# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22-07-2026 (11937284 CV EXPL 25-3514 (E))

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6828
- Date: 2026-07-22
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6828
- Canonical: https://overview.legal/posts/291329
- Topics: Controllers, Data Controller, Processing, Consent, Personal Data, Supervisory Authorities, Employees

## Summary

Kwalificatie overeenkomst. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst, maar van een overeenkomst van opdracht. Opdrachtgever mocht betaling van een factuur deels opschorten wegens niet inlevering van de laptop. Na verrekening heeft de opdrachtnemer recht op een nog te betalen bedrag.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Breda Zaaknummer: 11937284 \ CV EXPL 25-3514 Vonnis van 22 juli 2026 in de zaak van [opdrachtnemer] , handelend onder de naam [eenmanszaak] , wonende te [plaats 1] en zaakdoende te [plaats 2] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [opdrachtnemer] , gemachtigde: mr. H.P. Kamerbeek, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CLINIAS DENTAL GROUP B.V. , gevestigd te Breda, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: CDG, gemachtigde: mr. A.M.B. Munsters. 1 De zaak in het kort 1.1. Partijen hebben twee overeenkomsten gesloten op grond waarvan [opdrachtnemer] werkzaamheden heeft verricht voor CDG. De laatste overeenkomst is door opzegging van [opdrachtnemer] beëindigd per 1 september 2024. [opdrachtnemer] vordert betaling voor de door haar verrichte werkzaamheden in de maand augustus 2024. Zij beroept zich daarnaast op het bestaan van een arbeidsovereenkomst en vordert onder meer betaling van vakantiedagen, vakantiegeld en afdracht pensioenpremie. Daarnaast vordert [opdrachtnemer] een verklaring voor recht dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de afspraak tot participatie. Zij vordert in dat kader ook een afschrift van stukken. CDG voert verweer en beroept zich ten aanzien van de laatste factuur op opschorting wegens niet juiste oplevering van de werkzaamheden en het niet inleveren van de laptop en bedrijfstag (hierna: tag) waardoor een boete van € 50,00 per dag verschuldigd is. Daarnaast betwist CDG dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat zij tekort is geschoten ten aanzien van het recht tot participatie. In reconventie vordert CDG (onder meer) inlevering van de laptop en tag. 1.2. De kantonrechter kwalificeert de overeenkomst tussen partijen niet als een arbeidsovereenkomst, maar als een overeenkomst van opdracht. Zij komt tot het oordeel dat CDG de factuur van [opdrachtnemer] deels kon opschorten wegens het niet inleveren van de laptop en tag en matigt de verschuldigde boete. Na verrekening met de vastgestelde boete wordt CDG in conventie veroordeeld tot betaling van het restantfactuurbedrag aan [opdrachtnemer] . Een toerekenbare tekortkoming van CDG ten aanzien van het recht tot participatie door [opdrachtnemer] is niet komen vast te staan en de vorderingen die zien op de participatie worden daarom afgewezen. In reconventie wordt [opdrachtnemer] veroordeeld tot inlevering van de laptop en tag. Hierna zal worden uitgelegd waarom. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 3 oktober 2025 met producties 1 tot en met 19; de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie met producties 1 tot en met 30 de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte aanvulling gronden en vermeerdering van eis; de namens [opdrachtnemer] ingediende aanvullende producties 20 tot en met 38; de namens CDG ingediende aanvullende producties 20 tot en met 22; de mondelinge behandeling van 10 juni 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; de door partijen overgelegde spreekaantekeningen. 2.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [opdrachtnemer] is meester in de rechten, gespecialiseerd in juridische dienstverlening op het gebied van gezondheidsrecht en privacyrecht. Zij voert een eenmanszaak en handelt onder de naam [eenmanszaak] (hierna: [eenmanszaak] ). 3.2. CDG is onderdeel van een concern dat zich bezighoudt met de overname en exploitatie van tandartspraktijken. Zij houdt zich bezig met backoffice werkzaamheden van de aan haar gekoppelde zorgbedrijven. 3.3. Op 23 januari 2023 heeft [opdrachtnemer] namens haar [eenmanszaak] een overeenkomst van opdracht gesloten met CDG voor advies en ondersteuning op het gebied van (implementatie van) de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) voor maximaal drie jaar (hierna: overeenkomst 1). Partijen zijn in overeenkomst 1 een uurtarief overeengekomen van € 155,00 exclusief btw, welk bedrag jaarlijks per 1 januari geïndexeerd zou worden. [opdrachtnemer] heeft de overeenkomst opgesteld en de algemene voorwaarden van [eenmanszaak] zijn van toepassing verklaard. 3.4. [opdrachtnemer] heeft op basis van overeenkomst 1 namens [eenmanszaak] een aantal facturen gestuurd aan CDG. [opdrachtnemer] heeft daarover btw afgedragen. 3.5. Per 1 juli 2023 heeft [opdrachtnemer] namens [eenmanszaak] een nieuwe overeenkomst met CDG gesloten om als Functionaris voor Gegevensbescherming (FG) werkzaamheden conform de AVG en als Legal Councel advieswerkzaamheden ten aanzien van ondernemersrechtelijke kwesties te verrichten (hierna: overeenkomst 2). Partijen zijn in overeenkomst 2 een vergoeding overeengekomen van € 13.000,00 exclusief btw per maand op basis van een 24-urige werkweek, welk bedrag jaarlijks per 1 januari geïndexeerd zou worden. Ook deze overeenkomst is opgesteld door [opdrachtnemer] . 3.6. In artikel 7 van overeenkomst 2 is het volgende vermeld: “7.1 Opdrachtnemer verkrijgt vóór 1 januari 2024 het recht om deel te nemen in het kapitaal van CDG Topco B.V. door certificaten van gewone aandelen te kopen in Stichting Administratiekantoor CDG Topco, (…) Dit recht is onderworpen aan de voorwaarden zoals vastgelegd in de “Conditions of Administration of CDG Topco STAK” van 7 april 2022 (bijlage II) en de brief “Participatie en performance gerelateerde bonus” (bijlage III). 7.2 De certificaten van gewone aandelen genoemd in artikel 7.1 vertegenwoordigen op de datum van participatie een waarde van € 50.000,00 (…) 7.3 Opdrachtnemer ontvangt, bovenop de certificaten van gewone aandelen zoals hierboven bedoeld, een bonus gelijk aan de marktwaarde van 0,275% van het kapitaal van CDG Topco BV., (….)” 3.7. [opdrachtnemer] heeft op basis van overeenkomst 2 namens [eenmanszaak] vanaf juli 2023 maandelijks facturen gestuurd aan CDG voor het overeengekomen maandelijkse bedrag. [opdrachtnemer] heeft ook daarover btw afgedragen. 3.8. Op 25 juli 2023 heeft CDG met [opdrachtnemer] een bruikleenovereenkomst gesloten voor een verstrekte laptop en tag. In artikel 5 van de bruikleenovereenkomst is vermeld dat de laptop en tag bij beëindiging van het dienstverband aan CDG dienen te worden geretourneerd en er een boete verschuldigd is van € 50,00 per dag dat deze niet worden ingeleverd, zonder daarbij een maximum te vermelden. [opdrachtnemer] wordt in deze bruikleenovereenkomst aangeduid als ‘interimmer’. 3.9. In april en mei 2024 hebben partijen onderhandelingen gevoerd over verdere samenwerking, waarbij [opdrachtnemer] in dienst zou treden bij CDG op basis van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben daarover geen overeenstemming bereikt. [opdrachtnemer] wilde namelijk een hoger maandloon dan CDG bereid was te bieden wanneer zij in loondienst zou komen. 3.10. Op 28 juni 2024 heeft [opdrachtnemer] overeenkomst 2 met CDG opgezegd met een opzegtermijn van twee maanden, waardoor die overeenkomst per 1 september 2024 is geëindigd. 3.11. Op 6 september 2024 heeft [opdrachtnemer] een factuur gestuurd aan CDG (met als factuurdatum 1 september 2024) voor een bedrag van € 16.784,00 inclusief btw voor werkzaamheden in augustus 2024 conform de overeengekomen vaste maandvergoeding. 3.12. Per WhatsApp-bericht van 18 september 2024 heeft CDG aan [opdrachtnemer] gevraagd of zij kan aangeven wanneer zij onder andere de laptop komt inleveren. Daarnaast is [opdrachtnemer] dringend verzocht door te geven waar de documenten waaraan zij heeft gewerkt staan opgeslagen. Verder is in dit bericht door CDG medegedeeld pas tot betaling van de factuur over te gaan als [opdrachtnemer] de afspraken met betrekking tot de overdracht is nagekomen. 3.13. Bij brief van 19 maart 2025 heeft CDG aan [opdrachtnemer] medegedeeld dat zij de betaling opschort tot alle documenten en opdrachten die [opdrachtnemer] in het kader van de overeenkomst heeft opgesteld aan CDG ter beschikking zijn gesteld alsmede de laptop is geretourneerd. Daarnaast heeft CDG medegedeeld dat [opdrachtnemer] een boete wegens niet inlevering van de laptop verschuldigd is van € 9.500,00 en CDG zich het recht voorbehoudt die te verrekenen met de factuur. 3.14. Als reactie heeft de eerdere gemachtigde van [opdrachtnemer] bij brief van 10 april 2025 medegedeeld dat alle documenten in het systeem van CDG staan en de verschuldigdheid van een boete betwist. Voorgesteld werd dat [opdrachtnemer] eerst toegang krijgt tot het systeem van CDG om haar persoonlijke gegevens van de laptop te verwijderen waarna zij deze inlevert, op voorwaarde dat CDG de verstuurde factuur op de dag van indiening voldoet. CDG heeft dit voorstel afgewezen. 3.15. Op 30 april 2025 heeft CDG een factuur gestuurd aan [opdrachtnemer] voor een bedrag van € 24.200,00 aan verschuldigde boete op grond van de bruikleenovereenkomst. 3.16. In mei 2025 hebben partijen opnieuw contact gehad over een minnelijke regeling. CDG heeft toen (onder meer) voorgesteld dat [opdrachtnemer] bij inlevering van de laptop haar persoonsgegevens verwijdert op haar kantoor. [opdrachtnemer] is daar niet mee akkoord gegaan omdat ze het niet prettig vindt dat er iemand meekijkt bij de verwijdering van deze gegevens. 4 Het geschil in conventie 4.1. [opdrachtnemer] vordert na eiswijziging dat: I. voor recht wordt verklaard dat: de rechtsverhouding tussen partijen een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW) betreft; het loon van [opdrachtnemer] van 23 januari 2023 tot 1 september 2024 in totaal € 274.486,00 exclusief 8% vakantietoeslag bedroeg; II. CDG wordt veroordeeld om alsnog aangifte te doen bij de Belastingdienst van het door haar aan [opdrachtnemer] verschuldigde loon over 2023 en 2024 binnen 6 weken na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom; III. CDG wordt veroordeeld tot betaling van € 16.783,91 inclusief btw vermeerderd met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid van de vordering (per 16 september 2024 althans 2 oktober 2024) tot de dag van volledige betaling, alsook de wettelijke verhoging en als de arbeidsrelatie niet gekwalificeerd wordt als een arbeidsovereenkomst de wettelijke handelsrente vanaf opeisbaarheid van de vordering (per 16 september 2024 althans 2 oktober 2024) tot de dag van volledige betaling; IV. voor recht wordt verklaard dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 7 van overeenkomst 2 en aansprakelijk is voor de reeds geleden en nog te lijden schade als gevolg van het onthouden van haar participatie in CDG Topco BV, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; V. CDG bevolen wordt binnen 14 dagen na betekening van het vonnis afschrift te verstrekken van de volgende bescheiden: de jaarrekeningen en toelichtingen van CDG Topco BV en het certificaathoudersregister van STAK CDG Topco over 2022 tot en met 2024; het aandeelhoudersregister van CDG Topco BV en STAK; waarderingsrapporten, interne waarderingsmemo’s en andere documenten waarin de waarde van CDG of CDG Topco is vastgesteld; notulen en overige interne stukken waarin participatie van [opdrachtnemer] , of haar juridische positie is besproken; stukken, betreffende personen die in 2023/2024 tot de STAK/CDG Topco- participatie zijn toegetreden of zijn uitgetreden, waaronder datum toetreding/uittreding, functie/rol, type participatie, leaverkwalificatie, gehanteerde prijs, waardering, bonusrechten en eventuele good/bad-leaver afspraken, voor zover relevant voor de beoordeling van het door CDG gevoerde bad-leaver/ en schadeverweer; alle e-mailcorrespondentie verzonden van en naar [e-mailadres] van 23 januari 2023 tot 1 september 2024 voor zover betrekking op (i) werkzaamheden van [opdrachtnemer] als Legal Counsel en FG, (ii) overdracht, legal map en dossiervorming, (iii) laptop, tag, toegang tot systemen en privégegevens (iv) participatie, STAK, bonusafspraken en managementparticipatie (v) Wtza, governance, RvT/RvC, IGJ en herstructurering en (vi) financiële afwikkeling van de samenwerking; op straffe van een dwangsom; VI. CDG bevolen wordt om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis alle persoonsgegevens van [opdrachtnemer] (waaronder privébestanden, e-mails en documenten) aanwezig op de laptop en/of systemen van CDG, te (laten) verwijderen met overlegging van bewijs aan [opdrachtnemer] , alles aan de hand van een controleerbare en privacybeschermende werkwijze waarmee [opdrachtnemer] haar privébestanden en overige niet zakelijke persoonsgegevens op de laptop kan identificeren, veiligstellen, kopiëren en/of laten verwijderen met bewijs daarvan, zonder dat CDG onnodig kennis neemt van de inhoud daarvan, met uitzondering van gegevens waarvan CDG concreet en gemotiveerd stelt dat bewaring noodzakelijk is wegens wettelijke bewaarplichten of deze procedure, op straffe van een dwangsom; VII. CDG wordt veroordeeld om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 20.272,00 bruto aan vakantiedagen en € 21.406,00 bruto aan vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag van vonniswijzing tot de dag van volledige betaling, onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie; VIII. CDG wordt veroordeeld tot afdracht van pensioenpremie aan de pensioenverzekeraar waar CDG bij is aangesloten over de periode van 23 januari 2023 tot 1 september 2024 tegen behoorlijk bewijs van kwijting, op straffe van een dwangsom; IX. Primair CDG wordt veroordeeld tot betaling van € 35.000,00 exclusief btw aan advocaatkosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de dag van vonniswijzing; Subsidiair CDG wordt veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 974,59 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente; X. CDG wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.2. [opdrachtnemer] legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. CDG heeft ten onrechte de laatste termijn onbetaald gelaten en omdat de beëindigde werkrelatie te kwalificeren is als arbeidsovereenkomst heeft [opdrachtnemer] recht op betaling van vakantiedagen, vakantiegeld en afdracht van pensioenpremie aan de pensioenverzekeraar. CDG is de afspraak tot participatie door [opdrachtnemer] niet nagekomen waardoor CDG schadeplichtig is en voor vaststelling van de omvang van de schade heeft [opdrachtnemer] belang bij een afschrift van de gevraagde stukken. Daarnaast dient CDG een afschrift van e-mailcorrespondentie te verstrekken om daarmee te onderbouwen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst. CDG dient alle persoonsgegevens van [opdrachtnemer] op de laptop te verwijderen op grond van artikel 10 van de Grondwet en artikel 17 AVG. 4.3. CDG voert verweer. CDG concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [opdrachtnemer] , althans haar vorderingen te ontzeggen en [opdrachtnemer] te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 4.5. CDG vordert – samengevat – dat [opdrachtnemer] wordt veroordeeld tot: I. afgifte van alle eigendommen (waaronder laptop en de tag) van CDG aan CDG binnen 14 dagen na betekening van het vonnis; II. betaling van een boete van € 47.900,00 vermeerderd met € 50,00 per dag vanaf datum conclusie van antwoord in conventie tot het moment dat aan vordering I is voldaan; III. onder de voorwaarde dat de kantonrechter vaststelt dat de rechtsverhouding tussen partijen een arbeidsovereenkomst is, terugbetaling aan CDG van € 274.486,00 vermeerderd met de wettelijke rente; IV. betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente; V. betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 3.386,93 vermeerderd met de wettelijke rente. 4.6. CDG legt aan haar vorderingen – samengevat – het volgende ten grondslag. [opdrachtnemer] houdt de laptop en tag na beëindiging van de overeenkomst zonder recht of titel onder zich. [opdrachtnemer] is wegens niet inlevering van de laptop en tag een boete verschuldigd. Als geoordeeld wordt dat de rechtsverhouding tussen partijen een arbeidsovereenkomst is, dient [opdrachtnemer] het ontvangen loon van € 274.486,00 als onverschuldigde betaald terug te betalen aan CDG. 4.7. [opdrachtnemer] voert verweer. [opdrachtnemer] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van CDG, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van CDG, met veroordeling van CDG in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. 4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5. De beoordeling in conventie en in reconventie 5.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Toetsingskader kwalificatie overeenkomst 5.2. In artikel 7:610 BW is de arbeidsovereenkomst gedefinieerd als een overeenkomst waarbij de ene partij (de werknemer) zich verbindt om in dienst van de andere partij (de werkgever) tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Een overeenkomst moet als arbeidsovereenkomst worden aangemerkt, als de inhoud van die overeenkomst aan deze omschrijving voldoet (zie o.a. Hoge Raad 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746). 5.3. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 maart 2023 (ECLI:NL:HR:2023:443) nogmaals de criteria voor de kwalificatievraag uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat voor de kwalificatie van de rechtsverhouding tussen partijen eerst moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Dat moet gebeuren aan de hand van de Haviltex-maatstaf. In deze uitlegfase is ruimte voor de partijbedoelingen en kan de maatschappelijke positie van partijen een rol spelen. Daarna, in de kwalificatiefase , moet worden beoordeeld of de overeenkomst de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Daarbij is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Als de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. 5.4. [opdrachtnemer] stelt dat zowel overeenkomst 1 als overeenkomst 2 te beschouwen zijn als een arbeidsovereenkomst. Hierna zal eerst worden ingegaan op de rechten en verplichten van die overeenkomsten. Overeenkomst 1 5.5. [opdrachtnemer] heeft onder overeenkomst 1 onderzoek verricht en een plan van aanpak opgesteld voor CDG om te komen tot een correcte naleving van de AVG. Vooraf is zij door CDG gevraagd hoe het opstellen van een plan van aanpak in zijn werking gaat, wat [opdrachtnemer] gaat doen en uit welke onderdelen dit bestaat. [opdrachtnemer] heeft hierover een uitleg gegeven en vervolgens ook zo gehandeld. Vast staat dat [opdrachtnemer] de werkzaamheden voor CDG in het kader van de AVG zelfstandig en naar eigen inzicht verrichtte. CDG heeft dit volledig aan [opdrachtnemer] gelaten. [opdrachtnemer] stelt ook nog andere werkzaamheden te hebben verricht voor CDG onder overeenkomst 1, maar dit heeft CDG betwist en is bij gebreke van een onderbouwing door [opdrachtnemer] niet komen vast te staan. Hierbij weegt mee dat [opdrachtnemer] vooraf heeft aangegeven ongeveer 100 uur nodig te zullen hebben voor de afronding van haar werkzaamheden, terwijl deze uren ook zijn gedeclareerd en betaald. Dit duidt er niet op dat er nog (significante) andere werkzaamheden zijn verricht. 5.6. [opdrachtnemer] heeft, zoals hiervoor al overwogen, de overeenkomst opgesteld. Zij schreef bij e-mail van 6 december 2022 voor dergelijke opdrachten een uurtarief te hanteren van € 155,00 exclusief BTW, waarmee CDG akkoord is gegaan. [opdrachtnemer] heeft vanuit [eenmanszaak] facturen verzonden en BTW afgedragen. Overeenkomst 2 5.7. Onder overeenkomst 2 ging [opdrachtnemer] aan de slag als FG en Legal Councel. In de overeenkomst, die is opgesteld door [opdrachtnemer] , staat dat partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, dat [opdrachtnemer] haar werkzaamheden zelfstandig indeelt en deze naar eigen inzicht en zonder toezicht of leiding van CDG verricht. Verder verklaart CDG zich ermee akkoord dat [opdrachtnemer] ook ten behoeve van andere opdrachtgevers werkzaamheden verricht, en dat [opdrachtnemer] het recht heeft zich te laten vervangen. 5.8. Partijen zijn het erover eens dat [opdrachtnemer] de werkzaamheden in de praktijk (inhoudelijk) zelfstandig en naar eigen inzicht heeft verricht. Ze stelde documenten op waarbij zij gebruik maakte van eigen templates. Afspraken werden intern door CDG gepland waarbij [opdrachtnemer] gevraagd werd daarbij aanwezig te zijn, waaronder ook overleggen met de directie en het management. Zo blijkt uit een WhatsApp-bericht van 9 april 2024 dat [opdrachtnemer] gevraagd wordt om te presenteren bij een afspraak, waarop [opdrachtnemer] reageert dat het haar niet gaan lukken wegens een afspraak bij de mondhygiëniste. In overleg stemde [opdrachtnemer] later in met een voorgesteld tijdstip (productie 29 van [opdrachtnemer] ). Daarnaast blijkt uit overgelegde e-mailcorrespondentie dat [opdrachtnemer] een aantal keren fysieke afspraken heeft gewijzigd in een Microsoft Teams-overleg (productie 24 van CDG). 5.9. [opdrachtnemer] maakte bij uitvoering van de werkzaamheden gebruik van een e-mailadres van CDG en de laptop van CDG waarmee zij toegang had tot de interne systemen van CDG. Ook had [opdrachtnemer] een tag voor toegang tot het kantoor van CDG. [opdrachtnemer] vertegenwoordigde CDG onder meer bij een onderzoek van IGJ, maar dat [opdrachtnemer] het enige aanspreekpunt was van IGJ is gemotiveerd betwist door CDG en niet komen vast te staan. CDG heeft namelijk correspondentie van IGJ overgelegd (productie 28 van CDG) waaruit blijkt dat ook anderen van CDG contactpersoon waren van IGJ. Partijen hebben een evaluatiegesprek gevoerd waarbij gebruik is gemaakt van een formulier FG dat de HR manager van CDG had opgesteld. 5.10. [opdrachtnemer] diende haar vakanties door te geven aan CDG, maar dat zij aan CDG daarvoor goedkeuring diende te vragen, zoals [opdrachtnemer] stelt, blijkt nergens uit. Integendeel, uit een e-mail van 4 mei 2023 van [opdrachtnemer] aan CDG (productie 23 van CDG) blijkt slechts dat ze mededeling doet van een spontane vakantie in het buitenland die niet gepland was. [opdrachtnemer] stelt ook tijdens vakanties op afstand te hebben gewerkt, hetgeen CDG niet heeft betwist. Het loon is altijd doorbetaald. 5.11. In artikel 4.2 van overeenkomst 2 is vermeld dat [opdrachtnemer] zich bij de werkzaamheden mocht laten vervangen na schriftelijke toestemming van CDG, maar in de praktijk is het niet voorgekomen dat zij hiervan gebruik heeft gemaakt. Wel heeft [opdrachtnemer] per e-mail een andere jurist geïntroduceerd voor het geval zij er niet zou zijn, waarop door CDG positief is gereageerd. Het was [opdrachtnemer] ook toegestaan om meer opdrachtgevers te hebben en vast staat dat zij nog twee andere opdrachtgevers had waarvoor zij werkzaamheden verrichtte. Kwalificatiefase 5.12. Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. De Hoge Raad heeft hiervoor in het eerdergenoemde arrest van 24 maart 2023 een aantal gezichtspunten gegeven. De kantonrechter zal deze gezichtspunten hieronder – voor zover van belang - puntsgewijs betrekken bij de kwalificatie en de omstandigheden vervolgens in onderling verband afwegen. 5.13. De volgende gezichtspunten kunnen van belang zijn: de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd, de hoogte van deze beloningen en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Ook kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Overeenkomst 1 5.14. Uit de eerder vastgestelde rechten en verplichtingen blijkt naar het oordeel van de kantonrechter niet dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Er is weliswaar sprake van het door [opdrachtnemer] uitvoeren van werkzaamheden tegen loon, maar een gezagsverhouding is onvoldoende onderbouwd. Alle stellingen van [opdrachtnemer] die hierop zien zijn gericht op werkzaamheden verricht onder overeenkomst 2 waardoor een gezagsverhouding in het kader van overeenkomst 1 niet is komen vast te staan. De kantonrechter gaat daarom uit van een overeenkomst van opdracht. Overeenkomst 2 5.15. Ook uit de vastgestelde rechten en verplichtingen van overeenkomst 2 blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit omdat een gezagsverhouding ontbreekt op grond van hetgeen hierna wordt overwogen. 5.16. [opdrachtnemer] stond voordat zij voor CDG werkzaamheden ging verrichten al langere tijd ingeschreven in het handelsregister als zelfstandig ondernemer. Zij presenteerde zich naar buiten toe als zodanig. [opdrachtnemer] had ook nog twee andere opdrachtgevers waarvoor zij werkzaamheden verrichtte. [opdrachtnemer] gedroeg zich daarmee als commercieel ondernemer. 5.17. De overeenkomsten zijn opgesteld door [opdrachtnemer] . Zij heeft (na enig overleg) de voorwaarden en wijze van facturering grotendeels bepaald en haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard. [opdrachtnemer] heeft facturen verzonden voor haar werkzaamheden en hierover btw afgedragen. Deze regie en wijze van totstandkoming duidt er eerder op dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, dan een arbeidsovereenkomst. 5.18. Partijen zijn een loon overeengekomen van € 13.000,00 exclusief btw per maand op basis van een 24-urige werkweek. Dit komt ongeveer neer op een uurtarief van € 125,00 exclusief btw, wat geen ongebruikelijk uurtarief is voor een zelfstandig jurist. Een dergelijk loon is echter wel (zeer) hoog voor een jurist in loondienst. Dit blijkt ook wel uit de latere onderhandelingen die zijn gevoerd tussen CDG en [opdrachtnemer] , waarbij CDG niet bereid was dit loon te betalen indien [opdrachtnemer] in dienst zou komen op basis van een arbeidsovereenkomst. 5.19. [opdrachtnemer] was werkinhoudelijk vrij in de wijze waarop zij de werkzaamheden uitvoerde. Ze verrichtte de werkzaamheden zelfstandig en was daarbij niet gebonden aan richtlijnen van CDG. 5.20. [opdrachtnemer] had ook voor wat betreft de organisatorische wijze van uitvoering van het werk veel vrijheden. [opdrachtnemer] kon haar werkzaamheden zelf indelen en hoefde zich niet te houden aan door CDG bepaalde werkdagen of -tijden. Weliswaar werden ook afspraken voor haar ingepland door CDG, maar het stond haar vrij deze te verzetten (bijvoorbeeld omdat zij naar de mondhygiënist was) of om via Microsoft Teams aan te sluiten wanneer dit haar beter uitkwam. Ook was zij vrij haar werkzaamheden op locatie of bijvoorbeeld vanuit haar woning in Spanje te verrichten, zij het dat CDG wel vroeg of zij bij diverse overleggen (met het management) aanwezig kon zijn voor advies. CDG had dus geen zeggenschap hierover. 5.21. [opdrachtnemer] stelt voorts dat zij doorbetaald kreeg tijdens vakanties. Dit zou kunnen duiden op het bestaan van een arbeidsovereenkomst, nu een opdrachtnemer in de regel niet betaald wordt voor uren die niet zijn gewerkt. [opdrachtnemer] heeft ter zitting echter óók verklaard dat zij tijdens vakanties op afstand gewerkt heeft en de overeengekomen uren heeft gemaakt. Onder die omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat sprake was van een loondoorbetaling tijdens verlof. 5.22. De functie die [opdrachtnemer] verrichtte was niet ingebed in de organisatie. [opdrachtnemer] verrichte (op dat moment) namelijk als enige binnen de onderneming juridische advieswerkzaamheden naast de door CDG extern ingeschakelde advocaten. De taken die [opdrachtnemer] uitvoerde raken in ieder geval niet aan de kernactiviteit van CDG. Zij is ingeschakeld om invulling te geven aan een bijkomende, wettelijke verplichting op grond van de AVG en juridisch advies te verschaffen waarvoor anders externe advocaten werden geraadpleegd. Een taak van [opdrachtnemer] was verder om een budget voor Legal aan te leveren, hetgeen werknemers van CDG kennelijk voor andere afdelingen deden. Dit was echter slechts één onderdeel van haar werkzaamheden en maakt de functie van [opdrachtnemer] niet ingebed in de organisatie. De overige door [opdrachtnemer] gestelde feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te kunnen concluderen dat haar functie zodanig was ingebed in de organisatie en bedrijfsvoering van CDG, dat dit zou duiden op het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Zo beschikte [opdrachtnemer] over een laptop, tag en zakelijk e-mailadres van CDG en met haar is een evaluatiegesprek gevoerd waarbij gebruik is gemaakt van een FG formulier van HR. Dat gebruik werd gemaakt van hetzelfde formulier als waarvan gebruik werd gemaakt bij functioneringsgesprekken van werknemers om het gesprek te stroomlijnen is opvallend, maar het gesprek zag op een evaluatie van de werkzaamheden en is ook gebruikelijk bij langdurigere werkzaamheden op grond van een overeenkomst van opdracht. Inhoudelijk zijn de werkzaamheden van [opdrachtnemer] niet geëvalueerd gezien de specialistische aard daarvan. Het door CDG presenteren van [opdrachtnemer] naar buiten als “jurist van CDG”, is ook gebruikelijk bij een op basis van een overeenkomst van opdracht ingehuurde jurist. Het is niet ongebruikelijk iemand naar buiten toe als ‘diens’ advocaat of jurist te presenteren, waaruit nog niet volgt of diegene werkt op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. Verder is ook het deelnemen aan verjaardagen, bedrijfsfeesten, kerst- en sinterklaasvieringen met andere werknemers een onvoldoende aanwijzing voor inbedding in de organisatie. Hierbij weegt mee dat CDG onbetwist heeft gesteld dat [opdrachtnemer] grote bossen bloemen mee naar kantoor nam als relatiegeschenk en zij bij verjaardagen trakteerde op lunches, hetgeen niet op de bedoelde inbedding duidt. 5.23. De voornoemde omstandigheden samen brengen de kantonrechter tot de conclusie dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten. De door [opdrachtnemer] gevorderde verklaring voor recht dat sprake is van een arbeidsovereenkomst met verschuldigd loon zal daarom worden afgewezen. De vorderingen van [opdrachtnemer] tot het doen van aangifte bij de belastingdienst, tot betaling van vakantiedagen en vakantiegeld en afdracht pensioenpremie worden daarom ook afgewezen. 5.24. Omdat niet, althans onvoldoende, betwist is dat [opdrachtnemer] in de maand augustus 2024 werkzaamheden heeft verricht voor CDG, is CDG in beginsel het gefactureerde loon van € 16.783,91 inclusief btw verschuldigd. Dit loon dient volgens artikel 6.4 van overeenkomst 2 binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur te zijn betaald. Omdat daarmee is afgeweken van artikel 11 van de algemene voorwaarden waarin een betalingstermijn van 14 dagen is genoemd, wordt uitgegaan van de betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur. Opschorting 5.25. CDG beroept zich op opschorting van haar verplichting tot betaling van de factuur. Een schuldenaar is bevoegd om de nakoming van zijn verbintenis op te schorten als hij een opeisbare tegenvordering heeft op de schuldeiser en tussen die vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen (6:52 BW). 5.26. CDG legt aan de opschorting ten grondslag dat 1) [opdrachtnemer] haar verplichting tot overdracht van werkzaamheden en 2) haar verplichtingen uit de bruikleenovereenkomst niet is nagekomen. Hierop wordt hierna achtereenvolgens ingegaan. Overdracht werkzaamheden 5.27. Partijen zijn het erover eens dat een zorgvuldige overdracht van werkzaamheden onderdeel was van de overeenkomst tussen partijen. Het verweer van CDG dat er geen goede overdracht heeft plaatsgevonden, heeft [opdrachtnemer] betwist. [opdrachtnemer] stelt dat zij alle relevante documenten, zoals de door CDG genoemde benoemingen van leden van de Raad van Commissarissen, contracten, reglementen en Wtza-aanvragen, in een mapje “legal” met submapjes heeft gedaan. Daarnaast stelt [opdrachtnemer] dat zij de door haar opgestelde documentatie steeds gedeeld heeft met de betrokken intern verantwoordelijken via de gebruikelijke kanalen, zoals e-mail, Microsoft Teams en de digitale schrijfomgeving van CDG alsmede dat zij werkzaamheden en dossiers tijdens de opzegtermijn zorgvuldig heeft afgewikkeld. Na deze betwisting van [opdrachtnemer] had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van CDG gelegen om concreet te onderbouwen wat zij dan aan documenten miste en wat er niet goed is overgedragen aan lopende zaken. CDG heeft dat niet gedaan, waardoor een onzorgvuldige overdracht van werkzaamheden door [opdrachtnemer] niet is komen vast te staan. Laptop en tag 5.28. CDG stelt dat [opdrachtnemer] de laptop en tag ten onrechte niet heeft ingeleverd bij haar en dat zij daarom de verschuldigde loonbetaling mag opschorten. 5.29. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 5.1 van de bruikleenovereenkomst specifiek is opgenomen dat de laptop en tag bij beëindiging van het dienstverband aan CDG dienen te worden geretourneerd bij gebreke waarvan een boete van € 50,00 per dag verschuldigd is. In de bruikleenovereenkomst is [opdrachtnemer] met haar persoonlijke naam genoemd en niet [eenmanszaak] . [opdrachtnemer] is in hoedanigheid van zzp’er en als privépersoon echter steeds dezelfde natuurlijke persoon met hetzelfde vermogen. Voorts is [opdrachtnemer] in de bruikleenovereenkomst aangeduid als interimmer waardoor duidelijk is dat zij deze overeenkomst namens haar eenmanszaak (bedrijfsmatig) heeft gesloten. Hierdoor is [opdrachtnemer] formeel en materieel dezelfde partij en gaat de kantonrechter uit van wederkerigheid van partijen, zoals vereist is voor opschorting. Partijen hebben na de opzegging van [opdrachtnemer] nog tot 30 augustus 2024 onderhandeld over verdere samenwerking, maar dat heeft niet geleid tot nieuwe afspraken. [opdrachtnemer] diende de laptop en tag daarom op grond van de bruikleenovereenkomst wegens opzegging uiterlijk op 1 september 2024 in te leveren bij CDG en vanaf die dag had CDG dan ook een opeisbare vordering op [opdrachtnemer] . 5.30. [opdrachtnemer] beroept zich ten aanzien van het niet inleveren van de laptop eveneens op opschorting. Zij stelt – kort samengevat – in dit kader allereerst dat niet van haar verlangd kon worden dat zij de laptop zou inleveren zonder de gelegenheid te hebben gehad haar persoonlijke gegevens hiervan te verwijderen. Zij had dit nog niet kunnen doen omdat zij na 1 september 2024 niet meer kon inloggen op het systeem van CDG. [opdrachtnemer] stelt dat CDG haar toegang, een tijdslot of technische ondersteuning had moeten bieden om de gegevens te wissen. 5.31. De kantonrechter is van oordeel dat het hebben van privégegevens op een zakelijke laptop niet ongebruikelijk is, maar dat geen reden is voor niet inlevering van de laptop. Er is namelijk geen reden om te veronderstellen dat CDG niet over zou gaan tot het wissen van die gegevens. [opdrachtnemer] heeft in deze procedure ook gevorderd dat CDG dient over te gaan tot verwijdering van gegevens op de laptop, hetgeen CDG heeft toegezegd te zullen doen. Daarnaast geldt dat CDG geen verbintenis had om [opdrachtnemer] na 1 september 2024 toegang te geven tot het systeem. Er is daarom geen sprake van een opeisbare vordering van [opdrachtnemer] ter zake van de laptop. 5.32. [opdrachtnemer] beroept zich ook op opschorting wegens de onbetaald gelaten factuur die opeisbaar was per 7 oktober 2024. Als uitgangspunt geldt dat slechts één partij bevoegd is tot opschorting over te gaan. Is een verbintenis eenmaal gerechtvaardigd door een partij opgeschort, dan kan de andere partij niet ook gerechtvaardigd tot opschorting overgaan. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat voor de vraag wie mag opschorten beslissend is bij wie de nakoming ‘het eerst hokt’ (Parl. Gesch. Boek 6, p. 203). De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtnemer] degene is bij wie de nakoming het eerste hokt omdat zij de laptop en tag uiterlijk op 1 september 2024 had moeten inleveren. Dit betekent dat CDG in beginsel een beroep op opschorting toekomt. 5.33. [opdrachtnemer] beroept zich nog op de onzekerheidsexceptie (artikel 6:263 BW) omdat zij reden had te vrezen dat CDG haar factuur niet zou betalen. Zij stelt daartoe dat het haar na het sluiten van de overeenkomst bekend was geworden dat het terugkerende praktijk was binnen CDG om regelmatig de laatste factuur na beëindiging van de samenwerking niet te betalen. CDG betwist echter dat dit de praktijk was bij haar en bij gebreke van een voldoende onderbouwing door [opdrachtnemer] kan hier niet vanuit worden gegaan. Het eventuele feit dat CDG bij beëindigde samenwerkingen met andere partijen discussie mocht hebben gehad over de laatste factuur, wil nog niet zeggen dat CDG hierbij een opzet had. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan het beroep op de onzekerheidsexceptie. Door het WhatsAppbericht van CDG van 18 september 2024 (waarin staat dat pas wordt overgegaan tot betaling van de factuur als [opdrachtnemer] afspraken met betrekking tot de overdracht is nagekomen) had het [opdrachtnemer] ook duidelijk moeten zijn dat niet inlevering van de laptop en tag mede reden waren voor CDG om betaling van de factuur op te schorten. Algehele opschorting gerechtvaardigd? 5.34. De vraag is dan of algehele opschorting door CDG gerechtvaardigd was. De waarde van de laptop is relatief beperkt. [opdrachtnemer] heeft in dit kader onweersproken gesteld dat die ongeveer € 400,00 is. Daarnaast gaat de kantonrechter er op basis van het door CDG gestelde onder 3.2 en 3.3. van haar conclusie van antwoord in conventie vanuit dat zij aan de opschorting ook ten grondslag legt de door [opdrachtnemer] verschuldigde boete wegens niet inlevering van de laptop en tag die tot 24 december 2025 € 47.500,00 zou bedragen. 5.35. Op grond van de bruikleenovereenkomst is [opdrachtnemer] een boete verschuldigd van € 50,00 per dag dat de laptop en tag niet worden ingeleverd. [opdrachtnemer] betwist een boete verschuldigd te zijn omdat CDG geen toegang, tijdslot of technische ondersteuning heeft geboden om gegevens te wissen. De kantonrechter is van oordeel dat dit verweer van [opdrachtnemer] niet slaagt omdat CDG (zoals eerder overwogen) geen verplichting had om [opdrachtnemer] na 1 september 2024 nog toegang te geven tot haar systeem. 5.36. [opdrachtnemer] beroept zich daarnaast op matiging van die boete tot nihil en stelt daartoe dat de laptop en tag een minimale restwaarde vertegenwoordigen en [opdrachtnemer] een redelijk belang heeft bij privacygevoelige afwikkeling van de laptop en de boete in geen verhouding staat tot het gestelde belang van CDG bij afgifte. 5.37. De kantonrechter stelt voorop dat zij op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW bevoegd is op verlangen van de schuldenaar, hier [opdrachtnemer] , een bedongen boete te matigen, maar slechts indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf brengt met zich dat matiging alleen dan aan de orde is als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. 5.38. De boete is opgenomen in een bruikleenovereenkomst tussen twee partijen die handelen in de uitoefening van hun bedrijf. De inmiddels opgelopen boete staat in geen verhouding tot de werkelijke schade van € 400,00. Gelet op de voornoemde omstandigheden zal de kantonrechter de boete matigen tot € 3.000,00. Dit betekent dat CDG betaling van de factuur mocht opschorten voor een bedrag van € 3.000,00. Voorbij wordt daarmee gegaan aan het beroep van [opdrachtnemer] dat opschorting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Verrekening 5.39. De vraag is dan of CDG de boete mocht verrekenen met de door haar verschuldigde factuur aan [opdrachtnemer] . De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is en gaat voorbij aan het verweer van [opdrachtnemer] dat sprake is van aangegane verbintenissen over en weer in verschillende hoedanigheid. Zoals eerder overwogen wordt [opdrachtnemer] als privépersoon en haar eenmanszaak beschouwd als dezelfde hoedanigheid. Na verrekening van CDG van de boete met de factuur, is CDG een bedrag van € 13.783,91 verschuldigd is. Dit bedrag is toewijsbaar. De wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW zal worden toegewezen vanaf 7 oktober 2024 over het factuurbedrag van € 16.783,91 verminderd met de door [opdrachtnemer] verschuldigde boete van € 50,00 per dag vanaf 1 september 2024 tot totaal € 3.000,00. 5.40. Wegens de voornoemde verrekening is de boete teniet gegaan, waardoor de in reconventie gevorderde boete zal worden afgewezen. Participatie 5.41. [opdrachtnemer] stelt dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 7 van overeenkomst 2 omdat zij voor 1 januari 2024 het recht zou krijgen certificaten van aandelen te kopen in Stichting Administratiekantoor CDG Topco en dit een fatale termijn is. [opdrachtnemer] stelt dat CDG aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt door het niet in staat te zijn gesteld te participeren in het aandelenkapitaal van CDG. Als schade noemt [opdrachtnemer] het mislopen van de bonus, eventueel rendement en/of dividend over het verleden en de toekomst. 5.42. CDG betwist tekort geschoten te zijn in haar verplichtingen omdat er geen automatisch participatierecht is voor [opdrachtnemer] en voldaan moet worden aan voorwaarden, zoals inleg en het tekenen van de voorwaarden bij de STAK. Volgens CDG had [opdrachtnemer] geen € 50.000,00 beschikbaar om in te leggen voor januari 2024. Toen [opdrachtnemer] later aangaf over het geld te beschikken, heeft CDG haar alle relevante documenten gezonden, aldus CDG. 5.43. De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtnemer] niet onderbouwd heeft dat zij voor 1 januari 2024 de beschikking had over een bedrag van € 50.000,00 om daarmee certificaten van aandelen te verkrijgen. In een mail van [opdrachtnemer] van 23 mei 2024 (productie 14 CDG) deelt zij mede gebruik te willen maken van het aanbod om aandelen te kopen en daarnaast schrijft zij: “Voor de benodigde 50k heb ik inmiddels (onderstreping kantonrechter) een oplossing gevonden”. Het e-mailbericht is van latere datum dan 1 januari 2024 en onderbouwt niet dat zij voor 1 januari 2024 de beschikking had over het benodigde geld. Er lijkt veeleer uit te volgen dat zij daarover eerder niet beschikte. Gebleken is dat CDG na 1 januari 2024 heeft mee willen werken aan participatie doordat zij op 11 maart 2024 (productie 12 van CDG) op verzoek stukken heeft gezonden aan [opdrachtnemer] . Na de door CDG gestuurde documenten was het aan [opdrachtnemer] om daarop te reageren. Bij gebreke van een onderbouwing door [opdrachtnemer] aan welke verplichting CDG niet voldeed, kan niet van een tekortkoming van CDG worden uitgegaan. De gevorderde verklaring voor recht dat CDG toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van artikel 7 van overeenkomst 2 en aansprakelijk is voor schade zal dan ook worden afgewezen. 5.44. Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat zelfs indien sprake zou zijn geweest van een toerekenbare tekortkoming van CDG, [opdrachtnemer] de mogelijkheid dat zij schade heeft niet aannemelijk heeft gemaakt. Voor de vraag of [opdrachtnemer] schade heeft geleden dient de feitelijke situatie met wanprestatie te worden vergeleken met de hypothetische situatie dat CDG geen wanprestatie heeft gepleegd. De feitelijke situatie is dat [opdrachtnemer] overeenkomst 2 heeft opgezegd, zij geen certificaten van aandelen heeft kunnen kopen van CDG en daaruit geen rendement heeft. [opdrachtnemer] stelt dat zij in de hypothetische situatie de overeenkomst niet zou hebben opgezegd en certificaten van aandelen zou hebben gekocht. De kantonrechter is van oordeel dat [opdrachtnemer] de gestelde hypothetische situatie onvoldoende heeft onderbouwd. Pas voor het eerst ter zitting heeft [opdrachtnemer] namelijk gesteld dat zij overeenkomst 2 heeft opgezegd, omdat zij niet in staat was gesteld certificaten van aandelen te kopen. Dit heeft zij bij de opzegging echter niet als reden opgegeven, noch blijkt ergens anders uit dat dit de reden was van opzegging. Opvallend is juist dat partijen in overleg waren over het in dienst treden van [opdrachtnemer] op basis van een arbeidsovereenkomst. Zij bereikten echter geen overeenstemming over het te betalen loon, waarna [opdrachtnemer] overeenkomst 2 heeft beëindigd. Ook dit duidt er niet op dat [opdrachtnemer] niet verder zou willen met CDG vanwege de gang van zaken omtrent de certificaten. Uit de enkele stelling van [opdrachtnemer] dat participatie bij aanvang van overeenkomst 2 belangrijk was voor haar, kan evenmin worden geconcludeerd dat [opdrachtnemer] de overeenkomst daarom heeft opgezegd. 5.45. In de hypothetische situatie wordt daarom ook van opzegging door [opdrachtnemer] uitgegaan en geldt dat zij de certificaten had moeten verkopen, zij op grond van artikel 8.3 onder a van de administratievoorwaarden van de STAK een bad leaver zou zijn en niet meer zou terugkrijgen dan haar inleg. Ter zitting heeft [opdrachtnemer] nog gesteld aanspraak te hebben op een bonus van 1,5 keer de waarde bij een toekomstige exit en verwezen naar een mail van Collé van 29 juni 2023 (productie 7 van CDG). Onder “exit” wordt volgens de definitielijst in de administratievoorwaarden van de STAK (productie 21 van CDG) echter verstaan de verkoop van de onderneming (Sale or Listing), zoals CDG ter zitting heeft toegelicht. Daarvan is geen sprake. Afgifte van stukken 5.46. [opdrachtnemer] vordert afgifte van bepaalde stukken. Bij de gestelde stukken onder vordering V onder a tot en met e heeft [opdrachtnemer] naar het oordeel van de kantonrechter geen belang omdat een toerekenbare tekortkoming van CDG ten aanzien van het recht tot participatie zoals hiervoor is overwogen niet is komen vast te staan. De stukken onder f vordert [opdrachtnemer] voor onderbouwing van een arbeidsovereenkomst. Bij afgifte van die stukken heeft [opdrachtnemer] zo laat in de procedure ook geen belang. Het had op de weg van [opdrachtnemer] gelegen om hiervoor een incident in te stellen. De vordering tot afgifte van stukken zal dan ook geheel worden afgewezen. Inlevering laptop en tag 5.47. CDG vordert in reconventie afgifte van haar eigendommen. Deze vordering is naar het oordeel van de kantonrechter toewijsbaar ten aanzien van de laptop en tag omdat eerder is overwogen dat [opdrachtnemer] geen beroep op opschorting toekomt hiervoor. Dat [opdrachtnemer] nog andere eigendommen heeft van CDG is niet onderbouwd en daar kan dan ook niet vanuit worden gegaan. Verwijdering persoonsgegevens op de laptop 5.48. [opdrachtnemer] vordert dat CDG bevolen wordt om alle persoonsgegevens van [opdrachtnemer] van de laptop te verwijderen op grond van artikel 10 van de Grondwet en artikel 17 AVG. 5.49. CDG heeft aangegeven dat zij eventuele op de laptop aanwezige privégegevens van [opdrachtnemer] zal verwijderen, hoewel de AVG niet van toepassing is omdat [opdrachtnemer] gegevens op de laptop heeft geplaatst bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke activiteit. Voor (persoons)gegevens waarvoor CDG wel verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG zou zijn, geldt volgens CDG dat zij die slechts kan verwijderen als zij daarmee niet in strijd handelt met de AVG of andere toepasselijke wet en regelgeving (zoals de fiscale bewaarplicht). 5.50. De kantonrechter zal de vordering toewijzen zoals in de beslissing is vermeld, omdat het onrechtmatig zou zijn wanneer CDG op de laptop aanwezige persoonlijke documenten en gegevens van [opdrachtnemer] zou bewaren. De vordering tot verstrekking van een kopie aan [opdrachtnemer] van verwijderde gegevens of opgave van de werkwijze van verwijdering zal worden afgewezen. Het door CDG verstrekken van een bevestiging aan [opdrachtnemer] dat de laptop vrij is gemaakt van alle persoonlijke gegevens van [opdrachtnemer] acht de kantonrechter hier voldoende. Hierbij weegt mee dat [opdrachtnemer] zelf het risico heeft genomen dat zij na 1 september 2024 niet meer bij privégegevens zou kunnen, zij na de beëindiging ook geen kordate actie heeft ondernemen ten aanzien van verwijdering van privégegevens op de laptop en niet heeft willen instemmen met het voorstel van CDG om onder toezicht van medewerkers van CDG weer toegang tot het interne CDG-netwerk te verkrijgen om op die manier haar privégegevens te verwijderen. Het voert te ver van CDG te verlangen een volledige opgave van haar werkwijze te verstrekken. Hier wordt geen rechtsgrond voor gezien. Gezien de toezegging van CDG dat zij tot verwijdering van de privégegevens van [opdrachtnemer] zal overgaan en de kantonrechter geen reden heeft om daaraan te twijfelen, zal de gevorderde dwangsom worden afgewezen. Advocaatkosten 5.51. [opdrachtnemer] vordert primair een bedrag van € 35.000,00 exclusief btw aan werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten en proceskosten. [opdrachtnemer] legt daaraan ten grondslag dat sprake is van misbruik van procesrecht door CDG omdat zij op geen enkel moment inhoudelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de factuur, maar zich heeft beroepen op vorderingen die geen grondslag zouden vinden in het recht en dat gedaan is met het doel betaling te traineren en het proces nodeloos te rekken. Subsidiair vordert [opdrachtnemer] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit) en proceskosten op grond van de wet. 5.52. CDG betwist dat sprake is van misbruik van procesrecht en voert aan dat geen sprake is van een situatie waarin zij opzettelijk stellingen inneemt die niet waar zijn. 5.53. Een vergoeding van de werkelijke buitengerechtelijke en werkelijke proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake als het voeren van verweer, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als gedaagde zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM. 5.54. De kantonrechter is van oordeel dat hier geen sprake is van een situatie van ongegrond gevoerd verweer door CDG en dus geen sprake is van een situatie van misbruik van procesrecht. Dit betekent dat wordt toegekomen aan de subsidiair gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. 5.55. Het verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten zal worden getoetst aan het rapport Voorwerk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. [opdrachtnemer] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Aan buitengerechtelijke incassokosten zal conform het tarief als vermeld in het Besluit een bedrag van € 912,84 worden toegewezen. De door [opdrachtnemer] gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW hierover zal ook worden toegewezen. 5.56. De proceskosten worden begroot conform het geldende liquidatietarief, zoals hierna onder het kopje proceskosten wordt overwogen. Buitengerechtelijke incassokosten 5.57. CDG vordert in reconventie een bedrag van € 3.386,93 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, maar heeft deze vordering niet onderbouwd. Deze vordering zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen. Proceskosten 5.58. CDG is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [opdrachtnemer] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,23 - griffierecht € 732,00 - salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten × € 432,00) - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.862,23 5.59. [opdrachtnemer] zal in reconventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van CDG. De proceskosten worden wegens verwevenheid met de conventie gematigd tot een half punt salaris per proceshandeling. De proceskosten worden daarom begroot op € 325,50 waarvan € 217,00 (0,5 x 2 punten x € 217,00) aan salaris gemachtigde en € 108,50 aan nakosten. 5.60. De gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de proceskosten in conventie en in reconventie worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld. 6 De beslissing De kantonrechter in conventie 6.1. veroordeelt CDG om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 13.783,91 vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over het openstaande factuurbedrag van € 16.783,91 vanaf 7 oktober 2024 waarop in mindering strekt de verschuldigde boete vanaf 1 september 2024 tot een maximum van € 3.000,00, 6.2. veroordeelt CDG om aan [opdrachtnemer] te betalen een bedrag van € 912,84 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de datum van vonniswijzing tot de dag van algehele betaling, 6.3. beveelt CDG om binnen 14 dagen nadat de laptop door haar is terug ontvangen alle aangetroffen persoonsgegevens van [opdrachtnemer] (waaronder privébestanden, e-mails en documenten), aanwezig op de laptop en/of systemen van CDG, te (laten) verwijderen en een bevestiging hiervan te sturen aan [opdrachtnemer] als dit is uitgevoerd, dit zonder dat CDG onnodig van de inhoud van de persoonsgegevens kennisneemt, en met uitzondering van gegevens waarvan CDG concreet en gemotiveerd stelt dat bewaring noodzakelijk is wegens wettelijke bewaarplichten, 6.4. veroordeelt CDG in de proceskosten van € 1.862,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als CDG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.5. veroordeelt CDG in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [opdrachtnemer] als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 6.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.7. wijst het meer of anders gevorderde af, in reconventie 6.8. veroordeelt [opdrachtnemer] tot afgifte van de laptop en tag van CDG aan CDG binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, 6.9. veroordeelt [opdrachtnemer] in de proceskosten van € 325,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [opdrachtnemer] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 6.11. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291329 · 2026-08-22
