# Rechtbank Amsterdam, 29-07-2026 (13-087391-25)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7740
- Date: 2026-07-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7740
- Canonical: https://overview.legal/posts/291208
- Topics: Personal Data, Public Authority, Law Enforcement

## Summary

Executie-EAB uit Polen. Tussenuitspraak. Meerdere vonnissen. Artikel 12 OLW. Ten aanzien van vonnis II: afzien van toepassing van de weigeringsgrond. Ten aanzien van vonnis I en vonnis III: nadere vragen stellen. Ten aanzien van vonnis IV: sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Omzettingsbeslissing hoeft niet aan artikel 12 OLW te worden getoetst.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-087391-25 Datum uitspraak: 29 juli 2026 TUSSEN-UITSPRAAK op de vordering van 28 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 17 februari 2026 door the Regional Court in Kielce , Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres 1] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 15 juli 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt: een vonnis van the Local Court in Starachowice van 4 maart 2024, met kenmerk II K 5/24 (hierna: vonnis I); een vonnis van the Local Court in Starachowice van 6 februari 2024, met kenmerk II K 1103/23 (hierna: vonnis II); een vonnis van the Local Court in Starachowice van 28 februari 2024, met kenmerk II K 106/24 (hierna: vonnis III); en een vonnis van the Local Court in Jastrzębie-Zdrój van 25 januari 2018, met kenmerk II K 565/17 (hierna: vonnis IV). De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, voor de duur van: ten aanzien van vonnis I: twee jaren. Deze straf resteert nog geheel; ten aanzien van vonnis II: één jaar. Deze straf resteert nog geheel; ten aanzien van vonnis III: zeven maanden. Deze straf resteert nog geheel; ten aanzien van vonnis IV: zes maanden en een werkstraf van één jaar en zes maanden. De werkstraf is bij beslissing van the Local Court in Starachowice van 26 april 2024, met kenmerk II Ko 370/24 (Wpkz 168/24) omgezet in een gevangenisstraf (hierna: de omzettingsbeslissing). Uit het originele Poolse EAB en de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 juni 2026 blijkt dat van deze straf nog 227 dagen resteren. Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt onder D): “ (…)  I, II, III, IV No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision; (…)  ( (a) I the person was summoned in person on 8 February 2024; II the person was summoned in person on 6 February 2024; III the person was summoned in person on 20 February 2024; IV the person was summoned in person on 14 November 2017 and thereby informed of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision and was informed that a decision may be handed down if he/she does not appear for the trial; ” Desgevraagd heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 19 juni 2026 aanvullende informatie verstrekt ten aanzien van vonnis II: “ 1. Section B of judgement II handed down by the Local Court in Starachowice (IIK 1103/23) shows the correct date of the summons, because a pickup notice for the summons was left for the addressee for the second time on 30/01/2024, and in reliance on that date this Court deemed the summons served upon the addressee on 06/02/2024 (Article 133 § 2 of the Code of Criminal Procedure). ” Op nadere vragen van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 2 juli 2026 nogmaals aanvullende informatie verstrekt ten aanzien van vonnis II: “ (…) 1. The first summons to the convicted person [opgeëiste persoon] was sent on 19/01/2024. 2. During the course of pre-trial proceedings, the convicted person [opgeëiste persoon] was interviewed twice, and on the two occasion she supplied her registered residential address, being the same as her mailing address, that is [adres 2] . 3. Yes. The summons to court was sent to the address supplied by the convicted person. 4. Yes. At the stage of pre-trial proceedings, the convicted person [opgeëiste persoon] received a guidance note: a. about obligations incumbent on her, including the obligation to inform the authorities about any change of her address (Article 139 of the Code of Criminal Procedure), and b. about consequences of a failure to comply with that obligation, during the first interview on 12/11/2023 and during the second interview on 11/12/2023, and she personally acknowledged it with her signature. Furthermore, the convicted persons acknowledged receipt of a letter from the Local Court in Starachowice, mailed to the address supplied by her, whereby she was advised about an option to continue with criminal proceedings without a defendant's appearance. ” Standpunt van de raadsman De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon heeft over vonnis I, II en III verklaard dat zij niet bij de zittingen aanwezig is geweest en ook niet van de zittingen of de uitspraken op de hoogte is gebracht. De opgeëiste persoon is met betrekking tot vonnis II en vonnis III gehoord en zij heeft verklaard een gewijzigd adres te hebben doorgegeven bij de Poolse autoriteiten. Het is echter niet duidelijk of de opgeëiste persoon door de Poolse autoriteiten op de hoogte is gebracht van de datum en de plaats van de processen die tot de beslissingen in vonnis I, II en III hebben geleid. De overlevering van de opgeëiste persoon kan alleen worden toegestaan wanneer een verzetgarantie van de Poolse autoriteiten wordt ontvangen. De raadsman heeft geen standpunt ingenomen over vonnis IV en de omzettingsbeslissing. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon is op de hoogte gebracht van de zittingen. Zij is met betrekking tot vonnis I, III en IV in persoon gedagvaard, waardoor de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW zich voordoet. Voor vonnis II kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 juni 2026 en 2 juli 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon een adres heeft opgegeven, dat zij een adresinstructie heeft ondertekend en dat tweemaal een ‘ pickup notice ’ naar het door haar opgegeven adres is verzonden. De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen over de omzettingsbeslissing. Oordeel van de rechtbank Ten aanzien van vonnis II De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, onder a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW is verstrekt. Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 19 juni 2026 en 2 juli 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende het voorbereidend onderzoek op 12 november 2023 en 11 december 2023 als verdachte is gehoord. Zij heeft toen een adresinstructie gekregen, waaruit de verplichting tot het doorgeven van een adreswijziging bleek. Daarbij is zij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van deze adresinstructie getekend. Tijdens de verhoren heeft de opgeëiste persoon een adres opgegeven. De oproep voor de zitting die heeft geleid tot vonnis II is op 19 januari 2024 en 30 januari 2024 aan het door de opgeëiste persoon opgegeven adres gezonden, maar niet door haar opgehaald. De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, dan is zij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot haar bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staat dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsman wordt verworpen. Ten aanzien van vonnis I en vonnis III De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van vonnis I en vonnis III de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij de processen die tot deze beslissingen hebben geleid. In onderdeel D) van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in beide gevallen in persoon is gedagvaard, net als dat dit ook zo staat vermeld ten aanzien van vonnis II. De rechtbank heeft echter hiervoor vastgesteld dat uit aanvullende informatie is gebleken dat ten aanzien van vonnis II toch geen sprake is geweest van een dagvaarding in persoon, maar een naar de Poolse wet rechtsgeldige betekening die door de uitvaardigende autoriteit is benoemd als een dagvaarding in persoon, maar waarbij niet kan worden vastgesteld dat deze de opgeëiste persoon ook daadwerkelijk heeft bereikt. Daarmee is ten aanzien van vonnis II geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Ten aanzien van vonnis I en vonnis III heeft de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding op 28 mei 2026 en ter zitting wederom verklaard dat zij ook geen oproepingen heeft ontvangen voor de zittingen die hebben geleid tot vonnis I en vonnis III. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie met betrekking tot de uitoefening van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon in de procedures in Polen die hebben geleid tot vonnis I en vonnis III. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen met betrekking tot die procedures aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen: Begrijpt de rechtbank uit de informatie in onderdeel D) van het EAB correct dat de opgeëiste persoon - in tegenstelling tot wat gebleken is ten aanzien van vonnis II - in vonnis I en vonnis III daadwerkelijk in persoon is gedagvaard, oftewel dat vaststaat dat zij ten aanzien van beide vonnissen de dagvaarding persoonlijk in ontvangst heeft genomen? Indien de opgeëiste persoon niet daadwerkelijk in persoon is gedagvaard, maar voor de Poolse wetgeving rechtsgeldig is opgeroepen voor de rechtszitting, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden voor zowel vonnis I als voor vonnis III: a. Heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop zij gedurende het proces bereikbaar moest zijn voor de Poolse autoriteiten? b. Zo ja, is haar meegedeeld dat zij iedere adreswijziging aan de Poolse autoriteiten moest doorgeven en is zij gewezen op de gevolgen van het niet nakomen van deze verplichting? c. Heeft de opgeëiste persoon op enig moment adreswijzigingen doorgegeven? d. Is de oproeping voor het proces ook daadwerkelijk aan het door de opgeëiste persoon in deze procedure opgegeven adres gezonden? e. Zijn er andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon wist van de strafrechtelijke procedure? Ten aanzien van vonnis IV Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op 14 november 2017 in persoon is gedagvaard. Zij is daarbij op de hoogte gebracht van de datum en de plaats van het voorgenomen proces. Ook is haar toen duidelijk gemaakt dat een beslissing kan worden genomen wanneer zij niet zou verschijnen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat zij in 2017 aanwezig is geweest bij een zitting in deze procedure en dat zij wist van de veroordeling. Hierdoor staat op ondubbelzinnige wijze vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces. Daarmee oordeelt de rechtbank - anders dan met betrekking tot vonnis I en vonnis III - dat is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon ten aanzien van vonnis IV in persoon is gedagvaard. Dit betekent dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. De weigeringsgrond is daarom niet van toepassing. Ten aanzien van de omzettingsbeslissing Door partijen is geen standpunt ingenomen ten aanzien van de omzettingsbeslissing. De rechtbank overweegt volledigheidshalve als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Daarnaast volgt uit het arrest van het HvJ EU van 9 oktober 2025 dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien - kort gezegd - aan de betrokkene, ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf, een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over beoordelingsruimte. Het gaat dan om beoordelingsruimte bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf en/of om beoordelingsruimte bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Naar aanleiding van de door het IRC op 18 juni 2026 gestelde vragen heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 19 juni 2026 aanvullende informatie verstrekt. Hieruit volgt dat de vrijheidsbenemende straf van 227 dagen geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling in het vonnis. Verder is de volgende informatie verstrekt: “(…) 4. It was an absolute conversion of a sentence. 5. The[re] was no discretion. It was a mandatory conversion of a community sentence remained to be served into a prison sentence. ” Het IRC heeft op 1 juli 2026 nadere vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de omzettingsbeslissing. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 2 juli 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “(…) 5. The sentence of imprisonment was activated by the Local Court in Starachowice in a court case ref. II Ko 370/24 (Wpkz 168/24), because the convicted person [opgeëiste persoon] had not complied with her community sentence. 6. The community work was meant to be a separate sentence rather than a condition for the suspension of another sentence. 7. The convicted person [opgeëiste persoon] did not commit another offence while on probation. 8. No other circumstances occurred that would have resulted in the conversion of the community sentence into the prison sentence. ” De rechtbank begrijpt uit deze aanvullende informatie dat de Poolse rechter in dit geval geen beoordelingsruimte had bij de omzetting van de vrijheidsbeperkende straf in een gevangenisstraf, en evenmin bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf. Daarom valt deze beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. 5 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; mishandeling; medeplegen van mishandeling; mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening; diefstal door twee of meer verenigde personen; diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd. 6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 7 Beslissing HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 4 geformuleerde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen. BEPAALT dat de zaak wegens het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 23 augustus 2026 uiterlijk op 13 augustus 2026 opnieuw op zitting wordt gepland. BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsman. BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. de Bie, voorzitter, mrs. M. Westerman en L. Baroud, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 ( Minister for Justice and Equality (Herroeping van de opschorting )). HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 ( Abbottly ). Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) .

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291208 · 2026-08-22
