# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-06-2026 (C/02/443886 FA RK 26-171)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6324
- Date: 2026-06-12
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6324
- Canonical: https://overview.legal/posts/291344
- Topics: Consent, Minors, Public Authority, Personal Data, Health Data

## Summary

Vervangende toestemming erkenning. Erkenning naar Marokkaans recht niet mogelijk. Vervangende toestemming erkenning. Verwijzing naar het Uniform Hulpaanbod.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/443886 FA RK 26-171 Datum uitspraak: 12 juni 2026 beschikking over vervangende toestemming erkenning, gezag en omgang in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats] , België, advocaat: mr. J.J. Bronsveld te Bergen op Zoom tegen: [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Koop-van Vliet te Breda Als belanghebbende in onderhavige zaak ten aanzien van het afstammingsverzoek wordt aangemerkt: de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna te noemen: [minderjarige] , vertegenwoordigd door mr. N.M. Lindhout-Schot in haar hoedanigheid van bijzondere curator. Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het verdere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: de in deze zaak gegeven beschikking tot benoeming van een bijzondere curator over [minderjarige] van 17 maart 2026 en alle daarin vermelde stukken; een afschrift van de geboorteakte van [minderjarige] ; het uittreksel uit het gezagsregister over [minderjarige] ; het op 23 april 2026 ontvangen verslag van de bijzondere curator. - het op 11 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen; - de op 22 mei 2026 ontvangen brief van de advocaat van de man met bijlagen; - het F9-formulier van de advocaat van de man van 26 mei 2026 met bijlagen; - het F9-formulier van de advocaat van de moeder van 27 mei 2026 met bijlagen. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 29 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man met zijn advocaat, de vrouw met haar advocaat, de bijzondere curator en een vertegenwoordigster van de Raad. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank mr. Lindhout-Schot benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige] . De rechtbank heeft de bijzondere curator verzocht schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen. 2.2 Aan de rechtbank liggen de volgende verzoeken voor: De man verzoekt: vervangende toestemming te verlenen tot erkenning door de man van [minderjarige] ; de man gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag; een zorg- en contactregeling vast te stellen, waarbij de man uiteindelijk na een opbouwfase en/of hulpverlening contact zal hebben met [minderjarige] eenmaal per veertien dagen een volledig weekend, waarbij het halen en brengen in onderling overleg geregeld zal worden en voorts de helft van de komende schoolvakanties. De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek ten aanzien van het gezamenlijke gezag en de zorg- en contactregeling, althans deze verzoeken af te wijzen; bij wege van (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek: I. partijen via het Uniform Hulpaanbod (hierna UHA) te verwijzen naar de hulpverlening in het kader van begeleide omgang c.q. contact met daarnaast een ander vorm van hulpverlening waarbij te denken valt aan een BOR-traject, dan wel vergelijkbare hulpverlenende instantie, met als doelt te werken aan de samenwerking/onderlinge communicatie tussen partijen; en II. te bepalen dat de Raad op een zo kortst mogelijke termijn onderzoek zal verrichten ter beantwoording van de vragen als genoemd van sub 67 van het verzoek. 2.3 Op grond van de overgelegde stukken staat het volgende vast: De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren De vrouw is op [geboortedag] 2023 te [geboorteplaats] bevallen van [minderjarige] . Op de geboorteakte van [minderjarige] staat geen vader genoemd. De man heeft [minderjarige] niet erkend. De vrouw heeft het gezag over [minderjarige] . De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. De man heeft zijn gewone verblijf plaats in België. De vrouw en [minderjarige] hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. 2.4 De man heeft ter toelichting op zijn verzoeken aangegeven dat de vrouw na de geboorte van [minderjarige] ieder contact met hem heeft verbroken. Hierdoor is hij niet in de gelegenheid geweest om [minderjarige] te erkennen. De vrouw staat niet afwijzend tegenover een erkenning, maar zij verbindt daar bepaalde voorwaarden aan. De man is van mening dat er geen nadere voorwaarden gesteld dienen te worden aan de totstandkoming van een omgangsregeling en gezamenlijk gezag. Er zijn geen contra-indicaties aanwezig die toewijzing van zijn verzoeken in de weg staan. De man vindt het belangrijk dat hij contact kan krijgen met [minderjarige] en dat zij weet dat hij haar vader is. Om de omgangsregeling op te bouwen is de man bereid mee te werken aan een hulpverleningstraject. Hij kan dan ook instemmen met een verwijzing naar het UHA. 2.5 Door en namens de vrouw is aangegeven dat zij zich niet verzet tegen het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen. Wel verzet zij zich tegen de verzoeken ten aanzien van het gezamenlijke gezag en de contactregeling. De vrouw heeft aangevoerd dat de man niet betrokken is geweest bij de zwangerschap en ook niet na de geboorte van [minderjarige] . Het is partijen niet gelukt om uitvoering te geven aan afspraken over de erkenning en de omgangsregeling. De door partijen gemaakte afspraken werden niet door de man nagekomen. De communicatie van de man bestond voornamelijk uit verwijten, beschuldigingen en bedreigingen waardoor de vrouw zich zeer onveilig heeft gevoeld en zich genoodzaakt heeft gezien de man te blokkeren op WhatsApp. Op 5 februari 2024 heeft het laatste contact plaatsgevonden. Hierna heeft de vrouw meer dan een jaar niets van de man gehoord. De vrouw acht gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . De man is niet op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige] en daarnaast is er sprake van een taalbarrière. Er is veel onzekerheid over de verblijfstatus van de man en, ondanks meerdere verzoeken van de vrouw, geeft hij geen duidelijkheid over zijn verblijfsadres. Daar komt bij dat bij [minderjarige] sprake is van een taal- en spraakachterstand waarvoor zij logopedie krijgt. Om dit traject goed te laten verlopen is continuïteit, veiligheid en stabiliteit noodzakelijk voor [minderjarige] . Voor gezamenlijk gezag is bovendien vereist dat partijen in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Hiervan is geen sprake. De vrouw vreest dat [minderjarige] gezien de ontbrekende en moeizame communicatie, het ontbreken van samenwerking en de afwezige rol van de man in het leven van [minderjarige] , bij gezamenlijk gezag klem en verloren zal raken tussen partijen. Ten aanzien van de omgang stelt de vrouw zich primair op het standpunt dat er gronden aanwezig zijn dat de man het recht op omgang ontzegd moet worden. [minderjarige] is erg jong en zij heeft vanwege haar taalachterstand extra zorg nodig. Tegelijkertijd is de onvoorspelbaarheid en instabiliteit van de man een contra-indicatie voor omgang. Tot op heden is hij in het geheel niet betrokken bij [minderjarige] . De vrouw maakt zich ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de man. Indien er omgang komt, dan zal dit begeleid en zorgvuldig opgestart moeten worden. De vrouw is van mening dat in het kader van een hulpverleningstraject bekeken dient te worden wat er nodig is voor partijen en op welke wijze de man kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Ook zal gewerkt moeten worden aan de onderlinge communicatie tussen partijen. De vrouw verzoekt in dat kader partijen te verwijzen naar het UHA. Indien de man hieraan geen medewerking wenst te verlenen dan is de vrouw van mening dat een onderzoek door de Raad is geïndiceerd. 2.6 De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat het tussen partijen niet ter discussie staat dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De bijzondere curator adviseert het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning toe te wijzen. Met een erkenning wordt de juridische werkelijkheid in overeenstemming gebracht met de biologische werkelijkheid. Voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] is het van groot belang dat zij weet van wie zij afstamt en dat zij in een juridische verhouding tot haar beide biologische ouders komt te staan. Zowel [minderjarige] als de man hebben er recht op dat hun relatie rechtens wordt erkend. Er is niet van omstandigheden gebleken die een erkenning in de weg staan. 2.7 De vertegenwoordigster van de Raad heeft geadviseerd het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen toe te wijzen. Het is in haar belang dat zij weet van wie zij afstamt. Ten aanzien van de andere verzoeken adviseert de Raad om partijen te verwijzen naar het UHA om in dat kader te gaan werken aan een opbouw van de omgangsregeling en om zicht te krijgen op de communicatie tussen partijen. In het kader van dit traject zal de omgangsregeling in beginsel begeleid moeten worden opgestart gezien het verleden van partijen, de taalbarrière en ook om [minderjarige] te ondersteunen in het geven van woorden aan haar emoties. Dit alles dient eerst te worden ingezet voordat een verdere beslissing wordt genomen over de verzoeken met betrekking tot het gezamenlijke gezag en de omgang. De Raad adviseert die verzoeken aan te houden. 2.8 De rechtbank overweegt als volgt. Internationaal privaatrecht (IPR) 2.9 Vanwege het feit dat de man de Marokkaanse nationaliteit en zijn gewone verblijfplaats heeft in België, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek. Internationale bevoegdheid 2.10 In artikel 3 aanhef en onder a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) staat dat met uitzondering van zaken als bedoeld in de artikelen 4 en 5, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingediend de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij de verzoeker of, indien er meer verzoekers zijn, een van hen, hetzij een van de in het verzoekschrift genoemde belanghebbende in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft. 2.11 Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek van de man met betrekking tot het gezag en de omgang te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats had in Nederland. Toepasselijke recht ten aanzien van afstammingsverzoek 2.12 In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. 2.13 In artikel 10:95, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat, voor zover hier van belang, de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, wordt bepaald door het recht van de staat waarvan die persoon de nationaliteit bezit. Bezit die persoon de nationaliteit van meer dan een staat, dan is bepalend het nationale recht volgens hetwelk de erkenning mogelijk is. Indien volgens het nationale recht van die persoon erkenning niet of niet meer mogelijk is, is bepalend het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. 2.14 De man heeft de Marokkaanse nationaliteit. Volgens het Marokkaanse recht is een erkenning, zoals bedoeld in artikel 10:95, eerste lid, BW, niet mogelijk. Daarom zal de rechtbank op de vraag of een erkenning familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen een persoon en een kind, wat betreft de bevoegdheid van die persoon en de voorwaarden voor de erkenning, het recht toepassen van de staat van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar gewone verblijfplaats in Nederland, zodat het Nederlands recht hierop van toepassing is. Volgens het Nederlands recht doet een erkenning familierechtelijke betrekkingen ontstaan tussen een persoon en een kind. 2.15 In artikel 10:95, derde lid, BW staat dat, voor zover hier van belang, ongeacht het in het eerste lid toepasselijke recht, op de toestemming van de vrouw tot erkenning toepasselijk is het recht van de staat waarvan de vrouw de nationaliteit bezit. Bezit de vrouw de nationaliteit van meer dan een staat, dan is toepasselijk het nationale recht volgens hetwelk toestemming is vereist. Bezit de vrouw de Nederlandse nationaliteit, dan is het Nederlandse recht van toepassing, zulks ongeacht of de vrouw, naast de Nederlandse nationaliteit nog een andere nationaliteit bezit. Indien het toepasselijke recht de erkenning niet kent, is toepasselijk het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de vrouw. Het op de toestemming toepasselijke recht bepaalt tevens of bij gebreke van toestemming deze kan worden vervangen door een rechterlijke beslissing. 2.16 De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. Daarom is op de toestemming tot erkenning van de vrouw het Nederlandse recht van toepassing. Erkenning 2.17 In artikel 1:204, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat, voor zover hier van belang, dat de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank kan worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt en die persoon de verwekker is van het kind. 2.18 De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de verwekker is van [minderjarige] . De vrouw verzet zich ook niet tegen een erkenning van [minderjarige] door de man. Het lukt partijen echter niet om de erkenning bij de gemeente te realiseren. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de biologische werkelijkheid. Van omstandigheden die een erkenning in de weg staan is niet gebleken. Zowel [minderjarige] als de man hebben er belang bij dat zij in familierechtelijke betrekking tot elkaar komen te staan. De rechtbank zal het verzoek van de man om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] dan ook toewijzen. De man moet [minderjarige] dan nog wel met deze beschikking bij de gemeente daadwerkelijk gaan erkennen. Beëindiging taak van de bijzondere curator 2.19 De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. Toepasselijk recht ten aanzien van de verzoeken tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling 2.20 Nu de Nederlandse rechter bevoegd is om van de verzoeken tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling kennis te nemen, is op deze verzoeken op basis van artikel 15 en 17 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996) het Nederlands recht van toepassing. Ouderlijk gezag 2.21 In artikel 1:253c BW staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek slechts kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn of haar ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is. 2.22 De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt van de wetgever heeft te gelden dat ouders, na het verbreken van hun relatie, gezamenlijk het gezag over hun (kind)eren uitoefenen en dat er wat dat betreft sprake is van gelijkwaardig ouderschap, tenzij sprake is van een of meerdere in voormeld artikel genoemde contra-indicaties. Gebleken is dat de verhoudingen tussen partijen zijn verstoord en dat de man vrijwel niet betrokken is geweest in het leven van [minderjarige] . De rechtbank vindt het daarom belangrijk dat partijen gaan werken aan de onderlinge communicatie met behulp van hulpverlening, zodat kan worden onderzocht of er een basis aanwezig is voor het uitoefenen van gezamenlijk gezag. Nu partijen hebben ingestemd om hierover met elkaar in gesprek zullen gaan onder professionele begeleiding in het kader van het UHA-traject, zal de rechtbank de beslissing over het gezag aanhouden in afwachting van het verloop en het resultaat van dat traject. 2.23 Een andere reden om de beslissing over het gezamenlijk ouderlijk gezag aan te houden is dat de man [minderjarige] eerst zal moeten erkennen alvorens hij mede met het ouderlijk gezag over haar kan worden belast. Enkel een juridisch ouder van een kind kan namelijk op basis van voormeld artikel mede worden belast met het ouderlijk gezag. Vaststelling omgangsregeling 2.24 In artikel 1:377a, eerste lid BW staat dat het kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft bovendien het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid van voormeld artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast. 2.25 Partijen hebben ter zitting ingestemd met een traject in het kader van het UHA waarin gewerkt gaat worden aan een begeleide omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] . Dit wordt ook geadviseerd door de Raad. De rechtbank deelt deze visie en zal hierna overgaan tot het verwijzen van partijen naar het UHA om onder meer te gaan toewerken naar een begeleide omgangsregeling. 2.26 De beslissing over de vaststelling van de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] zal worden aangehouden in afwachting van het verloop en het resultaat van het UHA-traject. 2.27 De problematiek van de ouders omvat het volgende: De verhoudingen tussen de man en de vrouw zijn ernstig verstoord. De relatie van partijen is verbroken voor de geboorte van [minderjarige] . Het is partijen niet gelukt om uitvoering te geven aan afspraken over de erkenning van [minderjarige] door de man en een omgangsregeling. [minderjarige] kent de man niet en de man is niet op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige] . Daarnaast is er sprake van een taalbarrière enerzijds en een spraak- en taalachterstand bij [minderjarige] anderzijds. 2.28 Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 29 mei 2026 datum plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 2.29 Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 2.30 Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: zware/systeemgerichte interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie); - de nieuwe gezinssituaties zorgen gezamenlijk voor een goede basis voor de ontwikkeling van het kind. De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is bij deze beschikking gevoegd (bijlage 1). 2.31 Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen. 2.32 Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de verzoeken met betrekking tot het kind. 2.33 Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 2.34 Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 2.35 Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - Bestaat er, als de ouders samen het gezag krijgen een onacceptabel risico dat [minderjarige] erg klem komt te zitten tussen de ouders en het er niet naar uitziet dat dit binnen korte tijd voldoende zal verbeteren of is het om een andere reden in het belang van [minderjarige] om af te wijken van het uitgangspunt in de wet dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? - Hoe moet die regeling eruit gaan zien? - Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 2.36 Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 2.37 Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 2.38 De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. 2.39 Omdat ouders en hun kind in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de verzoeken met betrekking tot gezamenlijk gezag en omgang, maar houdt zij de beslissing daarover voor de duur van negen maanden aan. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 2. Het voorgaande betekent dat als volgt wordt beslist. 3 De beslissing De rechtbank 3.1 verleent, ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de moeder, aan de man toestemming tot het erkennen van de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023; 3.2 beschouwt de taak van de bijzondere curator als beëindigd; 3.3 verwijst ouders en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder; 3.4 verzoekt het loket om uiterlijk 23 februari 2027 , of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen; 3.5 verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 3.6 verzoekt de Raad binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 3.7 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 2.35 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 3.8 verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen; 3.9 houdt aan de beslissing op de verzoeken met betrekking tot gezamenlijk gezag en vaststelling van een omgangsregeling. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Gessel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026, in aanwezigheid van Boink, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291344 · 2026-08-22
