# Rechtbank Midden-Nederland, 04-03-2026 (11922777)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:658
- Date: 2026-03-04
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A658
- Canonical: https://overview.legal/posts/291199

## Summary

Consumentenrecht. Ambtshalve toetsing in verstek. Energieleverancier heeft niet voldaan aan de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas. Sanctie van 20%.

## Full text

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht kantonrechter locatie Amersfoort zaaknummer: 11922777 AC EXPL 25-2251 MH/67077 Verstekvonnis van 4 maart 2026 in de zaak van de besloten vennootschap Engie Nederland Retail B.V. , gevestigd in Zwolle, eisende partij, gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders Groningen, tegen: [gedaagde] , wonend in [woonplaats] , gedaagde partij, niet verschenen. 1 De procedure 1.1. De eisende partij heeft gevorderd dat de gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om een bedrag aan haar te betalen, met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend. 1.2. Vervolgens heeft de kantonrechter een tussenvonnis gewezen, waarna de eisende partij een akte met aanvullende stukken in het geding heeft gebracht. 1.3. Daarop volgt nu dit vonnis. 2 De beoordeling 2.1. De vordering is gebaseerd op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument, met betrekking tot de levering van diensten door de handelaar aan de consument. Het is een duurovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd. 2.2. De kantonrechter heeft de eisende partij bij tussenvonnis gevraagd om meer informatie, om te kunnen beoordelen of de eisende partij heeft voldaan aan de voorwaarden van de Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van elektriciteit en gas (hierna: de Regeling). De eisende partij heeft in haar akte uitleg gegeven over de werkzaamheden die zij heeft verricht. Zij heeft bij haar akte de gestuurde herinneringsbrieven aan de gedaagde partij in het geding gebracht. Uit de overgelegde stukken bij de akte blijkt ook dat de eisende partij de gedaagde partij heeft aangemeld bij een schuldhulpverleningsinstantie. Uit de dagvaarding en akte blijkt echter niet dat de eisende partij een redelijke en passende betalingsregeling heeft aangeboden, met een voorstel over de betaling en de afwikkeling van de openstaande vorderingen. Dat is op grond van artikel 4Aa van de Regeling wel vereist voordat de levering van elektriciteit en gas mag worden beëindigd. De kantonrechter is van oordeel dat een sanctie op zijn plaats is. De kantonrechter vermindert de betalingsverplichting van de gedaagde partij met 20%. 2.3. Op de inmiddels beëindigde overeenkomst waren ook consumentenbeschermende bepalingen van toepassing. Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter bij de beoordeling van vorderingen die voortkomen uit zo’n overeenkomst ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de consument daar niet om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. Als die bepalingen niet zijn nageleefd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om dat te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar, eveneens ambtshalve, consequenties aan verbinden. In de regel zal dan (een deel van) de vordering moeten worden afgewezen, zoals ook de niet gebleken naleving van de Regeling leidt tot een gedeeltelijke afwijzing. De beoordeling ziet met name op de naleving van toepasselijke informatieplichten en op de inhoud van algemene voorwaarden. 2.4. Op de overeenkomst waren de informatieplichten van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. De kantonrechter constateert dat die toepasselijke essentiële informatieplichten zijn nageleefd. 2.5. De kantonrechter heeft ook ambtshalve beoordeeld of de eisende partij in de overeenkomst of in de daarop van toepassing zijnde algemene voorwaarden ten aanzien van het toewijsbare deel van de vordering een of meerdere regelingen had opgenomen, die zodanig afwijken van de wettelijke regelingen daarover dat de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld (artikel 6:233 onder a BW), maar dat blijkt niet het geval. 2.6. Voor vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, moet de eisende partij een aanmaning sturen die een juiste termijn vermeldt en ten hoogste de maximaal te vragen kosten in rekening brengt na die termijn (artikel 6:96 lid 5 en 6 BW). Ook dit moet de kantonrechter ambtshalve toetsen. In dit geval is aan de wettelijke eisen voldaan. 2.7. De vordering komt de kantonrechter voor het overige, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, niet ongegrond of onrechtmatig voor. Dat betekent dat een hoofdsom van € 1.108,58 wordt toegewezen, vermeerderd met € 40,00 aan vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en rente, op de in het dictum van dit vonnis vermelde manier. 2.8. Hoewel een deel van de vordering wordt afgewezen is de eisende partij wel terecht tot dagvaarding overgegaan. Gebleken is immers dat zij een (zij het kleinere dan gesteld) vordering heeft op de gedaagde partij, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. Om die reden zal de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. Maar omdat een deel van de vordering wordt afgewezen, dient het griffierecht, voor zover dit een bedrag van € 340,00 te boven gaat, als nodeloos veroorzaakt voor rekening van de eisende partij te blijven. Ook het salaris voor de gemachtigde zal worden bepaald aan de hand van de toewijsbare vordering. 2.9. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op: - dagvaarding € 120,78 - griffierecht € 340,00 - salaris gemachtigde € 144,00 (1 punt x tarief € 144,00) - nakosten € 72,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 676,78; 3 De beslissing De kantonrechter: 3.1. veroordeelt de gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting € 1.148,58 aan de eisende partij te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.108,58 vanaf de vervaldatum van de facturen tot de voldoening; 3.2. veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 676,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen; 3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291199 · 2026-08-22
