenden (zoals de aanvrager). Op grond van artikel 2:1 gelezen in samenhang met artikel 6:17 van de Awb kan bekendmaking ook plaatsvinden aan een gemachtigde van een aanvrager. Volgens verweerder is het besluit via een e-mail bekend gemaakt aan de gemachtigde van eiseres. 11. Op grond van artikel 2:19 van de Awb is voor het tijdstip van elektronische verzending van een bericht door een bestuursorgaan bepalend het tijdstip waarop het bericht een systeem voor gegevensverwerking bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt. Een systeem waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt, kan het systeem van de geadresseerde zijn of een systeem van een tussenpersoon, zoals een internetprovider. Voor verzending is het voldoende dat het bericht zich buiten het bereik van het bestuursorgaan bevindt (MvT, Kamerstukken II 2001/02, 28483, nr. 3 , p. 42). 12. Verweerder stelt dat hij het besluit met bijlagen op 18 juni 2026 heeft verzonden naar het e-mailadres van de gemachtigde van eiseres. De gemachtigde heeft echter betwist dat hij dit bericht heeft ontvangen. Hierin ligt besloten dat hij betwist dat het bericht is verzonden. Dat betekent dat het op de weg van verweerder ligt om die verzending aannemelijk te maken. Dat kan bijvoorbeeld door het overleggen van een logbestand waaruit blijkt dat, en op welke datum en welk tijdstip, de e-mail vanuit het door verweerder gebruikte systeem voor gegevensverwerking is verzonden naar het systeem van de internetserviceprovider van de belanghebbende. De rechtbank stelt vast dat in het dossier niet een logbestand of een daarmee vergelijkbaar document zit waaruit dit blijkt. Weliswaar zit in het dossier een afschrift van het e-mailbericht van 18 juni 2025 zoals verweerder dat zou hebben verzonden, maar daaruit blijkt onvoldoende dat dit bericht een systeem van gegevensverwerking heeft bereikt waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt. Dat geldt ook voor de toelichting van verweerder dat het bericht is verzonden via een beveiligd e-mailberichten en dat na verzending geen bericht is ontvangen dat het e-mailbericht niet is aangekomen. 13. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het besluit op 18 juni 2025 bekend is gemaakt. De rechtbank gaat daarom ervan uit dat het besluit pas bekend is gemaakt met de e-mail van 21 oktober 2025. 14. Dit betekent dat verweerder het besluit nog niet bekend had gemaakt toen eiseres beroep instelde. Zij heeft daarom terecht het beroep niet tijdig beslissen ingesteld. Dat betekent dat eiseres recht heeft op een proceskostenvergoeding. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 467,-. 15. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door eiseres betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Eiseres zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291188 · 2026-08-22
