# Rechtbank Midden-Nederland, 27-07-2026 (C/16/612608 / KG ZA 26-326)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Midden-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBMNE:2026:5206
- Date: 2026-07-27
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBMNE%3A2026%3A5206
- Canonical: https://overview.legal/posts/291218
- Topics: Processing, Minors, Law Enforcement, Public Authority, Legitimate Interest, Types of Special Categories of Personal Data, Personal Data

## Summary

Beëindiging bankrelatie, opeising hypothecaire geldlening en registratie in EVR-, IVR- en SFH-registers; artikel 5 Wwft, artikel 35 ABV; vermoeden betrokkenheid bij hypotheekfraude;

## Full text

RECHTBANK Midden-Nederland Civiel recht Zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: C/16/612608 / KG ZA 26-326 Vonnis in kort geding van 27 juli 2026 in de zaak van [eiser] , te [plaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. F.L.P. Vulto te Den Haag, tegen COÖPERATIEVE RABOBANK U.A. , te Utrecht, gedaagde partij, hierna te noemen: de bank, advocaat: mr. S. Brenninkmeijer te Utrecht. 1 De procedure 1.1 De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken: - de dagvaarding van 29 mei 2026 met producties 1 tot en met 25 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16 - de door [eiser] op 10 juli 2026 ingediende akte weergave feiten met productie 26. 1.2 Op de mondelinge behandeling van 13 juli 2025 zijn enerzijds verschenen [eiser] en mr. Vulto en anderzijds mevrouw [A] ( [functie] bij de bank) en mr. Brenninkmeijer. De spreekaantekeningen die de beide advocaten hebben voorgelezen zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat uiterlijk 27 juli 2026 vonnis wordt gewezen. 2 De kern van de zaak 2.1 [eiser] is een particuliere klant van de bank. Op 2 juni 2026 heeft de bank: aangekondigd de bankrelatie met [eiser] per 3 augustus 2026 te beëindigen; [eiser] gesommeerd om uiterlijk 5 oktober 2026 het openstaande bedrag van de hypothecaire geldlening (€ 162.845,77 ten tijde van de opzegging) terug te betalen; en [eiser] begin 2026 geregistreerd in vier (fraude)registers. Die bank heeft dat gedaan vanwege aanwijzingen dat [eiser] bij het aanvragen van de door haar in 2020 verstrekte hypothecaire geldlening een gefingeerd dienstverband heeft opgevoerd en valse stukken heeft ingediend om dat te onderbouwen. 2.2 [eiser] vordert in deze kortgedingprocedure dat de bank deze maatregelen opschort tot in een bodemprocedure onherroepelijk over de rechtmatigheid van de beëindiging, opeising en registratie is beslist, met dwangsommen, kosten, rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af. 3 beoordeling De zaak is voldoende spoedeisend voor kort geding 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval. De bank heeft de hypothecaire geldlening opgeëist tegen 5 oktober 2026 en heeft daarbij aangekondigd zo nodig over te gaan tot uitwinning van het hypotheekrecht op de woning waar [eiser] met haar drie kinderen woont. Daar komt nog bij dat het vanwege de registraties moeilijker zal zijn voor [eiser] om vervangende financiering te vinden. Als de bank – zoals [eiser] stelt – onvoldoende gronden had voor de beëindiging en de registratie, kan van haar dan ook niet worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Beoordelingskader 3.2 In een kort gedingprocedure als deze moet worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat het gerechtvaardigd is om deze nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, bij wijze van voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarbij moeten de wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen. 3.3 De kernvraag in deze zaak is dan ook of het voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank de bankrelatie met [eiser] niet had mogen beëindigen en haar niet had mogen registreren. Daarbij geldt dat de geldigheid van de opzegging moet worden beoordeeld naar de stand van zaken ten tijde van de opzegging. 3.4 Bij het beëindigen van een bankrelatie door de bank is het van belang onderscheid te maken tussen enerzijds het geval waarin de bank zich op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht acht de relatie te beëindigen omdat het gebruik door de klant van de bankrekening een onacceptabel risico op witwassen of terrorismefinanciering vormt, en anderzijds de gevallen waarin van zo’n risico niet is gebleken en de bank dus om andere redenen de bankrelatie opzegt. In dit geval heeft de bank de bankrelatie zowel opgezegd op grond van artikel 5 lid 3 Wwft (omdat zij ook na zorgvuldig onderzoek het klantonderzoek niet positief heeft kunnen afronden) als op grond van artikel 35 ABV (omdat zij vanwege het gefingeerde dienstverband geen vertrouwen meer heeft in [eiser] ). 3.5 Bij beëindiging als bedoeld in artikel 5 lid 3 Wwft, geldt de volgende toetsingsmaatstaf. Banken hebben op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (hierna: de Wwft) een verantwoordelijkheid bij het signaleren van zogenoemde financieel-economische criminaliteit en andere integriteitsrisico’s. Zij moeten zoveel mogelijk voorkomen dat het financiële systeem voor oneigenlijke doelen wordt gebruikt of misbruikt. Daartoe moeten zij onderzoek doen naar hun cliënten en de verzamelde informatie up-to-date houden. Als een bank haar cliëntenonderzoek niet kan voltooien, moet zij de relatie met die klant beëindigen (artikel 5 lid 3 Wwft). De bank kan dan immers het risico van misbruik van de door haar aangeboden producten en diensten niet overzien. Het is voor de beëindiging van de relatie niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat de klant betrokken is bij criminele activiteiten. De banken hebben geen formele opsporingsbevoegdheden en zijn voor het cliëntenonderzoek afhankelijk van informatie uit openbare bronnen en informatie van de klant zelf. Daarom hebben banken in hun Algemene Bankvoorwaarden (hierna: de ABV) bedongen dat hun klanten verplicht zijn om de bank te voorzien van de nodige informatie over – onder meer – hun activiteiten en de wijze waarop zij aan het geld is gekomen dat zij bij de bank onderbrengen. 3.6 Als een bank een relatie met een klant opzegt omdat het klantenonderzoek niet of niet met een positief resultaat kan worden afgerond en de klant betwist dat de bank die conclusie heeft mogen trekken, moet de rechter onderzoeken of de bank juist en zorgvuldig heeft gehandeld. Het ligt dan op de weg van de bank om aannemelijk te maken dat zij een zorgvuldig onderzoek heeft verricht en daaruit onvoldoende informatie heeft verkregen om het klantenonderzoek (positief) te kunnen afronden. Het toetsmoment daarbij is het moment van de opzegging (toetsing ‘ ex tunc ’). 3.7 Als de conclusie is dat de bank na een zorgvuldig onderzoek terecht heeft geconcludeerd het klantonderzoek niet behoorlijk positief te kunnen afsluiten, zal de rechter de bank in het gelijk stellen. Vragen zoals of de klant elders nog een bankrekening heeft of niet, of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en of de zorgplicht van de bank niet aan de opzegging in de weg staat, komen niet aan de orde. De opzegging vloeit immers voort uit een wettelijke plicht (artikel 5 lid 3 Wwft), ook al is de contractuele grondslag van de opzegging gebaseerd op artikel 35 ABV. Een belangenafweging is daarom niet aan de orde. De zorgplicht van de bank en het belang van de klant bij het hebben van een bankrekening komen al aan bod bij de manier (zorgvuldig) waarop de bank het klantenonderzoek moet verrichten. Wel zal er nog een belangenafweging moeten plaatsvinden, waarbij onder meer relevant is op welke termijn de bank de relatie beëindigt en wat de alternatieven zijn van de klant. 3.8 Bij beëindiging op andere gronden dan artikel 5 lid 3 Wwft geldt het volgende toetsingskader. Banken hebben in artikel 35 ABV de contractuele bevoegdheid bedongen om de relatie met een klant te beëindigen. Die opzeggingsbevoegdheid en de contractuele vrijheid van de bank zijn echter niet onbegrensd. Een opzegging moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de bancaire zorgplicht op grond waarvan de bank bij haar dienstverlening zorgvuldigheid in acht moet nemen en de veiligheid en betrouwbaarheid van het betalingsverkeer in het algemeen. Daarbij moet mede worden betrokken dat het voor (rechts)personen van groot belang is dat zij toegang hebben tot het bancaire systeem. De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een bank van haar contractuele opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt. Waar de bank [eiser] van verdenkt en waarom 3.9 Voor de bank is belangrijkste reden om de klantrelatie op te zeggen dat zij vermoedt dat [eiser] een gefingeerd dienstverband heeft opgevoerd bij het aanvragen van de door de bank verstrekte hypothecaire geldlening van € 345.650,- waarmee [eiser] in september 2020 de aankoop haar woning heeft gefinancierd. 3.10 [eiser] heeft bij die aanvraag verklaard sinds 23 maart 2020 fulltime in dienst te zijn als Calculator, Planner en Administrateur bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) tegen een bruto jaarsalaris van € 69.498,-. Zij heeft ter onderbouwing onder meer een tweetal arbeidsovereenkomsten, een loonstrook en een werkgeversverklaring ingediend. 3.11 Op 7 oktober 2025 heeft het OM de bank bericht dat in een onderzoek naar hypotheekfraude een van de hoofdverdachten had bekend voor een groot aantal personen stukken te hebben vervalst ten behoeve van hun hypotheekaanvragen. Het OM vermoedt dat deze hoofdverdachte ook voor [eiser] een gefingeerde dienstverband bij [bedrijf 1] heeft geregeld en ook heeft gezorgd voor de arbeidsovereenkomsten, loonstrook en werkgeversverklaring die [eiser] ter onderbouwing bij haar aanvraag heeft ingediend. Op 9 oktober 2025 heeft de politie met de bank onder een meer proces-verbaal van bevindingen van 28 november 2024 gedeeld, waarin de politie uiteen heeft gezet waarom zij vermoedt dat [eiser] niet daadwerkelijk bij [bedrijf 1] in dienst is geweest. De politie wijst onder meer op: onderschepte tekstberichten: o van 20 april 2020: persoon 1 “ als we mijn [onleesbaar] in loondienst zetten voor 4950 bruto ” “ kan je ze dan voor 3 ton hyp krijgen ” persoon 2 “ wat is haar geboortedatum ” persoon 1 “ voor mij [onleesbaar] wil ik ook een oplossing man ze betaalt 1200 huur ” “ 3 kinderen alleenstaand ” “ [geboortedatum [eiser] ] ”; o van 9 juni 2020 waarin persoon 1 op verzoek van persoon 2 de redenen opsomt waarom een calculator/administrateur van 33 jaar oud zoveel verdient; o van 9 juni 2020 waarin wordt besproken dat [eiser] moet worden voorbereid vanwege de aankondiging van bank dat zij [eiser] later die week via beeldverbinding nadere vragen ging stellen over haar werkzaamheden; en o van 7 en 8 juli 2020 waarin – zo lijkt het persoon 1 aangeeft bij persoon 2 dat zij/hij “de man waar haar/zijn zuaje in dienst is” elke maand € 5.800,- moet betalen, onder meer loonheffing en premie; - de TOZO-aanvraag die [eiser] begin april 2020 heeft gedaan waarin zij aangeeft dat zij geen andere inkomsten ontvangt dan die uit haar onderneming (zij geeft autorijles onder de naam [bedrijf 2] ), dat zij op dat moment circa 50 uur per week voor haar eigen onderneming werkt en dat zij niet beschikbaar is voor ander werk; [eiser] vermeldt dus niet dat zij sinds 23 maart 2020 fulltime bij [bedrijf 1] in loondienst is voor € 69.498 per jaar bruto; - de door [eiser] op 22 april 2020 afgelegde verklaring bij haar aangifte dat haar voertuig in brand was gestoken, waarin zij onder meer heeft gesteld: o dat zij sinds januari 2020 weer was begonnen met het geven van rijlessen; o dat zij daarvoor in de ziektewet zat; en o dat zij op dat moment nog aan het opbouwen en re-integreren was. Ook in die verklaring maakt [eiser] geen melding van een fulltime baan bij [bedrijf 1] . De onschuldpresumptie en het nemo teneturbeginsel 3.12 [eiser] weigert vooralsnog om over haar dienstverband met [bedrijf 1] te verklaren. Daarbij stelt zij een beroep te doen op haar recht om niet te verklaren. Dat volgt volgens haar uit het strafrecht afkomstige nemo tenetur -beginsel. Dit houdt kort gezegd in dat iedereen het recht heeft om niet mee te werken aan zijn of haar eigen strafrechtelijke veroordeling. [eiser] vreest dat elke inhoudelijke verklaring die zij tegenover de bank aflegt, tegen haar zal worden gebruikt in het strafrechtelijk traject. Volgens [eiser] oefent zij daarmee een fundamenteel recht uit, mag haar weigering om te verklaren niet worden uitgelegd als een schuldbekentenis of als een weigering om mee te werken en mogen er ook anderszins geen negatieve gevolgen worden verbonden aan de uitoefening van dat recht. 3.13 Het nemo teneturbeginsel is onderdeel van de onschuldpresumptie die geldt in strafrechtelijke procedures, dat onder meer is vastgelegd in artikel 6 lid 2 (EVRM): “ Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. ” Deze normen richten zich in eerste instantie tot de overheid in het kader van de toepassing van het strafrecht, maar kunnen een zekere doorwerking hebben in het civiele recht. 3.14 Deze strafrechtelijke onschuldpresumptie zal in de bankrelatie doorwerken doordat de bank altijd, dus ook bij een strafrechtelijke verdenking, op grond van haar zorgplicht zoals neergelegd in artikel 2 ABV zo goed mogelijk rekening moet houden met de belangen van de klant, op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. Indien een klant van een mogelijk voor de dienstverlening van de bank relevant strafbaar feit verdacht wordt, heeft de klant er een gerechtvaardigd belang bij dat die verdenking alleen gevolgen heeft voor de dienstverlening door de bank als de verdenking gegrond is en dus om voor onschuldig te worden gehouden zolang de schuld niet vaststaat. Anderzijds heeft de bank er een gerechtvaardigd belang bij dat zij gevolgen kan verbinden aan omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de cliënt zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen of een ander relevant strafbaar feit en dat die gevolgen niet pas kunnen intreden als de verdachte in een strafproces veroordeeld is. 3.15 Gezien deze wederzijdse belangen is een enkele strafrechtelijke verdenking van het opzettelijk opvoeren van een gefingeerd dienstverband een te smalle basis om de bankrelatie te beëindigen. Dan moet de onschuldpresumptie voor de bank het uitgangspunt zijn. In die situatie kan niet van de klant worden gevraagd dat hij zijn onschuld aantoont. Dat is anders als het om meer gaat dan die enkele strafrechtelijke verdenking. Onder meer als de bank op grond van haar bekende feiten en omstandigheden (al dan niet verkregen na eigen onderzoek) concrete aanwijzingen heeft voor witwassen of enig ander relevant strafbaar feit en daarover aan de klant vragen stelt die niet afdoende worden beantwoord. In dat geval mag van de klant immers worden verwacht dat hij op die concrete aanwijzingen voor zijn schuld reageert door beantwoording van die vragen. 3.16 In laatste is hier het geval. Er zijn stevige aanwijzingen dat [eiser] bij de hypotheekaanvraag in werkelijkheid niet fulltime bij [bedrijf 1] werkte. [eiser] heeft begin april 2020 in haar TOZO-aanvraag aangegeven 50 uur per week voor haar eigen rijschool te werken en in haar aangifte van de autobrand heeft zij ook verklaard alleen als rij-leraar te werken. Dat is niet te rijmen met de opgave van [eiser] dat zij vanaf 23 maart 2020 fulltime voor [bedrijf 1] in loondienst heeft gewerkt. De bank heeft [eiser] terecht gevraagd om dat uit te leggen. Zij mocht er dan ook consequenties aan verbinden dat [eiser] weigert om die vragen te beantwoorden. Dat is niet in strijd met de onschuldpresumptie of het nemo-teneturbeginsel. 3.17 Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk dat [eiser] bij haar hypotheekaanvraag een gefingeerd dienstverband heeft opgevoerd en met valse stukken heeft onderbouwd. Het is moeilijk voor te stellen dat [eiser] daarin niet opzettelijk heeft gehandeld. Dat de bank daar zwaar aan tilt is begrijpelijk, juist omdat banken bij het klantenonderzoek in hoge mate afhankelijk zijn van informatie van de klant zelf. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de stukken die haar klanten indienen, niet zijn vervalst en moeten streng kunnen optreden als dat vertrouwen wordt beschaamd. 3.18 De bank heeft verder het klantenonderzoek voldoende zorgvuldig uitgevoerd. Zij heeft [eiser] voldoende gelegenheid gegeven om op de vermoedens te reageren. Ook het verwijt dat de bank onvoldoende inzage heeft gegeven in de stukken is onterecht. De bank hoeft geen inzage te geven in interne notities of documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern overleg, risicobeoordeling of besluitvorming. De bank mocht het onderzoek ook afsluiten. Zij hoefde niet te wachten totdat er duidelijkheid is dat [eiser] niet zal worden vervolgd of een eventuele strafrechtelijke vervolging van [eiser] is afgerond. Het is niet gebleken dat daar binnen afzienbare termijn duidelijkheid over is. 3.19 De slotsom is dat de bank na voldoende zorgvuldig klantenonderzoek mocht concluderen dat zij het klantenonderzoek niet positief kon afronden. Dat brengt mee dat de bank op grond van artikel 5 lid 3 Wwft verplicht was om de klantrelatie te beëindigen. De voorzieningenrechter verwacht dus niet dat de bodemrechter zal oordelen dat de bank dat niet mocht. 3.20 De voorzieningenrechter verwacht overigens dat de bodemrechter zal oordelen dat ook de tweede opzeggingsgrond (de vertrouwensbreuk) voldoende was voor beëindiging van de bankrelatie. 3.21 Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [eiser] een bankrekening heeft bij de ABN AMRO Bank. Verder heeft haar hypotheekbemiddelaar op 9 juli 2026 aangegeven dat het hele traject om de hypothecaire geldlening over te sluiten naar verwachting 10 tot 12 weken zal duren. Dat betekent dat er eind september, begin oktober 2026 een andere hypotheekverstrekker zou kunnen zijn. Bij de mondelinge behandeling heeft de bank aangegeven dat die termijn van 1 oktober 2026 nog wat zou kunnen worden verlengd als dan blijkt dat met een korte verlenging opeising van de hypothecaire lening door verkoop van de woning niet nodig is. Gezien de ernst van de overtreding van [eiser] mocht de bank de bankrekening van [eiser] beëindigen per 3 augustus 2026 en de hypotheek opeisen per 1 oktober 2026. Dat een hypotheek bij een reguliere bank niet mogelijk zal zijn en de lening dus waarschijnlijk een hogere rente zal hebben, is onvoldoende reden om te oordelen dat de bank de lening niet per 1 oktober 2026 mocht opeisen. De belangenafweging geeft op dit moment geen aanleiding om de beslissing van de bank op te schorten. De bank hoeft de registraties niet te beëindigen of in te korten 3.22 De gegevens van [eiser] zijn opgenomen in het IVR, het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde EVR en SFH-register. 3.23 Opname in het Incidentenregister, het EVR en het SFH-register kan slechts geschieden in overeenstemming met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2026 (PIFI). De verwerking van persoonsgegevens is in beginsel rechtmatig op grond van artikel 6 lid 1 aanhef en onder f AVG (noodzakelijk ter behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de bank en van de tot haar branche behorende financiële instellingen), mits ook de in deze bepaling voorgeschreven belangenafweging uitpakt in het voordeel van de bank en ook overigens aan de eisen van het PIFI wordt voldaan. Het PIFI is te beschouwen als een regeling die voldoende waarborgen biedt voor een verwerking van persoonsgegevens zoals de AVG die voorschrijft. De Autoriteit Persoonsgegevens heeft het PIFI voor acht jaar (t/m april 2034) goedgekeurd. 3.24 Artikel 5.2.1 PIFI schrijft voor dat een registratie in het EVR is toegestaan als: a. de gedraging(en) van de te vermelden persoon een bedreiging vormden, vormen of kunnen vormen voor: (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van de financiële instelling zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële instelling zelf of van de financiële sector; in voldoende mate vaststaat dat de desbetreffende persoon betrokken is bij de onder a) bedoelde gedraging(en). Dit betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte wordt gedaan; het proportionaliteitsbeginsel is in acht genomen. 3.25 Uit hetgeen onder 3.17 is overwogen volgt dat de betrokkenheid van [eiser] bij fraude in voldoende mate vaststaat. Het gaat om meer dan enkel een redelijk vermoeden van schuld. Daarnaast heeft de bank aangifte tegen [eiser] gedaan. De opname van de gegevens van [eiser] in de registers is ook proportioneel. In aanvulling op hetgeen onder 3.17 al is overwogen over de ernst van de overtreding geldt dat hypotheekfraude een maatschappelijk probleem is en een bedreiging is zowel de klant door het risico van overkreditering als voor de integriteit van de bank en de financiële sector. Het belang van financiële instellingen om te worden geattendeerd op het frauduleuze gedrag van [eiser] dat voor dit moment voldoende vaststaat, weegt zwaarder dan haar belang om ongehinderd te kunnen deelnemen aan het financiële verkeer. 3.26 Voor opname in het IVR gelden minder strenge eisen dan voor opname in het EVR, omdat deze registraties alleen zichtbaar zijn voor de bank zelf en de met haar verbonden rechtspersonen. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen, leveren de feiten en omstandigheden in dit geval meer dan enkel een redelijk vermoeden van schuld aan hypotheekfraude. 3.27 De slotsom is dan ook dat ook de vordering om de registraties te beëindigen of in te korten wordt afgewezen. Dit betekent dat alle vorderingen zullen worden afgewezen. [eiser] krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen 3.28 [eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van bank worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 4 De beslissing De voorzieningenrechter 4.1 wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.2 veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.3 verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026. !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! JO/4972 Het Incidentenregister, het Intern Verwijzingsregister en het Extern Verwijzingsregister van de bank en het Extern Verwijzingsregister van de Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (in deze uitspraak samen: de registers en afzonderlijk: het Incidentenregister, het IVR, het EVR en het SFH-register). De bank heeft aangekondigd dat die registraties tot 7 oktober 2033 voortduren. Hof Amsterdam 30 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2822, r.o. 3.5 en de Conclusie van de Advocaat Generaal van 9 oktober 2020, ECLI:NL:PHR:2020:934 (gevolgd). Hof Amsterdam 29 oktober 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3898, r.o. 3.3.1. Artikelen 2 lid 2, 3 en 7 ABV. Als bedoeld in het tweede lid van artikel 6:248 BW; zie Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLl:NL:HR:2014:2929 ( ING vs de Keijzer) . Aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] . Persoon 1 noemt als redenen dat het gaat om een groot bouwbedrijf met miljoenen omzet, dat [eiser] eigenlijk drie functies uitvoert en werkt voor twee en dat ze ook in de avonden vanuit thuis werkt, vaak meer dan 40 uur per week. TOZO (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers), steun die ondernemers destijds konden aanvragen om de nadelige gevolgen van de corona-maatregelen te beperken. Zie ook artikel 271 Wetboek van strafvordering, tweede lid: “ Noch de voorzitter, noch een der rechters geeft op de terechtzitting blijk van enige overtuiging omtrent schuld of onschuld van de verdachte. ” Eurpees Hof voor de Rechten van de Mens 28 mei 2020, appl nr.29620/07 ( Farzaliyev/Azarbeidzjan ), onder 62. Gerechtshof Amsterdam 18 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA5933, gewezen onder de voorganger van de AVG, de Wet bescherming persoonsgegevens.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291218 · 2026-08-22
