# Rechtbank Noord-Nederland, 11-08-2026 (18-320215-25)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Noord-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBNNE:2026:3509
- Date: 2026-08-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBNNE%3A2026%3A3509
- Canonical: https://overview.legal/posts/291299
- Topics: Liability, Healthcare, Public Authority, Law Enforcement, Personal Data, Insurance

## Summary

Veroordeling voor verkrachting (art. 242 (oud) en (248) oud Sr) en gekwalificeerde opzetverkrachting (art. 243 Sr) van dochter. Gedeeltelijke vrijspraak ten aanzien van deel van de ten laste gelegde periode wegens ontbreken steunbewijs. Overweging ten aanzien van bewijsminimum, betrouwbaarheid en dwang. Gevangenisstraf van 6 jaren. Schadevergoeding toegekend aan benadeelde partij.

## Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling strafrecht Locatie Leeuwarden parketnummer 18-320215-25 Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans gedetineerd te [instelling] . Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K. Zech, advocaat te Zoetermeer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous. Tenlastelegging Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1. hij in de periode van 24 juni 2014 tot en met 23 juni 2017 te [plaats 1] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, eigen kind, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, die aan zijn, verdachtes, zorg en waakzaamheid was toevertrouwd en die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten -het aanraken van de borsten van die [slachtoffer] , en/of -het wrijven met zijn, verdachtes, vingers en/of hand over de vagina van die [slachtoffer] , en/of -het vaginaal penetreren met zijn, verdachtes, vingers van die [slachtoffer] ; 2. hij in de periode van 24 juni 2017 tot en met 30 juni 2024 te Ameland en/of Dokkum, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, door andere feitelijkheden zijn, verdachtes, eigen kind, [slachtoffer] , die aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten -het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en/of -het aanraken en/of likken en/of bijten van de borsten en/of tepels van die [slachtoffer] , en/of -het likken van de vagina van die [slachtoffer] , en/of -het vaginaal en/of anaal en/of oraal penetreren met zijn, verdachtes, (stijve) penis van die [slachtoffer] , -het klaarkomen op het lichaam en/of in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheden uit het telkens misbruik maken van zijn geestelijke overwicht en het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht van zijn positie als vader en/of zorg/hulpverlener en/of steunpilaar van die [slachtoffer] en door het normaliseren van een seksuele verhouding tussen die [slachtoffer] en hem, verdachte, en/of het hoofd van die [slachtoffer] vast te pakken en die richting zijn, verdachtes, geslachtsdeel te duwen om hem te pijpen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij in de periode van [geboortedatum] 2017 tot en met 30 juni 2024 te Ameland en/of Dokkum, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met zijn, verdachtes, eigen kind, de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze aan een verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten -het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en/of -het aanraken en/of likken en/of bijten van de borsten en/of tepels van die [slachtoffer] , en/of -het likken van de vagina van die [slachtoffer] , en/of -het vasthouden, en/of het duwen van het hoofd van die [slachtoffer] richting zijn, verdachtes, geslachtsdeel -het vaginaal en/of anaal en/of oraal penetreren met zijn, verdachtes, (stijve) penis van die [slachtoffer] , -het klaarkomen op het lichaam en/of in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] ; 3. hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 november 2025 te Ameland en/of Dokkum en/of Leeuwarden, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, met een persoon, zijn, verdachtes, eigen kind, te weten [slachtoffer] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten -het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en/of -het aanraken en/of likken en/of bijten van de borsten en/of tepels van die [slachtoffer] , en/of -het likken van de vagina van die [slachtoffer] , en/of -het vaginaal en/of anaal en/of oraal penetreren met zijn, verdachtes, (stijve) penis van die [slachtoffer] , -het klaarkomen op het lichaam en/of in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en/of gevolg door dwang en/of bedreiging en/of geweld, door -een zodanige psychische druk te creëren door misbruik te maken van zijn, verdachtes, geestelijke overwicht, en/of -het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht van zijn positie als vader en/of zorg/hulpverlener en/of steunpilaar van die [slachtoffer] , en/of -het normaliseren van een seksuele verhouding tussen die [slachtoffer] en hem, verdachte -door die [slachtoffer] haar hoofd vast te pakken en deze richting zijn geslachtsdeel te duwen om hem te pijpen. Beoordeling van het bewijs Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1, feit 2 primair en feit 3. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verklaring die [slachtoffer] heeft afgelegd betrouwbaar is. [slachtoffer] heeft telkens consistent verklaard en daarnaast is haar verklaring authentiek en gedetailleerd. Daarbij heeft de officier van justitie benadrukt dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en dat het feit dat zij consistent verklaart daardoor extra bijdraagt aan de betrouwbaarheid van haar verklaring. De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] op vele punten wordt ondersteund door getuigenverklaringen, de verklaring van verdachte en hetgeen is aangetroffen op de kamer van [slachtoffer] en in de loods in Dokkum. De verklaring van de moeder van [slachtoffer] doet niet af aan de geloofwaardigheid van [slachtoffer] . Er zijn geen aanwijzingen dat [slachtoffer] over ingrijpende levensgebeurtenissen zou liegen. Verdachte heeft een klein deel van de ten laste gelegde handelingen bekend. Hij verklaart dat de seksuele handelingen gedurende een periode van 12 tot 13 maanden hebben plaatsgevonden en dat het initiatief tot het verrichten van die handelingen vanuit [slachtoffer] kwam. Verdachte heeft echter uitspraken gedaan die dat laatste weerspreken. Daarnaast volgt uit het dossier dat verdachte heeft gelogen tegen zijn vrouw, dat hij heeft aangegeven dat [slachtoffer] niet liegt en dat hij [slachtoffer] in een slecht daglicht probeert te plaatsen. De officier van justitie acht de verklaring van verdachte dan ook selectief betrouwbaar. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van dit feit te komen, aangezien het dossier geen steunbewijs bevat voor de verklaring van [slachtoffer] dat afkomstig is uit een andere, onafhankelijke bron. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring zou komen, de ten laste gelegde handelingen niet te kwalificeren zijn als ontucht in de zin van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), nu de seksuele strekking van deze handelingen ontbreekt. Ten aanzien van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van [slachtoffer] onbetrouwbaar is. De verklaring van [slachtoffer] over de periode van feit 2 is namelijk heel beperkt. Concrete details over wat er in die periode zou zijn gebeurd ontbreken. Daarnaast heeft [slachtoffer] tegen meerdere personen aangiftes gedaan van zedenfeiten, hebben professionals zich uitgesproken over de beperkingen van [slachtoffer] en heeft zij zelf meerdere keren verklaard dat zij wel eens dingen invult. De verklaring van [slachtoffer] is dan ook onvoldoende betrouwbaar om tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 primair en subsidiair ten laste gelegde te komen. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat steunbewijs voor dit feit ontbreekt. Ten aanzien van het onder feit 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de ontbrekende wil van [slachtoffer] in de zin van artikel 243 Sr. Verdachte handelde in de veronderstelling dat [slachtoffer] instemde met de seksuele handelingen. Daarnaast was [slachtoffer] psychisch en fysiek in staat tot een vrije wilsuiting. Verder heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat het dossier ook geen bewijs bevat voor dwang, geweld of bedreiging. Mocht de rechtbank oordelen dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en tot een bewezenverklaring komen van één of meerdere feiten, dan stelt de raadsvrouw dat de bewezenverklaarde feiten als een voortgezette handeling moeten worden beschouwd. Daarnaast doet de raadsvrouw het voorwaardelijke verzoek om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van één of meer onderdelen van de ten laste gelegde feiten komt, de zaak aan te houden en aan de raadsvrouw al dan niet geanonimiseerde kopieën van door [slachtoffer] eerder gedane aangiftes van zedenfeiten te verstrekken. Oordeel van de rechtbank Vooraf Zedenzaken kenmerken zich door het feit dat er doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij de (veronderstelde) seksuele handelingen: het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader. Bewijs van schuld aan het verwijt of de verwijten is daarom vaak moeilijk vast te stellen. Betrouwbaarheid verklaringen Enkel een betrouwbare verklaring kan als uitgangspunt dienen voor de verdere beoordeling van het aan de verdachte ten laste gelegde. Bij de beoordeling van een verklaring op betrouwbaarheid gaat het onder andere om consistentie, authenticiteit, spontaniteit en waargenomen emoties. De rechtbank zal hierna dan ook ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . Daarbij merkt de rechtbank in zijn algemeenheid op dat het enkele feit dat verklaringen op punten van elkaar verschillen of tegenstrijdigheden bevatten, niet meteen maakt dat deze op zichzelf onbetrouwbaar zijn. Dergelijke verschillen kunnen immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet veroorzaakt door tijdsverloop of emoties die zijn ontstaan naar aanleiding van het delict. De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. Bewijsminimum Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan het bewijs dat de verdachte een strafbaar feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. In deze zaak betekent dat dat de verklaring van [slachtoffer] alleen onvoldoende is. Zonder steunbewijs is het niet mogelijk om tot een bewezenverklaring te komen. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het zedendelict als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is als de verklaring van het slachtoffer op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen afkomstig van een andere bron. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Vrijspraak t.a.v. feit 1 De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde te komen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij 13 of 14 jaar oud was en net van school af ging toen het seksuele misbruik door verdachte begon. Zij en haar gezin woonden toen nog in [plaats 1] . In die periode zou er nog geen sprake zijn geweest van de meest verregaande seksuele handelingen tussen haar en verdachte, maar zou verdachte wel aan haar hebben gezeten. Zo zou hij wel eens in haar borsten hebben geknepen en haar borsten hebben geaaid. Ook zou verdachte een keer haar vagina met zijn vinger hebben gepenetreerd. Verdachte heeft ontkend dat er ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in [plaats 1] . Hij ontkent dat hij de vagina van [slachtoffer] met zijn vinger heeft gepenetreerd. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wel eens omhelsde, maar dat hij in die tijd niet aan haar borsten heeft gezeten. Hoewel het dossier de nodige vragen oproept met betrekking tot de gedragingen die zouden hebben plaatsgevonden tussen [slachtoffer] en verdachte in [plaats 1] , is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende steunbewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van feit 1. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte dat hij [slachtoffer] wel eens omhelsde onvoldoende om als steunbewijs te kunnen dienen voor de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar vagina met zijn vingers heeft gepenetreerd en de andere in de tenlastelegging genoemde ontuchtige handelingen heeft verricht. Omdat ook in de overige inhoud van het dossier onvoldoende bewijs voorhanden is dat steun biedt aan de verklaring van [slachtoffer] over de periode dat zij nog in [plaats 1] woonde, kan de rechtbank niet vaststellen of de ten laste gelegde seksuele handelingen destijds daadwerkelijk in de tenlastegelegde periode hebben plaatsgevonden. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank niet wettig te bewijzen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte om die reden daarvan vrijspreken. Bewezenverklaring t.a.v. feit 2 primair en feit 3 De rechtbank acht het onder feit 2 primair en onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. 1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een uitwerking informatief gesprek, d.d. 27 november 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025312677 d.d. 19 juni 2026, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : Hij (de rechtbank begrijpt: de verdachte) heeft seks met mij. Dat ( de rechtbank begrijpt: met zijn geslachtsdeel in mij ) begon op Ameland. Dat gebeurt altijd op de bank. Dan aait hij mij over mn hoofd en dan zit die overal aan. En dan zegt die “kom je?”. En dan kom ik maar. Dan laat ik het maar van me afgaan, wat ik eigenlijk niet wil. Dan moet ik mijn kleren uitdoen en dan wil die z'n geslachtsdeel in mij hebben, wat ik niet wil. En dat doet mij ook zeer. En hij zegt: “je vindt het wel fijn”, dan zeg ik “ja”. Ik durf dan geen “nee” te zeggen. En hij heeft dan ook wel eens z'n sperma over me heen gespoten en dat vond ik heel vies en niet fijn. Het is er ook wel eens ingegaan. Daar heb ik een zwangerschapstest voor gedaan. Ik moest hem toen kopen. En ik had toen ook een pil gekocht. Dat moest ik van hem doen. Dat hij seks met mij heeft, gebeurt meestal twee keer in de week. Ik ben wel heel vaak ongesteld, omdat ik de pil dan niet neem wegens mn vader. Dan rommel ik maar wat met die pil, omdat ik graag ongesteld wil worden. Als ik ongesteld ben, dan gaat mijn vader er niet in. Ja, ik bedoel dat hij dan niet met zijn geslachtsdeel in mij gaat. Woensdag twee weken terug is het voor het laatst gebeurd. Elke keer als hij met mij seks wil dan doet hij er een pornofilm voor en dan moet ik daarnaar kijken. Hij zegt dan dat ik daarvan opgewonden raak. Ik vind dat niet leuk om te zien. En toen zei hij tegen mij “wil je een kus hebben?”. Toen gaf die me een kus. Ik moest mn kleren uitdoen en dan wil die mij een beetje nat maken en toen deed die hem in de vagina. Daarmee bedoel ik zijn geslachtsdeel. Toen ging die heen en weer. En ik moest hem ook in mn mond doen, wat ik niet wou. Dat vind ik ook niet fijn. Ik vind dat vies. Dat ik hem in mijn mond had is meerdere keren gebeurd. Het is ook op andere plaatsen gebeurd. Het is ook gebeurd in de villa in Nes en in de vakantiehuisjes die wij schoonmaken. Als mn moeder weg was, dan moest ik bij hem slapen op de kant van mijn moeder. Dan doet die ook dingen met mij wat ik niet wil. Het is ook gebeurd op de zolder in het hok. Als hij bovenop mij ligt doe ik zo. [slachtoffer] brengt haar beide handen richting haar kruis. Hij is best wel zwaar. Het doet ook pijn, hij drukt hier heel erg op. Het is ook in Dokkum gebeurd. In de loods. Ook seks. Zo bij de tafel, toen deed hij hem er ook in. Toen had die van die rubbers, van die condooms. En toen zei die “ja, ik weet dat je het niet fijn vindt, maar er komt misschien eens een keer wat uit, sperma”. En hij zei “dan zit het daar maar in, in die condoom”. En ik moest ook een keer condooms halen. Die liggen thuis in een kluisje. Daar kan mama ze niet vinden. Dat kluisje is van mij. Er missen één of twee uit. Papa heeft de macht over ons allemaal. Hij heeft de macht over mn bankrekening. Wat tussen mij en mijn vader gebeurt, dat moet ik voor me houden. Ik ben bang dat hij dan zegt: “donder maar op”. Ik ben bang dat hij mij gaat slaan of schoppen. 2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, inhoudende een uitwerking studioverhoor, d.d. 15 april 2026, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] : Hij ( de rechtbank begrijpt: de verdachte ) zat aan mijn tepels en aan mijn geslachtsdeel. Mijn vagina bedoel ik. Hij beet hier wel altijd. Ik bedoel mijn linkerborst. Hij zit altijd aan mijn tepels. Hij bijt en zuigt altijd in mijn tepels als we seks hebben. En ik zeg heel vaak “au”, want dat doet mij heel veel pijn. Hij heeft ook wel onder gelikt. Ik bedoel dan bij mijn vagina. Dat doet die ook altijd als we seks hebben. Ik zeg overal ja op. Ik moet op de bank liggen, ik lig dan op mijn rug. Dan moet ik mijn benen wijd doen en als het goed nat wordt, dan doet hij hem in de vagina, heen en weer dat hij er helemaal in zit. Dat sperma moet er dan niet in. Hij spuit het over mij heen, hier over mijn buik of hij gaat snel naar de wc. Ik lig altijd in een hoekje van de bank. Ik heb mijn voeten altijd om hem heen bij zijn rug. We doen eerst kleffen, kusjes. Kleffen is gewoon zoenen. Hij doet dan met de mond erbij maar ik werk niet echt mee met de tong. Als mijn moeder weg is, lig ik bij mijn vader in bed. Dat moet dan, dan hebben we ook seks. Dat is een paar keer gebeurd. We hebben twee keer in een hotel gezeten. Het gebeurde toen ook, seks. Dat was in het [hotel] in Leeuwarden. In de vakantiehuisjes komt zn sperma er wel eens uit. Maar het komt dan niet in mij, wel in mijn mond. Dat vind ik het vieste. Dat is wel heel vaak gebeurd. Ik heb het wel eens doorgeslikt en dan kwam het er meteen weer uit. Ik heb vaak gekotst. Het hoorde bij de seks. Op de zolder van het hok is het ook gebeurd. Er stond op zolder een tafel, daar gebeurde het altijd van achteren. Niet altijd in dat andere gaatje, maar mijn poepgat. Daar deed die zn geslachtsdeel in, van achteren. Daar heb ik altijd best wel last van. Hij doet het altijd heel hard bij mij. Ik moest toen wel glijmiddel kopen, dat heb ik ook nog wel boven in een kluisje. Maar mn kleren doe ik daar niet uit op de zolder in het hok. Ik vind het daar koud. In de loods in Dokkum is ook wat gebeurd. Volgens mij is het daar vier keer gebeurd. In de stoel gebeurde het, en we hadden een tafel en dan moest ik zo staan dat hij hem van achteren erin kon doen. Ik mocht van mijn vader niks tegen mijn moeder zeggen. Ik heb ook wel een keer gezegd dat ik geen zin heb. Dan zegt hij “dan maak je maar zin”. In 2018 zijn wij naar Ameland gegaan. 3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 november 2025, opgenomen op pagina 370 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte: We ( de rechtbank begrijpt: verdachte en [slachtoffer] ) hebben seks gehad. In 2018 zijn we naar Ameland gegaan. Het was eerst een hele tijd krûpen en ouwehoeren. Het was in huis. We waren in de kamer op de bank beneden. Het begon met de handen. Zij lag op de rug, ik over haar heen. Het klopt dat ik met mijn piemel een klein stukje in de vagina van [slachtoffer] ben geweest. Ik heb een keer aan haar tieten gezeten, dat deed haar zeer. Het klopt dat het op de bank is gebeurd. Ze is wel een keer bij mij in bed geweest. Daar kan wel wat gerommel geweest zijn. In de loods in Dokkum heb ik haar een keer gestreeld over de tieten. Het klopt dat we in het [hotel] in Leeuwarden zijn geweest. [slachtoffer] is naar speciaal onderwijs geweest. Ze kon op het laatst niet meer meekomen op school. 4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 november 2025, opgenomen op pagina 395 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte: Het klopt dat ik toegang heb tot het rekeningnummer van [slachtoffer] . Ik houd de bankrekening van [slachtoffer] wel in de gaten . Ik wil geen seks als de vrouw ongesteld is. Dat ik met [slachtoffer] naar het [hotel] ben geweest in Leeuwarden is twee keer gebeurd. De laatste keer dat het gebeurde was 5 à 6 weken geleden. Soms zei ze ook wel “ik wil het nu even niet” en dan wilde ze ook niet meer krûpen. Ik heb wel eens een pornofilm opgezet. Eén kant van haar tepels is heel gevoelig. Ik mag er niet aankomen. Een keer met de duim erdoorheen. Het klopt dat ik naar de wc ga als het stopt. Ik maak mijzelf dan schoon. Het klopt dat [slachtoffer] niet wil zoenen. Ze houdt de mond dicht. Dat krijg ik niet voor elkaar. Ik probeer het wel. Ik pak haar beet en ik probeer het. Ze wil niks in de mond hebben want dat vindt ze vies. In de loods in Dokkum zijn wel condooms geweest. Als het goed is dan is er eentje uit. [slachtoffer] liegt er niet om dat ik aan haar heb gezeten. 5. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van Accare d.d. 7 juli 2016, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende: [slachtoffer] is bekend met een cognitief niveau op de grens van een lichte en matige verstandelijke beperking. Op de meeste testonderdelen scoort zij op een matig verstandelijk beperkt niveau. [slachtoffer] is een verlegen en bedeesd meisje dat de ander een plezier wil doen en niet wil teleurstellen. Ze is kwetsbaar. [slachtoffer] heeft voortdurend toezicht, begeleiding en bijsturing nodig. De problematiek van [slachtoffer] is langdurig. Veel verbetering kan niet verwacht worden, er zal zeer lange tijd intensieve zorg en ondersteuning nodig zijn. 6. Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) d.d. 23 december 2016, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende: De medisch adviseur heeft vastgesteld: [slachtoffer] heeft een laag IQ (ca. 50). Als gevolg hiervan heeft zij gedurende de dag begeleiding nodig. Een probleem herkennen en tot een oplossing komen is lastig voor haar. Op basis van de recente IQ test kan de grondslag Verstandelijk Gehandicapt worden vastgesteld. Er is sprake van psychiatrische problematiek (conversiestoornis zich uitend in epileptiforme aanvallen tgv overvragen). Gezien de cognitieve beperkingen van verzekerde (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) en haar neiging tot epileptiforme aanvallen bij overvragen, is het voldoende medisch te onderbouwen dat verzekerde is aangewezen op 24 uur zorg in de nabijheid voor overname van de regie en voorkomen van overvraging. Verzekerde kan zowel i.v.m. de verminderde cognitie als tgv de epileptiforme aanvallen niet adequaat op relevante momenten hulp inroepen. Het is voldoende medisch te onderbouwen dat verzekerde blijvend aangewezen zal zijn op 24 uur zorg in de nabijheid. Het CIZ concludeert dat verzekerde aanspraak heeft op een WLZ-indicatie. Bewijsoverwegingen Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer] De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] gedetailleerd en consistent heeft verklaard over de seksuele handelingen die tussen haar en verdachte hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft gedetailleerd verklaard over waar en op welke manier de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. Dit heeft [slachtoffer] zowel op verschillende momenten bij de politie als tegenover de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , tegenover wie zij als eerst over het misbruik heeft verklaard, gedaan. De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van [slachtoffer] op belangrijke punten wordt bevestigd door de verklaringen die verdachte zelf heeft afgelegd. Verdachte heeft de verregaande seksuele handelingen tussen hem en zijn dochter deels bekend. Zo heeft hij onder meer verklaard dat hij seks heeft gehad met [slachtoffer] waarbij sprake is geweest van penetratie met zijn penis in de vagina van [slachtoffer] . Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de borsten van [slachtoffer] heeft aangeraakt en haar heeft gezoend. Ook op andere punten worden de verklaringen van [slachtoffer] bevestigd door de verklaringen van verdachte. Zo verklaren zij beiden dat de seks plaatsvond op de bank in de woonkamer terwijl de rest van het gezin op die momenten boven was. Daarnaast verklaren zij beiden over de pornofilms die werden afgespeeld, dat er geen seks plaatsvond als [slachtoffer] ongesteld is en dat verdachte na het klaarkomen naar de wc gaat. Ook verklaren zij allebei dat zij twee keer samen in het [hotel] in Leeuwarden zijn geweest, dat [slachtoffer] niet wilde tongzoenen, niets in haar mond wilde, dat één van haar tepels heel gevoelig is en ze niet wil dat verdachte daar aan komt, en dat er condooms aanwezig waren in de loods in Dokkum. De overtuiging van de rechtbank dat de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig is, wordt daarnaast versterkt door het feit dat verdachte op meerdere punten heeft verklaard over het lichaam, de seksualiteit en de voorkeuren van zijn dochter. Deze verklaringen gaan veel verder dan kennis die vaders normaal over hun dochters hebben. Daarbij heeft verdachte in detail verklaard over bepaalde (seksuele) handelingen en het lichaam van [slachtoffer] . Zo heeft verdachte verklaard dat hij niet aan de borsten van [slachtoffer] mag zitten, omdat één kant gevoelig is. Ook heeft verdachte verklaard dat de vagina van [slachtoffer] nauw is en dat [slachtoffer] niks in haar mond wil hebben, omdat ze dit vies vindt. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] ook wel probeert te tongzoenen, maar dat zij dat niet wil en dan haar lippen stijf op elkaar houdt. Dat [slachtoffer] deze beschuldigingen heeft gedaan in het kader van een plan om verdachte kapot te maken, zoals verdachte heeft gesteld, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft hier geen verdere onderbouwing voor gegeven. Ook gaat verdachte hierin volledig voorbij aan het feit dat [slachtoffer] nog erg jong is en een forse verstandelijke beperking heeft waardoor zij volledig afhankelijk is van verdachte voor hulp en ondersteuning. Dit draagt bij aan de betrouwbaarheid van [slachtoffer] s verklaring. Steunbewijs De verklaringen van [slachtoffer] over de seksuele handelingen vinden, zoals hiervoor ook al overwogen, in voldoende mate steun in de verklaringen van verdachte. Tussenconclusie De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn en in voldoende mate steun vinden in de verklaringen van verdachte. Bij de beoordeling van de vraag hoe de seksuele handelingen die hebben plaatsgevonden gekwalificeerd dienen te worden en in welke periode deze handelingen hebben plaatsgevonden, gaat de rechtbank dan ook uit van de verklaringen van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt verder dat de seksuele handelingen onder twee verschillende feiten ten laste zijn gelegd gelet op de wetswijziging van 1 juli 2024. De rechtbank zal hierna daarom eerst ingaan op de vereiste “dwang” in de zin van artikel 242 (oud) Sr en daarna op de bestanddelen “ontbrekende wil” en “dwang” in de zin van artikel 243 Sr. Dwang door een andere feitelijkheid in de zin van artikel 242 (oud) Sr De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van geweld en/of bedreiging met geweld. De rechtbank kan op basis van het dossier niet bewezen verklaren dat verdachte in de ten laste gelegde periode het hoofd van [slachtoffer] heeft vastgepakt en haar hoofd in de richting van zijn geslachtsdeel heeft geduwd om hem te pijpen. Hoewel [slachtoffer] wel heeft verklaard dat dit wel eens is gebeurd, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen in welke periode deze specifieke handeling heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. De vraag is vervolgens of sprake is geweest van zogenaamde andere feitelijkheden in de zin van artikel 242 (oud) Sr. Het kan daarbij gaan om handelingen, maar ook om mededelingen en omstandigheden. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen, moeten deze feitelijkheden van zodanige aard en omvang zijn dat zij samen zon grote psychische druk op het slachtoffer hebben gelegd, dat zij op het moment van de seksuele handelingen niets anders kon doen dan die handelingen dulden. Voor een bewezenverklaring van verkrachting is niet voldoende dat er enkel een afhankelijkheidsrelatie tussen een verdachte en het slachtoffer heeft bestaan, waardoor de verdachte overwicht op haar had. Er moet meer zijn. Deze relatie en het psychisch overwicht kunnen een slachtoffer beïnvloeden, maar maken haar handelen niet per se onvrijwillig. Andere factoren kunnen van belang zijn, zoals het leeftijdsverschil en de persoonlijke kenmerken van het slachtoffer. Bij een kwetsbaar persoon zal bijvoorbeeld eerder sprake zijn van dwang dan bij een minder kwetsbaar iemand. Vaststaat dat verdachte de vader is van [slachtoffer] en dat daarom sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. Dit is, zoals hiervoor besproken, op zichzelf echter onvoldoende om het handelen van verdachte als verkrachting aan te merken. De rechtbank moet beoordelen of er nog andere omstandigheden of handelingen zijn die als feitelijkheden kunnen worden gezien. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. [slachtoffer] was zowel als minderjarige als volwassene toevertrouwd aan de zorg van verdachte. [slachtoffer] is verstandelijk beperkt en heeft een WLZ-indicatie. Verdachte beheerde het PGB van [slachtoffer] en hield, als haar zorgverlener, toezicht op haar rekening. [slachtoffer] is rond haar dertiende of veertiende van school (speciaal onderwijs) gegaan, heeft geen werk of andere vorm van dagbesteding en was dus altijd thuis. Verdachte wist ook dat [slachtoffer] verstandelijk beperkt is. Daarnaast heeft [slachtoffer] verklaard dat ze rommelde met haar anticonceptiepil, omdat verdachte geen seks met haar wilde hebben als zij ongesteld was. Daarom wilde ze liever ongesteld zijn. Verder heeft [slachtoffer] verklaard dat ze bang is voor haar vader en geen “nee” durfde te zeggen. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat ze van verdachte, haar vader, niets tegen anderen mocht zeggen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van dwang, aangezien verdachte misbruik heeft gemaakt van zowel zijn geestelijke overwicht, als van zijn uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht van zijn positie als vader en zorgverlener. Wetenschap ontbrekende wil en dwang in de zin van artikel 243 Sr De rechtbank kan op grond van het dossier vaststellen dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft en had ten tijde van het tenlastegelegde. Bij haar is een IQ van circa 50 vastgesteld. Daarnaast heeft [slachtoffer] een WLZ-indicatie en duidelijk is dat zij voortdurend toezicht, begeleiding en bijsturing nodig heeft. Uit het dossier volgt verder dat [slachtoffer] anderen niet wil teleurstellen, please -gedrag vertoont en geen “nee” durft te zeggen. De rechtbank is van oordeel dat dit geschetste beeld van [slachtoffer] volledig past bij de manier waarop zij het seksueel misbruik heeft ondergaan. De rechtbank komt, gelet op het voorgaande, tot de conclusie dat er bij [slachtoffer] sprake was van een zodanige verstandelijke handicap dat zij onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. De rechtbank komt op basis van het dossier ook tot de conclusie dat verdachte zich er bewust van was dat [slachtoffer] , door haar beperking, haar wil niet kon bepalen ten aanzien van de seksuele handelingen. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat [slachtoffer] naar het speciaal onderwijs ging en dat zij van school is gegaan, omdat zij niet meer mee kon komen op school. Uit het dossier volgt verder dat verdachte in het bezit was van een brief van Accare uit 2016 waarin aangegeven staat dat [slachtoffer] op de grens van een lichte en matige verstandelijke beperking functioneert. Verdachte heeft deze brief in een bezwaarprocedure naar het CIZ gestuurd. Het CIZ heeft vervolgens besloten om het bezwaar gegrond te verklaren en geoordeeld dat [slachtoffer] wel aanspraak kan maken op een WLZ-indicatie. Daarbij wordt overwogen dat [slachtoffer] 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig heeft, omdat zij niet in staat is om gedurende de 24 uur op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte wist dat [slachtoffer] een forse beperking had. De rechtbank is van oordeel dat ook ten aanzien van dit feit sprake is geweest van dwang en verwijst hierbij naar hetgeen hiervoor ten aanzien van de vereiste dwang in de zin van artikel 242 (oud) Sr is opgenomen, zodat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan gekwalificeerde opzetverkrachting. Pleegperiode en plaats ten aanzien van feit 2 primair Ten aanzien van de ten laste gelegde pleegperiode overweegt de rechtbank als volgt. [slachtoffer] heeft verklaard dat het seksueel binnendringen is begonnen toen haar gezin naar [plaats 2] is verhuisd. Uit de persoonsgegevens van verdachte die zich in het dossier bevinden volgt dat hij sinds 11 september 2018 staat ingeschreven op het adres op [plaats 2] waar het gezin verbleef. De rechtbank zal daarom aansluiting zoeken bij voornoemde datum ten aanzien van de bewezenverklaarde periode van het onder feit 2 primair ten laste gelegde. De rechtbank acht daarnaast niet bewezen dat de seksuele handelingen in deze periode ook in de loods in Dokkum hebben plaatsgevonden, aangezien uit het dossier volgt dat deze loods eerst in 2025 is aangekocht dan wel gehuurd. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging. Voortgezette handeling De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat de onder feit 2 primair en onder feit 3 ten laste gelegde feiten moeten worden beschouwd als een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr. Aan verdachte worden onder beide feiten dezelfde feitelijke verwijten gemaakt. De seksuele handelingen zijn echter in twee aparte feiten ten laste gelegd gelet op de invoering van de nieuwe zedenwetgeving met ingang van 1 juli 2024. Voorwaardelijk verzoek raadsvrouw De rechtbank zal het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw afwijzen. De rechtbank overweegt daartoe dat de meervoudige strafkamer van deze rechtbank dit verzoek van de raadsvrouw op een eerdere pro-formazitting heeft afgewezen. De rechtbank acht, net zoals de rechtbank tijdens die eerdere pro-formazitting, toevoeging van de gevraagde stukken niet noodzakelijk voor de beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 Sv. De rechtbank overweegt daarbij dat de raadsvrouw geen nieuwe of andere argumenten naar voren heeft gebracht ten opzichte van de eerdere pro-formazitting, zodat de rechtbank ook geen enkele aanleiding ziet om anders te beslissen op dit verzoek. Bewezenverklaring De rechtbank acht het onder feit 2 primair en onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: Feit 2 primair hij in de periode van 11 september 2018 tot en met 30 juni 2024 te Ameland, meermalen, door andere feitelijkheden zijn, verdachtes, eigen kind, [slachtoffer] , die aan zijn zorg en waakzaamheid was toevertrouwd, heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten -het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en -het aanraken en likken en bijten van de borsten en tepels van die [slachtoffer] , en -het likken van de vagina van die [slachtoffer] , en -het vaginaal en anaal en oraal penetreren met zijn, verdachtes, penis van die [slachtoffer] , en -het klaarkomen op het lichaam en in de vagina en in de mond van die [slachtoffer] en bestaande die andere feitelijkheden uit het telkens misbruik maken van zijn geestelijke overwicht en het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht van zijn positie als vader en zorgverlener van die [slachtoffer] ; Feit 3 hij in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 november 2025 te Ameland en Dokkum en Leeuwarden, meermalen, met een persoon, zijn, verdachtes, eigen kind, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten -het (tong)zoenen van die [slachtoffer] , en -het aanraken en likken en bijten van de borsten en tepels van die [slachtoffer] , en -het likken van de vagina van die [slachtoffer] , en -het vaginaal en anaal en oraal penetreren met zijn, verdachtes, penis van die [slachtoffer] , en -het klaarkomen op het lichaam en in de vagina en in de mond van die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en welke opzetverkrachting werd voorafgaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, door -een zodanige psychische druk te creëren door misbruik te maken van zijn, verdachtes, geestelijke overwicht, en -het uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht van zijn positie als vader en zorgverlener van die [slachtoffer] . Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: de voortgezette handeling van: 2. primair verkrachting, terwijl de schuldige het feit begaat tegen zijn kind en het feit is voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, meermalen gepleegd; 3. opzetverkrachting voorafgegaan door, vergezeld van en gevolgd door dwang, meermalen gepleegd. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1, feit 2 primair en feit 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat er sprake is van een voortgezette handeling in de zin van artikel 56 Sr. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om bij de straftoemeting rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Het is de verantwoordelijkheid van een ouder om zijn of haar kind een veilige en geborgen omgeving te bieden waarin hij of zij kan opgroeien tot een volwassene. Verdachte heeft hierin gefaald, nu blijkt dat [slachtoffer] deels nog gedurende de tijd dat zij minderjarig was, door hem seksueel is misbruikt. In plaats van zijn dochter die geborgenheid en bescherming te bieden, heeft verdachte zich overgegeven aan zijn eigen seksuele behoeftes. Hij heeft met zijn handelen een normale en gezonde seksuele ontwikkeling van zijn dochter doorkruist. Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn dochter in hem mocht stellen en de veiligheid die zij van hem mocht verwachten, op ernstige wijze beschaamd en veronachtzaamd. Dit klemt temeer nu [slachtoffer] door haar beperkingen een kwetsbaar persoon is, die veel zorg nodig heeft, die verleend werd door verdachte. Verdachte heeft niet alleen in zijn rol als vader maar ook in zijn rol als hulpverlener volledig gefaald ten opzichte van [slachtoffer] . Het is een feit van algemene bekendheid dat ernstig seksueel misbruik over een langere periode langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van de slachtoffers. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat door incest gezinnen vaak uit elkaar vallen en de rust binnen het gezin ernstig wordt verstoord. Het maakt levens kapot. Ook in deze zaak is dat het geval, zo blijkt uit de slachtofferverklaring die namens [slachtoffer] ter zitting is voorgedragen. Daar blijkt uit dat [slachtoffer] steeds meer voelde dat zij het bezit werd van verdachte, gelet op zijn machtspositie. Zo bedreigde verdachte haar als ze niet deed wat hij haar vroeg en oefende hij op verschillende manieren de controle op haar uit. [slachtoffer] beschrijft dat het voelde alsof ze bevroren was en niks durfde. Toen er in november 2025 een einde kwam aan het misbruik, moest ze haar oude omgeving achterlaten. Het voelt voor [slachtoffer] alsof zij de schuldige is, omdat haar gezin uit elkaar is gevallen en zij er nu helemaal alleen voor staat. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zich voor een langere periode schuldig heeft gemaakt aan het misbruik van [slachtoffer] . Er zijn genoeg momenten geweest waarop verdachte zich op zijn handelen had kunnen bezinnen en hulp had kunnen zoeken. De rechtbank neemt het verdachte ook kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen. Hij legt de verantwoordelijkheid volledig bij [slachtoffer] door te stellen dat het initiatief altijd vanuit haar kwam. Verdachte ziet niet in dat hij degene is geweest die misbruik heeft gemaakt van zijn positie als vader en zorgverlener van [slachtoffer] . Justitiële documentatie Uit de justitiële documentatie van 13 juli 2026 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft daarnaast gelet op het advies van Reclassering Nederland van 24 maart 2026. Uit het advies blijkt dat de reclassering door de grotendeels ontkennende houding van verdachte geen goede delictanalyse heeft kunnen maken. De reclassering merkt de leefgebieden gezin en relatie, psychosociaal functioneren en middelengebruik aan als delictgerelateerd. Daarnaast constateert de reclassering dat er sprake is van een zeer kwetsbaar gezinssysteem. De reclassering merkt op dat verdachte weinig verantwoordelijkheid neemt voor het delictgedrag en zichzelf voornamelijk als slachtoffer van de situatie ziet. De reclassering schat, ondanks het voorgaande, de kans op herhaling in als laag omdat op basis van onderzoek bekend is dat er in geval van seksueel misbruik binnen het gezin vaak een relatief laag risico is op recidive. Op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat een lange gevangenisstraf de enige passende straf is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Er zijn nog geen oriëntatiepunten voor gekwalificeerde opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243 lid 2 Sr, zoals in dit geval aan de orde is, maar wel voor verkrachting als bedoeld in artikel 242 (oud) Sr. Dit betreft in beginsel hetzelfde misdrijf. Voor één enkele verkrachting met geweld of met een daarmee vergelijkbare mate van dwang volgt uit de oriëntatiepunten ter zake artikel 242 Sr (oud) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden als uitgangspunt. Tegen deze achtergrond is de eis van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar passend, gelet op de lange duur en vele voorvallen van het seksuele misbruik. De rechtbank overweegt verder dat zij verdachte vrijspreekt van feit 1 en minder bewezen heeft verklaard dan waar de officier van justitie bij zijn eis van uit is gegaan. Echter is het verwijt dat verdachte wordt gemaakt met de bewezen verklaarde feiten zo ernstig dat de rechtbank niet zal afwijken van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, dan ook passend en oplegging daarvan geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv. Benadeelde partij De vordering van [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 682,44 ter vergoeding van materiële schade en 35.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Mr. R. IJbema heeft de vordering namens de benadeelde partij ingediend en ter terechtzitting toegelicht. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor volledige toewijzing in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair verzocht om de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het verzoek om verdachte integraal vrij te spreken. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om het bedrag dat gevorderd wordt ter zake van de geleden immateriële schade aanzienlijk te matigen. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat het bedrag beperkt dient te worden nu een bewezenverklaring hooguit kan zien op een periode van enkele maanden in plaats van een aantal jaren. De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde materiële schade. Oordeel van de rechtbank De vordering van [slachtoffer] Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 primair en onder feit 3 bewezen verklaarde. De rechtbank acht de vordering alleszins redelijk, aangezien de bewezenverklaarde feiten zich hebben afgespeeld in een periode van zeven jaren en het gaat om een kwetsbaar slachtoffer. Daarmee sluit de vordering aan bij de Rotterdamse schaal. De verhuiskosten zijn onderbouwd en niet door de verdediging betwist. Daarom zal de gehele vordering worden toegewezen. Schadevergoedingsmaatregel Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. Veroordeling in de kosten De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Wettelijke rente De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025. Ook ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel zal dit worden bepaald. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 56, 57, 242 (oud), 243 en 248 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het onder feit 2 primair en onder feit 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht. Benadeelde partij De vordering van [slachtoffer] Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen: - het bedrag van 35.682,44 (zegge: vijfendertig duizend zeshonderd tweeëntachtig euro en vierenveertig cent); de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 november 2025 tot de dag van algehele voldoening; de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil. Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 35.682,44 (zegge: vijfendertig duizend zeshonderd tweeëntachtig euro en vierenveertig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 682,44 aan materiële schade en 35.000,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 177 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op. Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden. Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. A. Niklasch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026. Mr. C. Brouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291299 · 2026-08-22
