Skip to content
Case Law · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ·ECLI:NL:GHARL:2026:5247 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30-06-2026 (200.363.447)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Summary

Pachtzaak. Incident. Inzageverzoek (195 Rv) voor gecombineerde opgaven, jaarstukken en gegevens over (deel)teelt. Gedeeltelijke toewijzing.

How it connects

Full text

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem afdeling civiel recht zaaknummer gerechtshof 200.363.447 zaaknummer rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden: 11599827 arrest in het incident van 30 juni 2026 in de zaak van 1 [appellant 1] 2. [appellant 2] die wonen in [woonplaats 1] 3. [appellant 3] die woont in [woonplaats 2] 4. [appellant 4] die woont in [woonplaats 3] , gemeente [gemeente 1] 5. [appellant 5] die woont in [woonplaats 4] 6. [appellant 6] die woont in [woonplaats 1] hierna samen: [appellanten] c.s. advocaat: mr. A. van Weverwijk en [geïntimeerde] die woont in [woonplaats 5] , gemeente [gemeente 2] advocaat: mr. A. Kroondijk 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. [appellanten] c.s. hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de pachtkamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Leiden (hierna: de pachtkamer) op 11 december 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit: de dagvaarding in hoger beroep van [appellanten] c.s. de memorie van grieven inclusief incidentele vordering op grond van artikel 195 Rv van [appellanten] c.s. de memorie van antwoord in het incident van [geïntimeerde] 1.2. Hierna heeft het hof arrest bepaald in het incident. 2 De kern van de zaak 2.1. [geïntimeerde] pacht sinds 1997 meerdere percelen van [appellanten] c.s. in [plaats] . [appellanten] c.s. willen ontbinding van de pachtovereenkomst met [geïntimeerde] , ontruiming van de gepachte percelen en schadevergoeding. Volgens [appellanten] c.s. is [geïntimeerde] tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst omdat hij een onjuiste opgave heeft gedaan van het gepachte bij de RVO, hij het gepachte gedeeltelijk niet persoonlijk gebruikt en dus onrechtmatig onderverpacht en [geïntimeerde] het gepachte niet (meer) gebruikt voor bedrijfsmatige landbouw. Om hun stellingen verder te onderbouwen, willen [appellanten] c.s. afschrift van bedrijfsgegevens van [geïntimeerde] . Zij hebben bij de pachtkamer in Leiden om de verstrekking van de volgende bedrijfsgegevens verzocht: de jaarstukken van [geïntimeerde] van de jaren 2021, 2022, 2023 en indien beschikbaar 2024 (alle inclusief inventarislijst); de gecombineerde opgaven (inclusief opgave gewaspercelen) van de jaren 2021 tot en met 2024. 2.2. De pachtkamer heeft geoordeeld dat [appellanten] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat [geïntimeerde] delen van het gepachte niet (meer) persoonlijk gebruikt en [geïntimeerde] geen bedrijfsmatige landbouw beoefent. Daarnaast levert het onjuist opgeven van percelen bij de gecombineerde opgave volgens de pachtkamer niet een zodanige tekortkoming in de nakoming op dat dit ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, omdat niet kan worden vastgesteld dat deze tekortkoming (ernstige) nadelige gevolgen heeft gehad voor het gepachte of de verpachters. De pachtkamer heeft de incidentele vordering van [appellanten] c.s. tot verstrekking van bedrijfsgegevens van [geïntimeerde] afgewezen, omdat [geïntimeerde] een groot deel van die gegevens volgens de pachtkamer al in het geding heeft gebracht en er geen aanleiding is om [geïntimeerde] te verplichten het overige aan te leveren. 2.3. [appellanten] c.s. zijn het niet eens met het vonnis van de pachtkamer en hebben daartegen hoger beroep ingesteld. Omdat de pachtkamer hun incidentele vordering ook heeft afgewezen, doen ze in hoger beroep opnieuw een verzoek om verstrekking van bedrijfsgegevens van [geïntimeerde] . Ze verzoeken in dit incident dat het hof [geïntimeerde] gelast in het geding te brengen en in afschrift aan [appellanten] c.s. te verstrekken: de jaarstukken van [geïntimeerde] van de jaren 2018 tot en met 2022, 2024 (definitief) en 2025 (alle inclusief inventarislijst, 2023 mist ook inventarislijst); de gecombineerde opgaven (inclusief regelingen per perceel) van de jaren 2018 tot en met 2023 en 2026; de grootboekrekening opbrengst akkerbouw met onderliggende facturen en overige bescheiden waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken. gegevens waaruit kan blijken wie of met wie [geïntimeerde] de (deel)teelt van de spruitjes en/of aardappelen heeft uitgevoerd over de periode vanaf 2010, hoe de kosten zijn verdeeld en hoe de opbrengst is verdeeld. 2.4. Het hof zal [geïntimeerde] bevelen de jaarstukken over de jaren 2018 tot en met 2022 en 2025, de inventarislijsten bij de jaarstukken van 2018 tot en met 2024, en voor zover aanwezig 2025, de gecombineerde opgaven van de jaren 2018 tot en met 2023 en 2026 en de grootboekrekening opbrengst akkerbouw met onderliggende facturen over de jaren 2022 tot en met 2024 te verstrekken. Het hof wijst de incidentele vordering voor het overige af en licht zijn oordeel hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof juridisch kader 3.1. In artikel 195 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat een partij aan de rechter die de hoofdzaak behandelt, kan verzoeken om de wederpartij te bevelen inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens te verstrekken. Voor toewijzing van zo’n verzoek moet aan de vereisten uit artikel 194 Rv worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Geen inzage hoeft te worden verstrekt als degene van wie gegevens gevraagd worden een verschoningsrecht heeft of gewichtige redenen zich tegen verstrekking verzetten. standpunten partijen 3.2. [appellanten] c.s. willen dat [geïntimeerde] gegevens van zijn bedrijf verstrekt omdat [geïntimeerde] volgens hen in ieder geval in de jaren 2021 tot en met 2024 grote delen van het gepachte niet zelf heeft opgegeven in de gecombineerde opgave bij de RVO, maar deze percelen heeft laten opgeven door mede-agrariërs [mede-agrariër 1] en [mede-agrariër 2] (hierna: de derden). Na onderzoek van de rentmeester van [appellanten] c.s. is gebleken dat dit in 2021 5,5 tot 6 hectare en in 2022 tot en met 2024 ruim 11 hectare grasland betrof. [geïntimeerde] heeft erkend dat hij heeft meegewerkt aan deze constructie om ervoor te zorgen dat de derden konden voldoen aan de eisen om voor derogatie in aanmerking te komen, wat betekende dat zij meer mest op hun land mochten rijden. Volgens [geïntimeerde] berustte het feitelijk gebruik van de betreffende percelen steeds bij hemzelf, maar [appellanten] c.s. betwisten dit. Omdat [appellanten] c.s. zich een volledig beeld willen kunnen vormen van de gehanteerde constructie en het persoonlijk gebruik van het gepachte door [geïntimeerde] , vorderen zij afschrift van de gecombineerde opgaven van de jaren 2018 tot en met 2023 en 2026 en de (definitieve) jaarstukken van de jaren 2018 tot en met 2022, 2024 en 2025. Uit uitspraken van [geïntimeerde] en zijn vrouw in kranteninterviews concluderen [appellanten] c.s. daarnaast dat [geïntimeerde] spruiten op zijn land niet zelf teelt en de landbouwgrond verhuurt en delen van het gepachte daarmee onderverpacht of niet of onvoldoende persoonlijk gebruikt. [appellanten] c.s. willen weten of [geïntimeerde] machines heeft voor de teelt van spruitjes, aardappelen, uien en tarwe en vorderen daarom verstrekking van de inventarislijsten bij de jaarstukken van de jaren 2021 tot en met 2025, omdat dat de jaren zijn waarin de gewassen zijn verbouwd op de percelen van [geïntimeerde] . Daarnaast vorderen ze verstrekking door [geïntimeerde] van de grootboekrekening opbrengst akkerbouw over de jaren 2022 tot en met 2024 met onderliggende facturen en overige bescheiden, zodat kan worden afgeleid waaruit de opbrengsten van akkerbouw voor [geïntimeerde] bestaan. Ook willen ze dat [geïntimeerde] gegevens in het geding brengt waaruit blijkt wie of met wie [geïntimeerde] de (deel)teelt van de spruitjes en/of aardappelen heeft uitgevoerd over de periode vanaf 2010, hoe de kosten zijn verdeeld en de opbrengst is verdeeld. Aan de vordering van [appellanten] c.s. ligt eveneens hun stelling ten grondslag dat [geïntimeerde] het gepachte niet (meer) gebruikt voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw, omdat [geïntimeerde] het gepachte niet meer (voldoende) persoonlijk gebruikt, er geen ondernemingsrendement is uit de landbouw, er niet gebleken is van investeringen in het landbouwbedrijf en [geïntimeerde] tijdrovende nevenfuncties bekleedt. Ook de schadevordering van [appellanten] c.s. dient als onderbouwing voor hun incidentele vordering. 3.3. [geïntimeerde] voert aan dat hij al heeft voldaan aan iedere redelijke verplichting tot overlegging van stukken door de jaarstukken en gecombineerde opgaven van drie jaren in eerste aanleg te hebben ingebracht. [appellanten] c.s. hebben niet concreet gemaakt welke informatie ontbreekt of waarom bepaalde stukken ontoereikend zijn, zodat daarmee een rechtmatig belang bij hun vordering ontbreekt. Daarnaast is de vordering van [appellanten] c.s. volgens [geïntimeerde] onvoldoende bepaald, omdat zij feitelijk integrale inzage in de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] willen over een extreem ruime periode (2018-2026) en ongespecificeerde gegevens verzoeken vanaf 2010. [geïntimeerde] betoogt dat [appellanten] c.s. misbruik maken van procesrecht, omdat [appellanten] c.s. dit incident gebruiken als drukmiddel en deze vordering geen legitiem procesdoel dient. oordeel hof 1) jaarstukken 2021, 2022 en 2024 en de gecombineerde opgaven 2021 tot en met 2023 3.4. Het hof oordeelt dat [appellanten] c.s. voldoende hebben onderbouwd belang te hebben bij verstrekking van de gecombineerde opgaven over de jaren 2021 tot en met 2023 en de jaarstukken over de jaren 2021 en 2022. [appellanten] c.s. hebben concrete aanwijzingen dat [geïntimeerde] een onjuiste opgave heeft gedaan bij de RVO van het gepachte in de jaren 2021 tot en met 2024 en [geïntimeerde] heeft dat voor de jaren 2021, 2022 en 2023 ook erkend tijdens de zitting bij de pachtkamer. Ook roepen de door [appellanten] c.s. overgelegde interviews vragen op over de mate van persoonlijk gebruik. [geïntimeerde] voert aan dat hij al voldoende gegevens in het geding heeft gebracht, maar [appellanten] c.s. stellen terecht dat de jaarstukken van het jaar 2021 en 2022 en de gecombineerde opgaven van de jaren 2021 tot en met 2023 ontbreken. Door [geïntimeerde] is niet weersproken dat deze stukken van belang kunnen zijn voor de vraag van [appellanten] c.s. wat de precieze inhoud is van de constructie die [geïntimeerde] met derden ten aanzien van het gepachte is overeengekomen en de vraag of [geïntimeerde] in deze jaren het gepachte (voldoende) persoonlijk heeft gebruikt. [geïntimeerde] heeft gesteld dat de jaarcijfers van 2022 uit de reeds overgelegde jaarrekening van 2023 zijn af te leiden, maar ook de toelichting bij de jaarrekening kan relevant zijn. Het hof zal [geïntimeerde] daarom veroordelen de jaarstukken van het jaar 2021 en 2022 en de gecombineerde opgaven van de jaren 2021 tot en met 2023 te verstrekken. Het hof ziet geen aanleiding [geïntimeerde] op te dragen de (definitieve) jaarrekening van 2024 in het geding te brengen, nu deze in de procedure bij de pachtkamer door [geïntimeerde] als productie 10 bij de akte overlegging producties van 31 oktober 2025 reeds is overgelegd. Het hof merkt op dat de verstrekking van deze gegevens eenvoudig is en ook niet is gesteld of onderbouwd dat gewichtige redenen zich tegen verstrekking verzetten. 2) inventarislijsten bij jaarstukken en de grootboekrekening akkerbouw 2022 tot en met 2024 3.5. [appellanten] c.s. hebben verder voldoende concreet onderbouwd belang te hebben bij de inventarislijsten bij de jaarstukken van 2021 tot en met 2024 en de grootboekrekening akkerbouw over de jaren 2022 tot en met 2024. Zij hebben gemotiveerd gesteld dat zij deze stukken nodig hebben om meer inzicht te krijgen in het persoonlijk gebruik van het gepachte door [geïntimeerde] en om vast te stellen of de bedrijfsvoering van [geïntimeerde] geldt als bedrijfsmatige landbouw, gezien de constructie die hij en derden voor het opgeven van het gepachte in die jaren hebben toegepast en gelet op de uitspraken van [geïntimeerde] en zijn vrouw dat zij landbouwgrond verhuren en spruitjes niet zelf telen. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat de post opbrengst akkerbouw in de jaarrekeningen van de jaren 2022 tot en met 2024 niet is gespecificeerd. [geïntimeerde] voert in het algemeen aan dat de vordering disproportioneel en onbepaald is en een rechtmatig belang van [appellanten] c.s. bij de stukken ontbreekt, maar hij heeft niet weersproken dat de gevraagde inventarislijsten en grootboekrekening akkerbouw en de onderliggende facturen voor deze jaren waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken relevant zijn voor de vraag of [geïntimeerde] het gepachte (voldoende) persoonlijk gebruikt en of hij het gepachte gebruikt voor bedrijfsmatige landbouw. Het hof acht de vordering voor zover deze ziet op de jaarstukken en grootboekrekening en de onderliggende facturen waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken bovendien voldoende bepaald en proportioneel, omdat het ziet op een beperkt aantal jaren en concrete gegevens. Gewichtige redenen die zich tegen verstrekking verzetten zijn gesteld noch gebleken. Ten aanzien van de inventarislijsten bij de jaarstukken en de grootboekrekening akkerbouw en de daarbij behorende facturen voor 2022, 2023 en 2024 geldt ook dat deze eenvoudig te verstrekken zijn. 3.6. Voor zover ook ‘overige bescheiden’ gevorderd zijn waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken is onvoldoende onderbouwd dat [appellanten] c.s. bij deze ‘overige bescheiden’ nog belang heeft als hij de grootboekrekening en facturen heeft en geldt ook dat deze onvoldoende bepaald zijn. 3.7. Het hof wijst de vordering tot verstrekking van de inventarislijsten van de jaren 2021 tot en met 2024 en de grootboekrekening akkerbouw met onderliggende facturen waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken daarom toe, maar de vordering tot verstrekking van ‘overige bescheiden’ waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken niet. 3) jaarstukken en gecombineerde opgaven 2018 tot en met 2020 3.8. [appellanten] c.s. stellen dat zij ervan uitgaan dat [geïntimeerde] ook voor 2021 een constructie heeft bedacht om derden in de gelegenheid te stellen om delen van het gepachte bij de RVO op te geven, omdat de uitzonderingspositie van Nederland op de Europese Nitraatrichtlijn sinds 2006 bestaat. In verband hiermee stellen [appellanten] c.s. een rechtmatig belang te hebben bij afschrift van de gecombineerde opgaven van de jaren 2018 tot en met 2020. Hetzelfde geldt voor de vordering van [appellanten] c.s. tot verstrekking van een afschrift van de jaarstukken (met inventarislijst) van de jaren 2018 tot en met 2020. [appellanten] c.s. vorderen verstrekking van de jaarstukken over deze jaren omdat [geïntimeerde] volgens hen kennelijk vanaf 2010 het gepachte door derden laat gebruiken om onder andere spruitjes te telen. Ook deze vordering zal het hof toewijzen. Bij de beoordeling van eventuele tekortkomingen door [geïntimeerde] speelt ook de duur daarvan een rol en [appellanten] c.s. hebben ook onderbouwd waarom er aanleiding is om over persoonlijk gebruik in deze eerdere jaren te twijfelen. Deze gegevens zijn eenvoudig te verstrekken, niet duidelijk is waarom [geïntimeerde] daarover niet meer zou beschikken en [geïntimeerde] heeft ook niet toegelicht dat zich gewichtige redenen tegen de verstrekking hiervan verzetten. 4) jaarstukken 2025 en gecombineerde opgaven 2026 3.9. [appellanten] c.s. vorderen nog de jaarstukken 2025 en gecombineerde opgaven van 2026, omdat deze volgens [appellanten] c.s. inmiddels ook gereed zijn. Ook deze stukken zijn relevant voor een beoordeling van de vraag of er nog sprake is van bedrijfsmatige landbouw. Het hof is bij beëindigingszaken ook gewoon om de jaarstukken en gecombineerde opgaven van de afgelopen drie jaar op grond van artikel 22 Rv op te vragen. Het hof zal ook deze vordering daarom toewijzen. 5) gegevens met betrekking tot de (deel)teelt van spruitjes en/of aardappelen vanaf het jaar 2010 3.10. Het hof oordeelt dat de vordering van [appellanten] c.s. voor zover deze ziet op de verstrekking van gegevens met betrekking tot de (deel)teelt van spruitjes en/of aardappelen vanaf het jaar 2010, onvoldoende is gespecificeerd. Door [appellanten] c.s. is niet duidelijk gemaakt op welke soort gegevens dit ziet. De vordering beslaat daarnaast een dusdanig ruime periode dat van voldoende bepaaldheid niet gesproken kan worden. Het hof wijst dit deel van de vordering af. conclusie 3.11. Het hof wijst de incidentele vordering gedeeltelijk toe. Het hof bepaalt dat elke partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen. 3.12. De hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan. 4 De beslissing Het hof: in het incident 4.1. bepaalt dat [geïntimeerde] binnen 14 dagen na betekening van dit arrest in het geding moet brengen, met afschrift aan [appellanten] c.s.:  de jaarstukken over de jaren 2018 tot en met 2022 en 2025 (alle inclusief inventarislijsten), en ook de inventarislijsten bij de jaarrekeningen 2023 en 2024;  de gecombineerde opgaven (inclusief regelingen per perceel) van de jaren 2018 tot en met 2023 en 2026;  de grootboekrekening opbrengst akkerbouw met onderliggende facturen waaruit de specificatie van de opbrengst akkerbouw in 2022, 2023 en 2024 kan blijken; 4.2. wijst de vordering voor het overige af; 4.3. bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; in de hoofdzaak in hoger beroep 4.4. bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt; 4.5. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. M.S.A. van Dam, S.B. Boorsma en J.U.M. van der Werff en de deskundige leden ir. W.G. Nijlant en ir. J.H. Jurrius en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.

Similar Content