# Rechtbank Amsterdam, 28-07-2026 (13-129093-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8216
- Date: 2026-07-28
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8216
- Canonical: https://overview.legal/posts/291337
- Topics: Law Enforcement, Personal Data, Identification

## Summary

Executie-EAB uit Roemenie. Afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-129093-26 Datum uitspraak: 28 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 7 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 2 september 2024 door de Judecătoria Sectorulu 2 Bucureşti (Rechtbank van Eerste Aanleg van Sector 2 Boekarest) , Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] (Roemenië) inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [BRP-adres] , gedetineerd in de [P.I.] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 23 juni 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 23 juni 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Roemeense taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. Tussenuitspraak van 2 juli 2026 Bij deze tussenuitspraak heeft de rechtbank de behandeling van de zaak heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Zitting van 14 juli 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn advocaat, mr. L.J. Woltring, en door een tolk in de Roemeense taal. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. 3 Tussenuitspraak De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 2 juli 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de dubbele strafbaarheid (onder 5) en de Roemeense detentieomstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 OLW (onder 6). Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW De rechtbank verwijst allereerst naar de overwegingen zoals opgenomen onder rubriek 4 in de tussenuitspraak van 2 juli 2026. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van de in de tussenuitspraak geformuleerde vragen heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit bij brief van 7 juli 2026 het volgende medegedeeld: “1. In what manner was the requested person summoned for the substantive hearing of the trial, and to which address was the summons sent? The requested person was summoned to appear before the court by means of written summonses served through the postal service at all known addresses, namely: - [adres 1] - [adres 2] . Furthermore, bench warrants for compulsory appearance were issued in respect of each of the above addresses. The police authorities were unable to execute those warrants, as the defendant could not be located. In addition, the defendant was summoned by public posting at the premises of the court. 2 Has the requested person provided an address during the criminal proceedings in this case? If yes: a. At what point in the proceedings did the requested person provide his address? During the prosecution phase, the requested person gave statements both as a suspect and subsequently as a defendant. In both statements, he indicated both his actual residential address and the address at which he wished to receive service of procedural documents. b. Which address this (de rechtbank begrijpt: did) the requested person provide? The requested person stated that he actually resided at the address: [adres 2] and that he wished all procedural documents to be served at the address in: [adres 1] . c. Was it clear to the requested person that he had to remain reachable for mail at the address in the context of the criminal proceedings? When giving his statements during the prosecution, both in his capacity as a suspect and as a defendant, the requested person was informed, against his signature, of his rights and obligations , including the obligation provided for in Article 108 para. (2)(b) of the code of Criminal Procedure, namely: - The obligation to communicate in writing, within 3 days, any change of address, keeping in mind that, in case of failure to comply with such obligation, the summonses and any other documents served to the first addresses will remain valid and will be considered acknowledged ; d. Has the requested person personally authorized a (assigned) lawyer to conduct the defense on his behalf in his absence? The requested person was not represented by a freely-chosen defence counsel; however, the public defender, Mr. [naam] , Attorney-at-Law, was assigned to represent him pursuant to the empowerment for mandatory legal assistance no. 145666/18 June 2023, issued by the Bucharest Bar Association.” Standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. Gelet op de aanvullende informatie van 7 juli 2026 is namelijk geen sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. Uit de informatie blijkt immers niet dat sprake was van een gemachtigd advocaat. Bovendien is onduidelijk of de opgeëiste persoon wist van de zittingsdagen en betwist de opgeëiste persoon dat hij een adres heeft opgegeven. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich, gelet op de aanvullende informatie van 7 juli 2026, op het standpunt gesteld dat de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW niet van toepassing is. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom van toepassing. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht van deze weigeringsgrond af te zien, omdat de opgeëiste persoon op de zitting van 20 juni 2023 is verschenen, hij een adresinstructie heeft gekregen, de oproep is gezonden naar de opgegeven adressen en de opgeëiste persoon heeft Roemenië verlaten zonder daarbij een adreswijziging door te geven. Oordeel van de rechtbank Met de raadsman en de officier van justitie is de rechtbank, gelet op de aanvullende informatie van 7 juli 2026, van oordeel dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW, nu niet kan worden vastgesteld dat de advocaat door de opgeëiste persoon was gemachtigd. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in eerste aanleg. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, of dat de beslissing in persoon aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. Ook heeft de uitvaardigende autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan. De rechtbank kan in dit geval daarom de overlevering op grond van artikel 12 OLW weigeren. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe. Uit de aanvullende informatie van 7 juli 2026 blijkt dat aan de opgeëiste persoon als verdachte en als gedaagde een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend. De oproepingen voor de zittingen zijn gezonden aan de adressen die de opgeëiste persoon heeft opgegeven. De opgeëiste persoon heeft toegelicht dat één adres het adres betrof zoals dat vermeld staat op zijn identiteitsbewijs en dat het andere adres van zijn zus is. De enkele ontkenning door de opgeëiste persoon dat hij adressen heeft opgegeven is, zonder een concrete onderbouwing met objectieve stukken, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt verder dat de opgeëiste persoon op de zitting van 20 juni 2023 aanwezig is geweest en is bijgestaan door een toegevoegde advocaat. Vervolgens is de opgeëiste persoon naar Nederland gegaan. De opgeëiste persoon heeft op de zitting verklaard dat hij daarbij geen adreswijziging heeft doorgegeven aan de Roemeense autoriteiten. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was, zodat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 107, 163, 176, 177 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW. 7 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Judecătoria Sectorulu 2 Bucureşti (Rechtbank van Eerste Aanleg van Sector 2 Boekarest) , Roemenië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzitter, mrs. D.L.S. Ceulen C.M.S. Loven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. ECLI:NL:RBAMS:2026:7071. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291337 · 2026-08-22
