# Rechtbank Amsterdam, 07-08-2026 (13/038940-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:7948
- Date: 2026-08-07
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A7948
- Canonical: https://overview.legal/posts/291213
- Topics: Minors, Liability, Consent, Criminal Data, Public Authority, Personal Data, Law Enforcement, Identification, Monitoring, Notification Obligation

## Summary

Verdachte wordt vrijgesproken van criminele uitbuiting van een minderjarige. Hij wordt veroordeeld voor (poging tot) oplichting van meerdere slachtoffers op leeftijd (zogenoemde helpdeskfraude), heling van niet-openbare gegevens (art. 139g Sr) en de bedreiging van een verbalisant. Oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de oplegging van bijzondere voorwaarden (met een proeftijd van 3 jaren). Toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

## Full text

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Afdeling Publiekrecht Teams Strafrecht Parketnummer: 13/038940-26 Datum uitspraak: 7 augustus 2026 Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] . 1 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 juli 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Leuven en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft tevens kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en van wat namens hen naar voren is gebracht. 2 Tenlastelegging Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd - ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan 1. medeplegen van oplichting van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 2] en/of [benadeelde partij 3] in de periode van 8 januari 2026 tot en met 30 januari 2026 in Amsterdam en/of Hoofddorp en/of Sint-Michielsgestel, althans in Nederland; 2. medeplegen van poging tot oplichting van [benadeelde partij 1] op 5 februari 2026 in Amsterdam, althans in Nederland; 3. medeplegen van mensenhandel (criminele uitbuiting) van de minderjarige [naam minderjarige slachtoffer] op 5 februari 2026 in Amsterdam en/of Almere, althans in Nederland; 4. bedreiging van verbalisant [naam verbalisant] op 5 februari 2026 in Amsterdam; 5. medeplegen van heling van niet-openbare gegevens op of omstreeks 5 februari 2026 in Amsterdam, althans in Nederland. De volledige (gewijzigde) tenlastelegging staat in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad. 3 Voorvragen De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten op grond van de inhoud van het dossier. 4.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van feit 3 vanwege gebrek aan bewijs. Ten aanzien van de feiten 1, 2, 4 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot feit 5 heeft de raadsman zich ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat geen sprake is van verwerven op 5 februari 2026. 4.3. Het oordeel van de rechtbank Feiten 1 en 2: medeplegen van (poging tot) oplichting De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde kan worden bewezen, zoals hierna in rubriek 5 vermeld. De rechtbank baseert dat oordeel op de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte op zitting inhoudende dat hij deze feiten bekent. Feit 3: criminele uitbuiting (vrijspraak) De vraag die voorligt is of kan worden bewezen dat verdachte zich – met betrekking tot de onder 2 bewezenverklaarde poging tot oplichting – heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van criminele uitbuiting (mensenhandel) van de minderjarige [naam minderjarige slachtoffer] samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Juridisch kader Mensenhandel is strafbaar gesteld in artikel 273f Sr. Artikel 273f Sr beoogt bescherming te bieden tegen de aantasting van de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van personen. In deze zaak zijn de volgende sub-leden van artikel 273f Sr belang. Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van de ander, terwijl die ander nog geen 18 jaar oud is. Het gaat om de activiteiten om iemand in de positie te brengen, waarin deze bewogen dan wel gedwongen kan worden zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten. Het daadwerkelijke bewegen dan wel dwingen tot het verrichten van arbeid en/of diensten is strafbaar gesteld in sub 4. De handelingen omschreven in sub 2 zijn slechts strafbaar als deze zijn begaan met het oogmerk van uitbuiting. Met andere woorden: de gedragingen moeten zijn gericht op de uitbuiting van personen. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr is bepaald, voor zover thans van belang, dat ‘uitbuiting ten minste omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij’. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een oogmerk van uitbuiting zijn er meerdere invalshoeken die - gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad - moeten worden beschouwd, en die beoordeling is in ieder geval sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Factoren die een rol kunnen spelen bij de beantwoording van die vraag zijn onder meer: de aard en duur van de werkzaamheden, de beperkingen die de tewerkstelling meebrengt voor degene die het werk verricht, en het economisch voordeel (het profijt) dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. De in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven worden als referentiekader gehanteerd. Uitbuiting veronderstelt een bepaalde mate van onvrijwilligheid, die ziet op de onmogelijkheid om zich aan een bepaalde situatie te onttrekken. Het slachtoffer wordt in een situatie gebracht of gehouden waarin hij redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan zich te laten exploiteren. Uit jurisprudentie lijkt te volgen dat uitbuiting eerder aan de orde is in het geval van (zeer) kwetsbare slachtoffers, zoals minderjarigen, illegalen, verslaafden en schuldenaren, en als het gaat om het uitvoeren van strafbare activiteiten in plaats van het verrichten van andere arbeid. Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr Artikel 273f, eerste lid, sub 4 Sr stelt het gebruik van iemand in een uitbuitingssituatie strafbaar. Het gaat om de situatie waarbij een ander met een dwangmiddel (zoals genoemd in sub 1) wordt gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, of waarbij onder de in sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling wordt ondernomen waarvan men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor daartoe beschikbaar stelt. Gedoeld wordt op degenen die gebruik maken van de uitbuitingssituatie van een ander, welke uitbuitingssituatie zij overigens niet zelf hoeven te hebben gecreëerd. De gedragingen in sub 4 volgen veelal op de gedragingen in sub 2, maar ze kunnen elkaar ook overlappen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat, hoewel ‘uitbuiting’ als zodanig niet in de tekst van sub 4 is opgenomen, dit daarin wel moet worden ingelezen en daarmee een impliciet bestanddeel daarvan vormt. De gedragingen, bedoeld in sub 4, kunnen slechts als mensenhandel worden bestraft, indien uit de bewijsvoering volgt dat zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr Strafbaar op grond van Artikel 273f, eerste lid, sub 6 Sr is degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander. Opzet is als bestanddeel opgenomen, omdat anders onachtzaam handelen onder deze bepaling zou vallen. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het opzet gericht dient te zijn op zowel het voordeel trekken als op de uitbuiting van een ander. Toepassing op de onderhavige zaak De vraag die vervolgens voorligt is of in dit specifieke geval sprake is geweest van uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr en of verdachte daartoe ook het oogmerk had. Zoals hiervoor overwogen, zijn bij die beoordeling kortgezegd onder meer relevant: de mate van (on)vrijwilligheid bij de tewerkgestelde (waarbij ook zijn kwetsbaarheid een rol speelt), de beperkingen die dit voor de tewerkgestelde meebrengt, de aard en duur van de werkzaamheden, en het (economisch) voordeel dat door de tewerksteller wordt behaald. Handelingen De rechtbank stelt op grond van de inhoud van het dossier vast dat [medeverdachte] (zelf twintig jaar oud) de (zeventienjarige en dus) minderjarige [naam minderjarige slachtoffer] via Snapchat heeft benaderd met de vraag om op 5 februari 2026 mee te gaan naar [benadeelde partij 1] met het doel om [benadeelde partij 1] op te lichten. Daarbij is aan [naam minderjarige slachtoffer] een geldelijke beloning in het vooruitzicht gesteld. [medeverdachte] heeft [naam minderjarige slachtoffer] in dit Snapchatgesprek uitdrukkelijk ook de keuze gegeven om niet mee te doen. Na instemming van [naam minderjarige slachtoffer] heeft [medeverdachte] [naam minderjarige slachtoffer] en verdachte opgehaald met een auto en zijn ze met zijn drieën naar de woning van [benadeelde partij 1] gereden. [naam minderjarige slachtoffer] heeft instructies gekregen over wat hem te doen stond en heeft in lijn met die instructies bij de woning van [benadeelde partij 1] aangebeld. Er werd niet open gedaan en [naam minderjarige slachtoffer] is - onverrichter zake - weer vertrokken. Vastgesteld kan worden dat [medeverdachte] de minderjarige [naam minderjarige slachtoffer] heeft geworven en vervoerd met als doel het plegen van een strafbaar feit. Met het in het vooruitzicht stellen van een geldelijke beloning, het geven van instructies en het vervoeren naar de locatie, is [naam minderjarige slachtoffer] ertoe bewogen zich beschikbaar te stellen voor het plegen van het strafbare feit. Dwangmiddelen Zoals hiervoor genoemd is in beginsel uitbuiting eerder aan de orde bij een minderjarige. Dit komt door de afhankelijke positie die zij ten opzichte van volwassenen innemen en de beperking van hun keuzevrijheid die dit met zich meebrengt. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Volwassenen hebben van nature een positie van overwicht op minderjarigen en daarmee het vermogen om invloed op hen uit te oefenen en hen te leiden. De rechtbank heeft in onderhavige zaak in belangrijke mate rekening gehouden met het feit dat het leeftijdsverschil tussen de zeventienjarige [naam minderjarige slachtoffer] enerzijds en de twintigjarige [medeverdachte] en verdachte anderzijds, gering was. Enkel op basis van het leeftijdsverschil kan wat betreft de rechtbank niet direct worden gesproken van een situatie waarin - de jong volwassen - [medeverdachte] en – tevens jong volwassen - verdachte een positie van overwicht innamen ten opzichte van de nog net minderjarige [naam minderjarige slachtoffer] . Ook weegt de rechtbank in dit kader de inhoud en aard van het betreffende Snapchatgesprek tussen [naam minderjarige slachtoffer] en [medeverdachte] mee, waarin enige vorm van druk van [medeverdachte] richting [naam minderjarige slachtoffer] lijkt te ontbreken; aan [naam minderjarige slachtoffer] werd de keuze gelaten om wel of niet deel te nemen aan de oplichting. Ook op basis van de overige inhoud van het dossier kan de rechtbank niet vaststellen dat op enig moment sprake is geweest van een situatie waarin [naam minderjarige slachtoffer] werd beperkt in zijn reële keuzevrijheid om deel te nemen aan de voorgenomen criminele activiteit. Voor zover de verklaring van [naam minderjarige slachtoffer] bij de politie ten aanzien van de op hem uitgeoefende druk anders doet geloven, acht de rechtbank dit onderdeel van zijn verklaring onbetrouwbaar. [naam minderjarige slachtoffer] heeft immers naderhand gezegd dat hij op dit punt een ‘lulverhaal’ heeft opgehangen bij de politie. Oogmerk van uitbuiting Aard en duur van het feit De rechtbank houdt rekening met het feit dat de strafbare activiteit beperkt was in duur en dat - hoewel duidelijk dat [naam minderjarige slachtoffer] werd ingezet voor het uitvoeren van een strafbaar en daarmee risicovol feit - hij niet is ingezet voor een naar aard gevaarlijke handeling, zoals bijvoorbeeld het geval is bij het plaatsen van een explosief, waarbij de tewerkgestelde het risico loopt op letsel. Voordeel voor de tewerksteller Tot slot geldt dat uit het dossier niet blijkt van enig economisch dan wel ander voordeel dat [medeverdachte] dan wel verdachte zouden behalen door het inzetten van [naam minderjarige slachtoffer] voor de oplichting. Uit het voornoemde Snapchatgesprek tussen [medeverdachte] en [naam minderjarige slachtoffer] blijkt dat de ‘buit’ nog onduidelijk is en dat deze zal worden verdeeld. Voor zover het voordeel daarnaast zou kunnen bestaan uit het ontlopen van ‘het risico op betrapping door de politie’ door het inzetten van [naam minderjarige slachtoffer] , lijkt ook daarvan geen sprake te zijn geweest. Uit het Snapchatgesprek tussen [medeverdachte] en [naam minderjarige slachtoffer] volgt dat [medeverdachte] heeft aangeboden om juist de meest risicovolle taak – namelijk het pinnen met de pinpas van [benadeelde partij 1] – op zich te nemen, nu daarbij de kans ‘gepakt’ te worden het grootst leek. Ook voor het overige blijkt uit het dossier niet van handelingen en omstandigheden die wijzen op het behalen van enig economisch dan wel ander voordeel door [medeverdachte] en verdachte. Conclusie Nog los van de vraag of de rol die verdachte heeft gehad kan worden aangemerkt als medepleger, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat in dit specifieke geval en onder de gegeven omstandigheden niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van (een oogmerk van) uitbuiting als bedoeld in artikel 273f Sr. [medeverdachte] is bij vonnis van gelijke datum vrijgesproken van dit feit. Verdachte wordt eveneens vrijgesproken van de onder 3 tenlastegelegde mensenhandel. Feit 4: bedreiging van verbalisant [naam verbalisant] Op grond van het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van verbalisant [naam verbalisant] is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de bedreiging van [naam verbalisant] met enig misdrijf tegen het leven gericht. Feit 5: heling van niet-openbare gegevens Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte op de zitting van 24 juli 2026, is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte omstreeks 5 februari 2026 verschillende zogenoemde ‘leadlijsten’ (met niet-openbare gegevens) heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij de op zijn telefoon en laptop aangetroffen leadlijsten toegestuurd heeft gekregen. Daarmee is ook sprake van verwerving van de lijsten omstreeks 5 februari 2026. Het betreft hier onder meer persoonlijke en privacygevoelige gegevens. Niet valt in te zien hoe deze persoonsgegevens, die vallen onder de bescherming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), overeenkomstig de daarin vervatte bepalingen op rechtmatige wijze in het bezit van verdachte zijn gekomen. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort persoonsgegevens veelal worden gebruikt bij oplichting zoals (bank)helpdeskfraude. De verdachte heeft zich in en rondom de periode van het ontvangen en voorhanden hebben van die gegevens schuldig gemaakt aan oplichting van personen. Verdachte heeft op de zitting ook verklaard dat daarbij gebruik is gemaakt van een bij hem aangetroffen lijst. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte, op het moment dat hij deze (persoons)gegevens ontving, wist dat die gegevens door misdrijf waren verkregen. 5 Bewezenverklaring De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte 1. in de periode van 8 januari 2026 tot en met 30 januari 2026 te Amsterdam en Hoofddorp en Sint-Michielsgestel, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het doen van betalingen en het afgeven van een of meerdere pinpassen en sieraden en een Ipad en inloggegevens en pincodes, door (van) die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] : - meermaals te (video)bellen en zich voor te doen als iemand van een verzekeringsmaatschappij (Icebar) en/of BOL.com, en - voor te houden dat er uit zijn/haar/hun naam via BOL.com een of meerdere Iphone’s was/waren besteld, en - voor te houden dat hij/zij een verzekering kon afsluiten om het bedrag terug te kunnen krijgen, en - voor te houden dat de verzekeraar Icebar verzekeringen heet en dat deze recent is opgericht vanuit de Overheid, en - voor te houden dat er gegevens ingescand moesten worden en dat er iemand langs zou komen om goederen mee te nemen, en - voor te houden dat zich een virus op een of meerdere pinpassen bevond, en - te verzoeken om geld vanaf een spaarrekening over te boeken naar een betaalrekening, en - te verzoeken om sieraden in een tasje te verzamelen, en - te verzoeken om inlogcodes en/of pincodes door te geven, en - voor te houden dat een inkomend telefoongesprek vanuit de ING-bank frauduleus zou zijn, en - e-mails en/of berichten te sturen onder de naam van Icebar verzekeringen, en - pinpassen in ontvangst te nemen en/of retour af te geven, en - sieraden en/of een Ipad in ontvangst te nemen, en - betaalverzoeken te sturen, en - via een of meerdere betaalverzoeken meermaals een geldbedrag over te laten maken; 2 op 5 februari 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 1] te bewegen tot de afgifte van enig goed en het ter beschikking stellen van gegevens, te weten een goed/gegevens van hunner gading, - die [benadeelde partij 1] meermaals heeft opgebeld en zich daarbij voor heeft gedaan als medewerker van Icebar Verzekeringen, en - die [benadeelde partij 1] heeft gevraagd in te loggen in de betaalomgeving van haar bank, en - zich in een personenauto naar de woonplaats van die [benadeelde partij 1] heeft begeven, en - naar het adres van die [benadeelde partij 1] is gegaan en heeft aangebeld en zich daarbij voor heeft gedaan als medewerker van Icebar Verzekeringen Amsterdam , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 op 5 februari 2026 te Amsterdam [naam verbalisant] (verbalisant) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [naam verbalisant] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak je dood", terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [naam verbalisant] in diens hoedanigheid van verbalisant bij de Nationale Politie; 5 omstreeks 5 februari 2026, in Nederland, niet-openbare gegevens, te weten lijsten met daarop de naam en geboortedatum en adresgegevens (straatnaam en postcode en woonplaats) en e-mailadres en telefoonnummer(s) en bankrekeningnummer van een zeer grote hoeveelheid personen heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, ten tijde van de verwerving en het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf waren verkregen; 6 De strafbaarheid van de feiten De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. 7 De strafbaarheid van verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8 Motivering van de straf 8.1. De eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. 8.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk of korter is dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen door de feiten te bekennen. Verdachte is nog jong en thuiswonend. Hij heeft weliswaar eerder bijzondere voorwaarden opgelegd gekregen, maar heeft daarvan niet eerder gebruik gemaakt, dan wel kunnen profiteren. 8.3. Het oordeel van de rechtbank De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen. Ernst van de feiten Verdachte heeft samen met anderen op een slinkse wijze meerdere (hoog)bejaarde slachtoffers opgelicht. Hij heeft de slachtoffers bewogen hun kostbaarheden (sieraden), contant geld en/of hun bankpas af te geven en hun pincode prijs te geven. De slachtoffers behoren tot een zeer kwetsbare groep mensen die in toenemende mate afhankelijk is van hun medemens. Deze oudere mensen worden bewust uitgekozen op hun hoge leeftijd en dientengevolge op hun kwetsbaarheid. Verdachte heeft daarvan op laffe en meedogenloze wijze misbruik gemaakt. Verdachte heeft hiermee het gevoel van veiligheid en vertrouwen in de medemens van de slachtoffers ernstig geschaad. De impact van zogenoemde helpdeskfraude is groot. De slachtoffers gaan soms ook gebukt onder een – onterecht – gevoel van zelfverwijt waarvoor onder meer verdachte verantwoordelijk is. Verdachte heeft geen rekening gehouden met de mogelijke gevolgen van zijn daden voor de slachtoffers, maar enkel oog gehad voor zijn eigen financiële gewin. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan de heling van niet-openbare gegevens, te weten zogenoemde ‘leadlijsten’. Dergelijke lijsten bevatten (persoons)gegevens die op niet legale wijze zijn verkregen. Deze worden veelal gebruikt bij voornoemde oplichtingspraktijken en werken zodoende deze vorm van fraude in de hand. Verdachte had meerdere lijsten in zijn bezit en er is sprake van daadwerkelijk gebruik ervan in het kader van zijn oplichtingspraktijken. Ten slotte heeft verdachte bij zijn aanhouding (in het kader van voornoemde feiten) verbalisant [naam verbalisant] bedreigd. Persoonlijke omstandigheden De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen voor een straatroof en overtreding van de Opiumwet en de Wet Wapens en Munitie. Verdachte liep ten tijde van het plegen van de feiten in twee proeftijden. Gezien de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde 20 jaar oud was, dient te worden overwogen of het volwassen- of jeugdstrafrecht van toepassing is. De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en gelet op het advies van de reclassering in haar rapport van 28 april 2026, geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De persoonlijkheid van verdachte noch diens functioneren maken een pedagogische insteek noodzakelijk. Uit het evaluatieverslag van de reclassering van 17 juli 2026 (terzake de schorsing van verdachte) blijkt de rechtbank het volgende. Het risico op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Er is feitelijk in het leven van verdachte weinig veranderd ten opzichte van de pleegperiode van de onderhavige feiten. De toezichthouder heeft door de korte looptijd van het toezicht nog te weinig zicht op verdachte om in te schatten hoe hij zich gaat ontwikkelen op de verschillende leefgebieden. Ook moet de gedragsinterventie nog starten. De reclassering geeft aan dat de inspanningen gericht dienen te blijven op de houding van verdachte en zijn gedrag tegenover het aangaan van een maatschappelijk bestaan. Op te leggen straf De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, te weten flinke gevangenisstraffen. Helpdeskfraude is een veel voorkomend probleem waarvan met name ouderen het slachtoffer worden, zodat het plegen daarvan streng moet worden bestraft. De rechtbank is van oordeel dat vanuit het oogpunt van normbevestiging, vergelding en generale preventie, ook in het geval van verdachte alleen kan worden volstaan met een forse gevangenisstraf. Gelet op de ernst van de feiten, het aantal feiten in een relatief korte periode en de rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, of korter, zoals door de raadsman is verzocht. Alles afwegende legt de rechtbank een gevangenisstraf op van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank legt hierbij op de door de reclassering (in het kader van de schorsing) geadviseerde bijzondere voorwaarden met een proeftijd van drie jaar. Gelet op de relatief jonge leeftijd van verdachte en de inhoud van de hiervoor genoemde reclasseringsrapporten, acht de rechtbank het ter voorkoming van recidive van belang dat verdachte, wanneer hij uit detentie komt, gedurende langere tijd wordt begeleid en gemonitord. Voorlopige hechtenis In hetgeen hierboven is overwogen over de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de in het apart opgemaakte bevel gegeven redenen, ziet de rechtbank aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen. 9 Beslag 9.1. Beslaglijst In de zaak van verdachte staan op de beslaglijst de volgende voorwerpen: een computer (notebook), goednummer 6771200; een telefoon (iPhone 15), goednummer 6771164; een telefoon (iPhone 11), goednummer 6771167; een telefoon (iPhone 6), goednummer 6771153. 9.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat alle voorwerpen worden verbeurdverklaard. 9.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft verzocht de laptop te retourneren aan de moeder van verdachte, omdat zij daarvan de eigenaar is. Ten aanzien van het overige beslag is geen standpunt ingenomen. 9.4. Het oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De op de beslaglijst vermelde gegevensdragers behoren aan verdachte toe, dan wel werden feitelijk gebruikt door verdachte. Zo ook de laptop. Nu met betrekking tot of met behulp van die voorwerpen het onder 1, 2 en 5 bewezen geachte is begaan, worden deze voorwerpen verbeurdverklaard. 10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel 10.1. De vorderingen [benadeelde partij 1] (feit 1) De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.636,68 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Echtpaar [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (feit 1) De benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] vorderen € 6.250,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Tevens wordt verzocht de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De rechtbank constateert dat beiden separaat een vordering hebben ingediend die ziet op het totaalbedrag dat met betrekking tot de oplichting (feit 1) op 8 januari 2026 is opgenomen van hun bankrekening. 10.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [benadeelde partij 1] en de vordering van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] kunnen worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 10.3. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 10.4. Het oordeel van de rechtbank [benadeelde partij 1] (feit 1) Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, te weten 30 januari 2026. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de oplichting met een of meer anderen heeft gepleegd. De verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. De rechtbank wijst de toegekende schadevergoeding daarom hoofdelijk toe. Dit betekent dat de verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door een of meer mededaders is betaald en andersom geldt hetzelfde. Echtpaar [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (feit 1) Vaststaat dat aan de benadeelde partijen door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Het gevorderde bedrag van € 6.250,- is,niet betwist. De rechtbank zal de vordering van [benadeelde partij 2] toewijzen voor dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, te weten 8 januari 2026. Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. De rechtbank stelt vast dat de verdachte de oplichting met een of meer anderen heeft gepleegd. De verdachte is naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. De rechtbank wijst de toegekende schadevergoeding daarom hoofdelijk toe. Dit betekent dat de verdachte niet meer hoeft te betalen voor zover het bedrag door een of meer mededaders is betaald en andersom geldt hetzelfde. De rechtbank zal gelet op de toewijzing van het gehele schadebedrag aan [benadeelde partij 2] , de vordering van [benadeelde partij 3] afwijzen nu die vordering op dezelfde schade ziet. Schadevergoedingsmaatregel De rechtbank legt in het belang van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , als extra waarborg voor betaling aan hen, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op. 11 Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57, 139g, 285 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. 12 Beslissing De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing. Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 4 en 5 laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld. Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Het bewezen verklaarde levert op: ten aanzien van feit 1 medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 2 medeplegen van poging tot oplichting; ten aanzien van feit 4 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; ten aanzien van feit 5 niet-openbare gegevens verwerven en voorhanden hebben, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze gegevens wist dat deze door misdrijf zijn verkregen.. Verklaart het bewezene strafbaar. Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden . Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden. Bepaalt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden , van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen. Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast. De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet. Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd: - Meldplicht bij reclassering De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 5 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils Midden Nederland op het adres De Meent 2, in Lelystad. - Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden De veroordeelde neemt deel aan de gedragsinterventie CoVa, dan wel CoVa-plus, van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer. - Beheersing middelengebruik De veroordeelde werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA bij de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uiturineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd. - Dagbesteding De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. - Aflossing schulden De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden. - Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang De veroordeelde zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, alleen als de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt. - Contactverbod De veroordeelde zal op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoeken of hebben met: het slachtoffer [benadeelde partij 1] (geboren [geboortedatum] ) en medeverdachte [medeverdachte] (geboren op [geboortedatum] ). - Locatiegebod (met elektronisch toezicht) De veroordeelde is gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 14 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder dagbesteding is dat 2 uur. In de weekenden heeft de veroordeelde een aaneengesloten blok van 8 uur per dag vrij te besteden. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is (vooralsnog) [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen. De aansluiting van het elektronische monitoringmiddel kan plaatsvinden vanaf de derde werkdag nadat de reclassering is geïnformeerd over de ingangsdatum. De aansluiting zal plaatsvinden in de Penitentiaire Inrichting of op het verblijfadres. Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verklaart verbeurd : een computer (notebook), goednummer 6771200; een telefoon (iPhone 15), goednummer 6771164; een telefoon (iPhone 11), goednummer 6771167; een telefoon (iPhone 6), goednummer 6771153. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van € 2.636,68 (tweeduizend zeshonderd zesendertig euro en achtenzestig eurocent ) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] , aan de Staat € 2.636,68 (tweeduizend zeshonderd zesendertig euro en achtenzestig eurocent) te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (30 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen . De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 6.250,- (zesduizend tweehonderd vijftig euro ) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil. Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] , aan de Staat te betalen € 6.250,- (zesduizend tweehonderd vijftig euro ), behalve voor zover dit bedrag al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (8 januari 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 56 dagen . De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen. Wijst af de vordering benadeelde partij van [benadeelde partij 3] . Heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis. Deze beslissing is afzonderlijk opgemaakt. Dit vonnis is gewezen door mr. I. Timmermans voorzitter, mrs. H.E. Hoogendijk en M.E. Kleinherenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Baaijens, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 augustus 2026. ECLI:NL:HR:2009:BI7099. Zie onder meer ECLI:NL:HR2025:3309

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291213 · 2026-08-22
