# Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11-08-2026 (200.370.650/01)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Identifier: ECLI:NL:GHARL:2026:5246
- Date: 2026-08-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHARL%3A2026%3A5246
- Canonical: https://overview.legal/posts/291310
- Topics: Meaningful Human Review and Decision-Making, Minors, Consent, Representatives, Personal Data

## Summary

Familierecht. Zorgregeling. Enige uitbreiding van de zorgregeling, zoals in eerste aanleg bepaald, omdat het kind de moeder mist. Geen herleving van de oorspronkelijke zorgregeling omdat de veiligheid dat onvoldoende kan worden gewaarborgd.

## Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Leeuwarden afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.370.650/01 zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 610428 arrest van 11 augustus 2026 in de zaak van [appellante] (de moeder), die woont in [woonplaats] , advocaat: mr. M.G. Pittaluga, en [geïntimeerde] (de vader), die woont in [woonplaats] , advocaat: mr. S. Flantua. In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Midden Nederland, locatie Lelystad. 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. De moeder heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding dat op 20 mei 2026 tussen partijen is uitgesproken door de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: • de dagvaarding in hoger beroep; • de memorie van grieven; • een akte van de moeder van 8 juli 2026 met bijlage(n); • de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep; • de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep. 1.2. [de minderjarige] heeft op 27 juli 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij van de zorgregeling vindt. 1.3. De mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden op 28 juli 2026. De moeder en de vader waren aanwezig, bijgestaan door hun advocaten. En er was een zittingsvertegenwoordiger van de raad aanwezig. Mr. Flantua heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnotitie. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. De vader en de moeder zijn getrouwd geweest. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2017. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uit. 2.2. Bij beschikking van 14 april 2021 is bepaald dat als voorlopige zorgregeling zal gelden dat [de minderjarige] bij de vader verblijft: - wekelijks op maandag en dinsdag, alsmede - op de woensdag in de weken dat [de minderjarige] het weekend bij de moeder verblijft uit school en bij geen school vanaf 14.00 uur tot en met donderdagochtend naar school (en bij geen school tot 9.00 uur), alsmede - om het weekend van zaterdagochtend 9.00 uur tot en met maandagochtend naar school en bij geen school tot 9.00 uur; - gedurende de vakanties en feestdagen in onderling overleg af te spreken. In de uitspraak van 14 november 2022 is bepaald dat de voorlopige zorgregeling voortaan als definitieve zorgregeling zal gelden. 2.3. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 juni 2025 is op vordering van de vader de zorgregeling geschorst tot 17 augustus 2025. In het arrest van dit hof van 5 augustus 2025 is die beslissing vernietigd en is bepaald dat de zorgregeling geschorst is voor de duur van het strafrechtelijk onderzoek, met dien verstande dat er belmomenten en begeleide omgangsmomenten plaatsvinden met de moeder conform de daarover door de ouders ter zitting gemaakte afspraken. 2.4. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2025 is de vordering van de moeder om de opschorting van de zorgregeling op te heffen afgewezen. 2.5. De vader heeft in het kort geding bij de rechtbank gevorderd om: - primair: de zorgregeling zoals die is bepaald in de beslissing van 14 november 2022 op te schorten tot in de bodemprocedure anders wordt beslist, met dien verstande dat wekelijks onder begeleiding van PACT Mediation omgang tussen de moeder en [de minderjarige] zal plaatsvinden onder de veiligheidsafspraak dat [naam] niet bij de begeleide omgang aanwezig zal zijn, en partijen ondertussen middels de door hen in te schakelen gezamenlijke hulpverlening actief zullen gaan werken aan herstel in vertrouwen, en daarbij voorts te bepalen dat de vader de bodemprocedure binnen drie weken na het door de rechtbank te wijzen vonnis aanhangig dient te maken; - subsidiair: kort gezegd, de zorgregeling van 14 november 2022 op te schorten tot in de bodemprocedure anders wordt beslist en daarbij voorts te bepalen dat voor die duur een zorgregeling tussen de moeder en [de minderjarige] zal gelden onder de veiligheidsafspraak dat [naam] niet bij de zorgregeling aanwezig zal zijn. 2.6. De moeder heeft in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vader. In reconventie heeft de moeder gevorderd: - de vader te veroordelen tot naleving van de zorgregeling die is bepaald in de beslissing van 14 november 2022, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of deel van een dag dat de vader nalaat hieraan te voldoen, zulks tot een maximum van € 20.000,-, althans een dwangsom die de rechtbank juist acht; - te bepalen dat het de vader verboden is het proces-verbaal van het studioverhoor van [de minderjarige] , alsmede enig ander stuk uit het strafrechtelijk dossier dat persoonsgegevens van [de minderjarige] bevat, te delen met, te verstrekken aan of te tonen aan derden, anders dan zijn eigen advocaat en de door hem ingeschakelde gerechtelijke of bestuurlijke instanties, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de moeder in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [de minderjarige] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per overtreding, zulks tot een maximum van € 15.000,-, althans een dwangsom die de rechtbank juist acht. 2.7. De voorzieningenrechter heeft in het – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – vonnis van 20 mei 2026 de zorgregeling die is bepaald in de beslissing van 14 november 2022 voorlopig gewijzigd en bepaald dat als zorgregeling zal gelden dat [de minderjarige] elke donderdag uit school en bij geen school vanaf 9.00 uur tot en met zaterdagochtend 9.00 uur omgang met de moeder heeft, met dien verstande dat de omgang niet bij de moeder thuis plaatsvindt, maar bijvoorbeeld wel bij opa/oma moederszijde, alles onder de voorwaarde dat [naam] daarbij niet aanwezig is, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of deel van een dag dat de vader nalaat hieraan te voldoen, tot een maximum van € 20.000,-. 2.8. De bedoeling van het hoger beroep van de moeder is dat haar afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen. 2.9. De vader wil dat de vorderingen van de moeder niet-ontvankelijk worden verklaard, dan wel worden afgewezen. De vader heeft ook hoger beroep ingesteld. De bedoeling van zijn hoger beroep is dat zijn afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen en dat er geen dwangsom geldt. 2.10. Het hof laat het vonnis van de voorzieningenrechter deels in stand en beslist voor een deel anders. Het hof zal de zorgregeling voor een deel uitbreiden en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof 3.1. Voorop gesteld wordt dat bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt mede dient te worden beoordeeld, zo nodig ambtshalve, of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). Het hof ziet in de aard van de zaak, te weten de uitvoering van de zorgregeling, ook in hoger beroep een voldoende spoedeisend belang en zal daarom overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. 3.2. Geschillen over de uitvoering van het ouderlijk gezag kunnen op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als de rechter in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 3.3. Naar aanleiding van zorgelijke uitspraken van [de minderjarige] over seksueel misbruik door [naam] in juni 2025 heeft er een politieonderzoek plaatsgevonden, waarbij zowel [de minderjarige] , de vader, de moeder als [naam] zijn gehoord. De officier van justitie heeft vervolgens bij brief van 7 april 2026 laten weten dat, hoewel de verklaring van [de minderjarige] betrouwbaar wordt geacht, er onvoldoende (steun)bewijs is om tot vervolging over te gaan. De zaak is daarom geseponeerd. Dat niet overgegaan wordt tot vervolging, betekent echter niet dat hetgeen [de minderjarige] heeft verklaard niet is gebeurd. De moeder en [naam] hebben een andere verklaring over wat er gebeurd is dan [de minderjarige] op verschillende momenten consistent heeft verteld. Hun verklaring, kort gezegd dat het zou gaan om een onschuldige verzorgingshandeling, roept nog wel vragen op. In elk geval is het hof van oordeel dat de veiligheid van [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende gewaarborgd kan worden. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de co-ouderschapsregeling op dit moment niet kan herleven. Tegelijkertijd is het duidelijk dat [de minderjarige] de moeder mist en graag meer tijd met haar doorbrengt. Vanwege de complexe feiten zou een raadsonderzoek naar de zorgregeling voorstelbaar zijn. Nu dit een kortgedingprocedure betreft en het gaat om een beslissing over een voorlopige zorgregeling, ziet het hof geen ruimte om daartoe aan de raad een verzoek te doen. Het hof acht het van belang dat, met inachtneming van de veiligheidsvoorwaarden, de voorlopige zorgregeling die de voorzieningenrechter heeft bepaald, voor zover praktisch gezien mogelijk, uitgebreid wordt. Het hof zal de zorgregeling uitbreiden, in die zin dat [de minderjarige] om de week in plaats van tot zaterdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 9.00 uur omgang heeft met de moeder. Onveranderd blijft dat de zorgregeling niet bij de moeder thuis plaatsvindt (maar bijvoorbeeld bij de opa en oma moederszijde) en [naam] niet aanwezig is. Nu de vader momenteel meewerkt aan de uitvoering van de zorgregeling, ziet het hof geen aanleiding om een dwangsom op te leggen voor het geval de vader de zorgregeling niet nakomt. 3.4. Voor het hof is duidelijk dat met deze beslissing geen einde komt aan de uiterst complexe en gevoelige situatie. Het is daarom noodzakelijk dat hulpverlening voor [de minderjarige] zo snel mogelijk start. Zoals de raad tijdens de zitting heeft verklaard, bevindt [de minderjarige] zich in een loyaliteitsconflict omdat zij aan de vader en de moeder andere dingen lijkt te vertellen. In het gedrag van [de minderjarige] zijn veranderingen opgemerkt die erop duiden dat de situatie een zware last op haar legt. Gelet op het feit dat zij recent in een kringgesprek op school heeft verteld over wat er volgens haar is gebeurd, lijkt zij veel met de situatie bezig te zijn. Daarnaast lijkt systemische hulp noodzakelijk om de vader en de moeder te ondersteunen om onder deze omstandigheden hun ouderschap zo goed mogelijk vorm te kunnen geven. Zolang zij enkel uitgaan van hun eigen perspectief in wat [de minderjarige] hen vertelt, zal [de minderjarige] alleen nog maar verder in de knel komen. Het is voor [de minderjarige] van groot belang dat de ouders hulp krijgen bij de manier waarop zij op [de minderjarige] reageren en dat de verslechterde onderlinge verhouding tussen de ouders wordt hersteld. 3.5. Deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 3.6. Het hof stuurt [de minderjarige] een brief waarin de beslissing wordt uitgelegd. De brief is als bijlage toegevoegd aan deze beschikking. 3.7 Hoewel het hof de beslissing van de voorzieningenrechter grotendeels volgt, zal het hof voor de duidelijkheid de beslissing over de zorgregeling helemaal vernietigen en de (uitgebreidere) zorgregeling in het dictum opnemen. 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 20 mei 2026 en, opnieuw rechtdoende: 4.2. wijzigt de zorgregeling zoals vastgelegd in de beslissing van de rechtbank van 14 november 2022 voorlopig, totdat in de bodemprocedure anders is beslist, en bepaalt dat [de minderjarige] : - in de ene week elke donderdag uit school (of vanaf 9.00 uur) tot en met zaterdagochtend 9.00 uur omgang heeft met de moeder, waarbij de omgang niet bij de moeder thuis plaatsvindt en [naam] niet aanwezig is; - in de andere week elke donderdag uit school (of vanaf 9.00 uur) tot en met zondagochtend 9.00 uur omgang heeft met de moeder, waarbij de omgang niet bij de moeder thuis plaatsvindt en [naam] niet aanwezig is; 4.3. verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad; 4.4. wijst af wat verder is gevorderd. Dit arrest is gewezen door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, L. Pieters en K.H.P. Selcraig, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291310 · 2026-08-22
