# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12-06-2026 (C/02/409964 / FA RK 23-2478)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6297
- Date: 2026-06-12
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6297
- Canonical: https://overview.legal/posts/291345
- Topics: Minors, Public Authority, Representatives, Social Media

## Summary

Zorgregeling; nauwelijks tot geen contact tussen man en de minderjarigen

## Full text

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/409964 / FA RK 23-2478 datum uitspraak: 12 juni 2026 Nadere beschikking betreffende wijziging/nakoming zorgregeling in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal, tegen [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 2] , advocaat: mr. D.P.F. Arens, DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, betreffende de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 1 juli 2024 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken; - de e-mailberichten van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom van 21 november 2024 en 16 juni 2025; - het op 22 december 2025 ontvangen bericht van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom betreffende de negatieve terugkoppeling van het UHA-traject; - het op 8 januari 2026 ontvangen bericht van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom betreffende het tussen- en het eindverslag van het UHA-traject; - het op 27 januari 2026 ontvangen bericht van de Raad; - het op 29 april 2026 ontvangen bericht van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom betreffende een vervolg op het eindverslag; - het op 7 mei 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Kranenburg. 1.2 De verzoeken zijn nader mondeling behandeld op 19 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad. 1.3 Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling hebben de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder een apart gesprek met de (kinder)rechter gehad. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de (kinder)rechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De nadere beoordeling 2.1 De rechtbank verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 1 juli 2024. Bij deze beschikking heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de man en de vrouw met betrekking tot het nakomen dan wel wijzigen van de zorgregeling aangehouden in afwachting van de resultaten van het Uniform Hulpaanbod (hierna: het UHA) gericht op de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor de kinderen; - de kinderen hebben een stem in het scheidingsproces, voelen zich gehoord en gesteund; - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van de kinderen (lichte interventie); - de kinderen en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar. 2.2 Bij e-mailbericht van 21 november 2024 en 16 juni 2025 heeft de jeugdprofessional van de gemeente [woonplaats 1] om uitstel gevraagd. 2.3 Op 22 december 2025 en op 8 januari 2026 heeft de rechtbank een e-mailbericht van de jeugdprofessional van de gemeente Bergen op Zoom ontvangen waarin zowel het tussen- als het eindverslag van het UHA-traject zijn overgelegd. 2.4 Gebleken is dat er vanuit het UHA een negatieve retourmelding is gedaan, omdat binnen het (jeugd)hulptraject niet alle hulpverleningsresultaten zijn behaald. Tijdens de behandeling is duidelijk geworden dat het contactverlies tussen de man en de minderjarigen niet op zichzelf staat, maar voortkomt uit een langdurig en wederkerig patroon van gebrekkige communicatie, gekwetstheid en wederzijds wantrouwen tussen partijen en tussen de man en de minderjarigen. Hoewel beide ouders het belang van contact met de andere ouder onderschrijven, lukt het hen onvoldoende om dit ook in gedrag te laten zien. Het is niet gelukt om de beoogde stappen richting contactherstel te laten plaatsvinden. Het contactherstel tussen de man en de minderjarigen vraagt om geduld en een consequente focus op het welzijn van de minderjarigen. 2.5 Bij binnengekomen bericht van 27 januari 2026 heeft de Raad geadviseerd om de behandeling van de verzoeken op zitting te laten plaatsvinden. 2.6 Thans liggen nog ter beoordeling voor het verzoek van de vrouw om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - de bij beschikking van 18 mei 2017 onder rekestnummer C/02/329763 / FA RK 17-2136 bekrachtigde zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als vastgelegd in het aan die beschikking gehechte ouderschapsplan in dier voege te wijzigen als dat volgens een nader daartoe door de Raad van de Kinderbescherming uit te brengen advies, het meest in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] wordt geacht, danwel een dusdanig aangepaste regeling als dat uw rechtbank juist acht. Daarnaast ligt thans voor, het zelfstandig verzoek van de man om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij vorraad: - de vrouw te veroordelen tot nakoming van de als laatste tussen partijen bestaande verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, inhoudende dat de thans minderjarige dochters, te weten  [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009, en  [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011; eenmaal per twee weken bij de man zullen verblijven van vrijdagavond 19:00 uur tot en met zondagavond 19:00 uur, alsmede de vakanties bij helfte. 2.7 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank hierover gesproken met partijen en de Raad. Bij die gelegenheid heeft de man aangegeven dat hij al een aantal jaren geen contact heeft met [minderjarige 1] . De man heeft [minderjarige 1] nu al ongeveer 4,5 jaar niet gezien. Met [minderjarige 2] heeft hij af en toe contact. Zij hebben elkaar recent gezien bij [zorginstelling] . Er is toen een systeemgesprek geweest tussen de man en [minderjarige 2] , echter is er nooit een vervolgafspraak gekomen omdat [minderjarige 2] hier geen behoefte aan had. De man wil dan ook niet verder aan de minderjarigen trekken en vindt het niet passend om hiervoor een dwangkader te gebruiken. Desondanks wenst de man dat de rechtbank een beslissing neemt die in het belang van de minderjarigen is. De man geeft tot slot aan dat de deur voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] altijd open staat. 2.8 De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling verteld dat zij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] probeert te stimuleren in het contact met de man, maar dat dit niet helpend is. De vrouw erkent dat er sprake is van een bepaalde dynamiek tussen partijen waardoor het voor de minderjarigen op dit moment niet mogelijk is om onbelast contact te hebben met hun beide ouders, maar weet niet hoe dit patroon doorbroken kan worden. Sinds de start van de procedure is er drie jaar verstreken en hebben partijen, met behulp van hulpverlening, geprobeerd om te komen tot contactherstel. Ondanks de betrokkenheid en de initiatieven van [zorginstelling] is dit niet gelukt. De vrouw verzoekt dan ook om het zelfstandig verzoek van de man af te wijzen, en te bepalen dat het contact tussen de man en de minderjarigen dient plaats te vinden op een niet dwingende wijze, waarbij rekening wordt gehouden met het tempo en behoeften van de minderjarigen. 2.9 De Raad stelt zich op het standpunt dat de hulpverlening actief aan de slag is gegaan met de doelen zoals die zijn gesteld vanuit de rechtbank, maar dat dit niet heeft geleid tot het gewenste resultaat. Het maximaal haalbare ten aanzien van het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] met de man als ook wat betreft de oudercommunicatie lijkt te zijn bereikt. Het advies van de gemeente als ook de hulpverlening is om geen dwang uit te oefenen in het contact van de minderjarigen met de man en om hun tempo te volgen. [minderjarige 2] staat open voor contact via Whatsapp met de man, maar wacht hierbij het initief van de man af. [minderjarige 1] staat niet open voor contact en de Raad ziet weinig mogelijkheden om dit alsnog te bewerkstelligen. Wel vindt de Raad het van belang dat er oog is voor het welzijn van [minderjarige 1] . Een individuele behandeling voor [minderjarige 1] zou hierin helpend kunnen zijn, zodat zij leert om te gaan met haar emoties en gevoelens. 2.10 [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld dat het goed met hen gaat. Zij geven beide hun leven een hoog cijfer. [minderjarige 2] heeft op dit moment geen contact met de man. De man en [minderjarige 2] hebben recent bij [zorginstelling] afgesproken om een keer per week contact te hebben via Whatsapp, maar dit komt niet van de grond. [minderjarige 2] vindt dit lastig en heeft het gevoel dat de afspraken niet worden nagekomen. Anders dan contact via Whatsapp met de man ziet [minderjarige 2] niet zitten. [minderjarige 1] heeft al een langere tijd helemaal geen contact met de man. Zij voelt zich verlaten door de man en is hier boos over. Zij heeft geen behoefte aan contact en ook niet aan een afsluitend gesprek. 2.11 Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat een wijziging van de eerder vastgestelde zorgregeling noodzakelijk is, nu deze regeling al geruime tijd niet meer wordt uitgevoerd. Gebleken is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de afgelopen jaren geen fysiek contact hebben gehad met de man. 2.12 De kinderrechter constateert dat het uitblijven van contact tussen de man en de minderjarigen het gevolg is van een jarenlange strijd tussen de ouders, onderling wantrouwen en een loyaliteitsconflict bij beide minderjarigen. Hoewel er in de afgelopen jaren veel hulpverlening bij het gezin betrokken is geweest, is het de rechtbank duidelijk geworden dat het niet is gelukt om te komen tot contactherstel tussen de man en de minderjarigen. 2.13 De rechtbank is het met partijen en de Raad eens dat hoewel het erg belangrijk is dat de minderjarigen onbelast contact hebben met hun beide ouders, er geen dwang uitgeoefend moet worden in het contact tussen de minderjarigen en de man. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling duidelijk aangegeven de wensen van de minderjarigen te respecteren, en niet aan de minderjarigen te willen trekken. De rechtbank vindt het dan ook van belang dat er (fysiek) contact plaatsvindt als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf aangeven hier behoefte aan te hebben. Het is in het belang van de minderjarigen als er geen verplichting is tot het hebben van contact. De rechtbank ziet echter wel belang in het feit dat de man consequent contact zal initiëren. Daar is bij [minderjarige 1] op dit moment geen ruimte voor, maar bij [minderjarige 2] wel. 2.14 Aangezien er bij [minderjarige 1] geen ruimte is voor contactherstel, zal de rechtbank tussen de man en [minderjarige 1] geen regeling vastleggen. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [minderjarige 1] naar eigen inzicht en eigen behoefte, op het moment dat zij dat wenst, het contact met de man zelf kan vormgeven. 2.15 De rechtbank zal ten aanzien van [minderjarige 2] , gelet op het voornoemde, de volgende regeling vaststellen, waarbij de man eenmaal per week een bericht via Whatsapp, en niet via andere social media kanalen, naar [minderjarige 2] stuurt over hoe het met hem gaat en waarin hij interesse in [minderjarige 2] toont. De rechtbank vindt het hierbij van belang dat de man zijn volgende bericht niet laat afhangen van de vraag of [minderjarige 2] wel of niet reageert, maar dat hij consequent elke week een bericht naar haar stuurt. De rechtbank hoopt dat wanneer voormelde regeling een tijd lang goed verloopt, dit in de toekomst mogelijk de ruimte biedt voor [minderjarige 2] om het contact uit te breiden naar wellicht een videobelmoment of een fysiek contactmoment. 2.16 De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 3 De beslissing De rechtbank 3.1 wijzigt de bij beschikking van 18 mei 2017 onder rekestnummer C/02/329763 / FA RK 17-2136 bekrachtigde zorgregeling tussen de man en de minderjarigen en bepaalt dat: er geen contactregeling meer is tussen de man en [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009 en dat de regie over eventueel contact bij [minderjarige 1] wordt neergelegd; de man eenmaal per week een bericht via Whatsapp stuurt naar [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2011, met inachtneming van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.15. 3.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. Verplanke, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291345 · 2026-08-22
