# Rechtbank Amsterdam, 06-08-2026 (13-135150-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7935
- Date: 2026-08-06
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7935
- Canonical: https://overview.legal/posts/291200
- Topics: Public Authority, Personal Data, Supervision, Types of Special Categories of Personal Data, Access Controls

## Summary

Executie-EAB uit Hongarije. Voortzetting. Genoegzaamheid: op grond van de aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de overlevering niet wordt gevraagd voor het tweede feit van arrest II, dat is vermeld in het EAB onder e), omdat de opgeëiste persoon niet betrokken is geweest bij het plegen van dit feit. Artikel 12 OLW: op basis van de aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon bij zowel de procedure die heeft geleid tot arrest I, als de procedure die heeft geleid tot arrest II aanwezig is geweest. De weigeringsgrond is niet van toepassing. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-135150-26 Datum uitspraak: 6 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 1 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 5 september 2025 door the Eger Regional Court, Sentence Enforcement Group , Hongarije, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Hongarije), woon- of verblijfadres: [adres], hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 7 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op bovengenoemde zitting, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft geconstateerd dat de oproep voor de zitting op juiste wijze is betekend. Mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, is verschenen, maar heeft verklaard niet door de opgeëiste persoon gemachtigd te zijn om zijn verdediging te voeren. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. De rechtbank heeft de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aanvullende vragen, die verband houden met de genoegzaamheid van het EAB, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen. Zitting van 23 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De rechtbank heeft geconstateerd dat de oproep voor de zitting op juiste wijze is betekend. Mr. D.W.H.M. Wolters is ook op deze zitting - als niet gemachtigd raadsman - verschenen. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een vonnis van the Eger District Court van 26 juni 2023 met kenmerk 3.B.296/2022/11 en een arrest van the Eger Regional Court van 10 oktober 2024 met kenmerk 4.Bf.237/2023/13 (hierna: arrest I); een vonnis van the Eger District Court van 28 mei 2019 met kenmerk 2.B.573/2017/31 en een arrest van the Eger Regional Court van 28 november 2019 met kenmerk 2.Bf.237/2019/7 (hierna: arrest II). Ten aanzien van arrest I wordt de overlevering verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden. Ten aanzien van arrest II wordt de overlevering verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden. De straffen resteren geheel. De opgeëiste persoon is tot deze straffen veroordeeld in de hiervoor genoemde arresten en hij moet deze straffen ondergaan in Hongarije. De hiervoor genoemde arresten zien op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Genoegzaamheid Inleiding Op 7 juli 2026 was het onderzoek ter zitting geschorst, omdat er onduidelijkheid bestond over het tweede feit met pleegdatum 5 mei 2016 waarbij sprake is geweest van een huiszoeking. Dit tweede feit maakt deel uit van het vonnis van 28 mei 2019. De rol en betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij dit feit zijn niet omschreven in het EAB. Onderdeel e) van het EAB en het A-formulier vermelden daarnaast dat de overlevering wordt gevraagd voor drie strafbare feiten, terwijl onderdeel e) van het EAB een beschrijving van vier strafbare feiten bevat. De rechtbank heeft op 7 juli 2026 bepaald meer informatie nodig te hebben over de vraag hoe deze drie strafbare feiten zich verhouden tot het strafbare feit van 5 mei 2016 waarbij sprake is geweest van een huiszoeking en wat de rol van de opgeëiste persoon bij dit feit is geweest, dit ten behoeve van de beoordeling van de genoegzaamheid Aanvullende informatie van 10 juli 2026 Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie van 8 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 10 juli 2026 de volgende informatie en een gecorrigeerde versie van onderdeel e) van het EAB verstrekt: "The European Arrest Warrant issued against the accused, [opgeëiste persoon], consists of three criminal offences. The European Arrest Warrant refers, under section (e), to the judgment of the Eger District Court — case No. 2.B.573/2017/31, dated 28 May 2019 — which became final by the judgment of the Eger Regional Court, acting as the court of second instance — case No. 2.Bf.237/2019/7, on 28th November 2019. By that final judgment, the accused, [opgeëiste persoon], was found guilty of two criminal offences described in the statement of facts No. 1 and No. 3. No. 2 of the statement of facts relates exclusively to the other accused, Szabolcs Szanyi (Defendant No. 1). Regarding to No. 2, [opgeëiste persoon] is not identified as a perpetrator or even as an accomplice. Owing to the formatting characteristics of the judgment, the reference concerning the accused appears only after No. 2, stating that the accused did not possess the statutory authorization required for activities related to the acquisition, possession, and use of narcotic drugs. For the sake of clarity, the Court has removed the irrelevant section from the standard form that is required to be used and encloses the corrected version.” Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is en dat de overlevering kan worden toegestaan. Uit de aanvullende informatie van 10 juli 2026 blijkt dat de overlevering niet wordt gevraagd voor het tweede feit, dat onder arrest II valt en in het EAB onder e) is vermeld, omdat dit feit niet is gepleegd door de opgeëiste persoon. Met deze aanvullende informatie is voor de opgeëiste persoon voldoende duidelijk voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd. Oordeel van de rechtbank De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen. De rechtbank is van oordeel dat het EAB genoegzaam is. Op grond van de aanvullende informatie van 10 juli 2026 stelt de rechtbank vast dat de overlevering niet wordt gevraagd voor het tweede feit van arrest II, dat is vermeld in het EAB onder e), omdat de opgeëiste persoon niet betrokken is geweest bij het plegen van dit feit. Naar het oordeel van de rechtbank is met de omschrijving van de feiten in de gecorrigeerde versie van onderdeel e) van het EAB - in samenhang gelezen met het A-formulier - dan ook voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon voor welke feiten zijn overlevering wordt gevraagd en wat zijn betrokkenheid daarbij zou zijn geweest. Hiermee is het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Artikel 2 OLW staat niet aan overlevering in de weg. 5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie van 8 juni 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 1 juli 2026 de volgende informatie verstrekt: “1. Point (d)(1) of the European Arrest Warrant was completed with reference to two court judgments because the defendant was personally present when both judgments were delivered: a) Judgment No. 3.B.296/2022/11 of the Eger District Court, dated 26th June 2023 — final decision: Judgment No. 4.Bf.237/2023/13 of the Eger Regional Court, acting as the court of second instance, which became final on 10th October 2024; b) Judgment No. 2.B.573/2017/31 of the Eger District Court, dated 28th May 2019 — final decision: Judgment No. 2.Bf.237/2019/7 of the Eger Regional Court, acting as the court of second instance, which became final on 28 November 2019. 2. Both the judgments referred to in points 1(a) and 1(b) above are final decisions, and no further ordinary appeal lies against either of them. 3. Neither judgment is subject to any ordinary appeal. 4. The execution of the sentence imposed by the judgment referred to in point 1(b) was ordered by the judgment referred to in point 1(a) because the defendant was sentenced to an unconditional term of imprisonment for committing a further criminal offence during the probationary period. 5. The judgment referred to in point 1(a) ordered the execution of the sentence. 6. By the judgment referred to in point 1(a), the convicted person was found guilty of committing a further criminal offence. 7. The judgment referred to in point 1(a) also ordered the execution of the sentence imposed by the 2019 judgment. 8. The court has no discretion when ordering the execution of the sentence, as this is mandatory by operation of law pursuant to Section 87(b) of Act C of2012 on the Criminal Code.” Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie van 2 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 6 juli 2026 de volgende informatie en een gecorrigeerde versie van onderdeel d) in het EAB verstrekt (zie laatste pagina): 1. Yes, the person concerned was personally present at both hearings that resulted in the adoption of the two decisions. 1a) Judgment No. 3.B.296/2022/11 of the Eger District Court, dated 26 June 2023 — final judgment: Judgment No. 4.Bf.237/2023/13 of the Eger Regional Court, acting as the court of second instance, dated 10 October 2024, which ordered the enforcement of the custodial sentence imposed by the judgment referred to in point 1.b). 1b) Judgment No. 2.B.573/2017/31 of the Eger District Court, dated 28 May 2019 —final judgment: Judgment No. 2.Bf.237/2019/7 of the Eger Regional Court, acting as the court of second instance, dated 28 November 2019, which ordered the enforcement of the custodial sentence referred to in the judgment specified in point 1.a). Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon bij beide procedures aanwezig is geweest. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom arrest I en arrest II toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt op basis van de aanvullende informatie van 1 en 6 juli 2026 vast dat de opgeëiste persoon bij zowel de procedure die heeft geleid tot arrest I, als de procedure die heeft geleid tot arrest II aanwezig is geweest. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet van toepassing. 6 Strafbaarheid 6.1 Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één van de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten: illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Hongarije maximaal een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van dit feit geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is. 6.2 Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Eger Regional Court, Sentence Enforcement Group , Hongarije voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. E. van den Brink en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291200 · 2026-08-22
