# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 10-06-2026 (C/02/417457 FA RK 23-6065)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6253
- Date: 2026-06-10
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6253
- Canonical: https://overview.legal/posts/291350
- Topics: Public Authority, Representatives, Consent, Personal Data, Controllers

## Summary

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en omgangsregeling. Alleen bepaling informatieregeling. Regie bij de GI voor het contact(herstel) tussen de minderjarige en de vader.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/417457 FA RK 23-6065 Datum uitspraak: 10 juni 2026 Nadere beschikking betreffende gezag, omgang en informatie in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats], advocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda. Als belanghebbenden in onderhavige zaak worden aangemerkt: [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats], advocaat: mr. C.F.A. Cadot te Roosendaal, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant , locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1. Het verdere procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken: - de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 en alle daarin vermelde stukken; - de negatieve terugkoppeling van het UHA-traject van de jeugdprofessional van de gemeente Etten-Leur van 6 oktober 2025; - de brief van de Raad van 27 november 2025; - de vraag per e-mail van de Raad van 5 januari 2026; - het F-formulier van mr. Van Haperen van 19 januari 2026; - het F-formulier van mr. Cadot van 23 januari 2026; - de reactie van de rechtbank aan de Raad van 28 januari 2026; - de op 5 maart 2026 ontvangen rapportage van de Raad. 1.2 De verzoeken zijn mondeling behandeld op 1 juni 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de man en de vrouw, beiden met hun advocaten. Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. 1.3 Op de zitting is tevens het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van de minderjarige behandeld (zaaknummer: C/02/445689 / JE RK 26-368). Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 1 juni 2026 is in die zaak [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 1 juni 2026 tot 1 juni 2027. 2 De nadere beoordeling 2.1 Bij beschikking van 12 april 2024 heeft de rechtbank aan de man vervangende toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. Uit de melding in het gezagsregister is gebleken dat de man [minderjarige] heeft erkend. De behandeling van de zaak is verder aangehouden in afwachting van het verloop van het hulpverleningstraject in het kader van UHA, waar partijen per vonnis in kort geding van 8 januari 2024 naar zijn verwezen. De verzoeken 2.2 Aan de orde zijn de verzoeken van de man om, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: II. te bepalen dat de vrouw de man eenmaal per zes weken via e-mail informeert omtrent belangrijke gebeurtenissen met betrekking tot [minderjarige] waarbij informatie wordt verstrekt over onder meer haar ontwikkeling, gezondheid, doktersbezoeken (waaronder ook bezoeken aan het consultatiebureau), medische behandelingen, medicijngebruik alsmede onderlegging van in ieder geval één goedgelijkende foto van [minderjarige]; III. een omgangsregeling vast te stellen, waarbij [minderjarige] bij de man verblijft: - leeftijd 4-6 maanden: iedere maandag 2 uur, iedere donderdag 2 uur, iedere zaterdag 2 uur; - leeftijd 7 maanden: iedere maandag 3 uur, iedere donderdag 3 uur, iedere zaterdag 3 uur; - leeftijd 8 maanden: iedere dinsdag 4 uur, iedere zaterdag 4 uur; - leeftijd 9 maanden: iedere dinsdag 4 uur, iedere zaterdag 6 uur; - leeftijd 10 maanden: iedere dinsdag 4 uur, iedere zaterdagmiddag tot zondagochtend; - leeftijd 11 maanden: iedere dinsdag 4 uur, iedere zaterdagochtend tot zondagmiddag; - leeftijd 12 maanden: iedere hele dinsdag, iedere zaterdagochtend tot zondagmiddag; - leeftijd 13 maanden: iedere hele dinsdag, éénmaal per 14 dagen van vrijdagavond tot en met zondagavond; IV. hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige]. De vrouw heeft verzocht deze verzoeken van de man af te wijzen. Terugkoppeling UHA en raadsonderzoek 2.3 Uit de terugkoppeling van het UHA-traject is gebleken dat de gewenste resultaten niet zijn bereikt. Er is ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding ingezet door De Gezinsmanager. Het is de ouders wel gelukt om een afspraak over het contact tussen de man en [minderjarige] te maken, maar telkens wordt dit contact weer stopgezet door een heftige escalaties tussen de ouders. De vrouw heeft zorgen geuit over mogelijk middelengebruik door de man. Zij wil de veiligheidsafspraak dat de man een drugstest en elke week een alcoholtest doet. De man stelt al jaren clean te zijn. De ouders komen hier samen niet uit. Er is daardoor geen stabiel contact tussen [minderjarige] en de man. Dit kan gevolgen hebben voor haar hechtings- en identiteitsontwikkeling. 2.4 Vervolgens heeft de Raad onderzoek gedaan. Met akkoord van beide advocaten zijn de gestelde vragen uitgebreid met een vraag over het gezag over [minderjarige], omdat de man ook daarom heeft gezocht. De Raad heeft het onderzoek uitgebreid met een beschermingsonderzoek. De Raad heeft naar aanleiding van het onderzoek verzocht om [minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI. Daarnaast heeft de Raad over de verzoeken van de man geadviseerd. De Raad heeft in het raadsrapport geadviseerd dat de man tweemaal per week kan videobellen met [minderjarige]. Tijdens de zitting heeft de Raad aangegeven dat het goed is dat de man open aangeeft dat hij recent een terugval in het drugsgebruik heeft gehad en hij daarom op dit moment niet voor [minderjarige] kan zorgen. Hij zal hier eerst zelf mee aan de slag moeten gaan. Naar visie van de Raad is het de vraag of de man in staat is het middelengebruik weg te houden van [minderjarige] en een verantwoordelijke en voorspelbare ouder te zijn, zodat er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] bij hem. Op termijn kan met de GI wellicht bekeken worden of er iemand in het netwerk van de man is waar [minderjarige] in een bepaalde frequentie kan verblijven en dat de man, als hij daartoe in staat is, daarlangs kan gaan om [minderjarige] te zien. Op dit moment is echter niet meer mogelijk dan dat de vrouw de man geregeld via de e-mail op de hoogte houdt van de ontwikkeling van [minderjarige] met een foto of filmpje erbij. De Raad adviseert om de definitieve vaststelling van de omgangsregeling aan te houden voor de duur van tien maanden in afwachting van de ondertoezichtstelling. Over het gezag adviseert de Raad om de beslissing op dat verzoek ook aan te houden voor de duur van tien maanden. De ouders zijn op dit moment niet in staat samen beslissingen over [minderjarige] te nemen. Het wantrouwen tussen de ouders is te groot. Er is een risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders als zij samen het gezag over haar moeten uitoefenen. De kwetsbaarheden van beide ouders zijn van invloed op hun verstoorde dynamiek. De man heeft PTSS en ADHD en heeft moeite met zijn emotieregulatie. Hij krijgt hulpverlening vanuit [zorginstelling]. De vrouw is recent gediagnosticeerd met onder andere een sociale angststoornis. Zij heeft moeite met emoties en sociale interacties en heeft paniekklachten. Zij volgt een hulptraject bij de Viersprong. Binnen de ondertoezichtstelling zal hulpverlening gericht op verbetering van de samenwerkingsrelatie tussen de ouders ingezet moeten worden. De GI moet daarbij ook bekijken of het gezamenlijk gezag überhaupt is weggelegd voor deze ouders, omdat dit ook weer een basis kan geven tot strijd. Standpunten van partijen 2.5 De vrouw heeft aangegeven dat zij al maanden het vermoeden heeft dat de man weer drugs gebruikt, omdat hij bijvoorbeeld meerdere keren in slaap is gevallen bij het ophalen van [minderjarige], onder invloed van drugs is aangetroffen in een zonnebankstudio en uit een politiemelding bleek dat er sprake was van GHB-gebruik door de man bij een eenzijdig ongeval. De vrouw vindt het lastig dat de man hierover zegt dat zij liegt. De vrouw heeft nog geprobeerd om de man enkele keren per week bij haar thuis te laten komen om [minderjarige] in haar aanwezigheid te zien. Dat is ook niet goed verlopen. Vervolgens heeft zij nog de optie gegeven om te videobellen. De man is een keer tijdens het videobellen met [minderjarige] ‘out’ gegaan. De man nam zelf niet het initiatief om te videobellen. De vrouw heeft ter bescherming van de veiligheid van [minderjarige] de omgang met de man gestopt. De vrouw heeft geen problemen met de man zelf, maar wel met zijn drugsgebruik. De vrouw gunt [minderjarige] het contact met haar vader, maar zij vraagt zich af welke mogelijkheden er zijn om dit contact in te vullen zonder dat [minderjarige] hinder ondervindt van het drugsgebruik van de man. De drugsafhankelijkheid kan niet zomaar een dagdeel worden onderbroken en de middelen blijven ook langer werkzaam in het lichaam. De vrouw vraagt zich ook af hoe lang zij zelf nog blootgesteld kan worden aan het drugsgebruik van de man. Zij vindt het moeilijk om hem zo te zien en het komt haar eigen hulpverleningstraject niet ten goede. De vrouw hoopt dat binnen de ondertoezichtstelling zicht komt op wat de realistische mogelijkheden zijn voor een veilig contact tussen de man en [minderjarige]. Op dit moment kan er geen vorm van contact tussen [minderjarige] en de man worden vastgelegd. De vrouw is bereid om aan de man eenmaal per twee weken per email informatie over [minderjarige] te geven met een foto of een filmpje erbij, zodat hij op de hoogte is van haar ontwikkeling. Het verzoek over het gezag kan volgens de vrouw worden afgewezen, omdat niet de verwachting is dat binnen enkele maanden de ouders het gezag over [minderjarige] gezamenlijk kunnen uitoefenen. 2.6 De man heeft ter zitting aangegeven dat hij net een terugval in het drugsgebruik heeft gehad. Hij is depressief aan het worden, omdat hij [minderjarige] niet meer mag zien. Tijdens het raadsonderzoek was er geen sprake van drugsgebruik door hem. Het klopt niet wat de vrouw daarover aangeeft. Hij heeft al contact gelegd met Novadic-Kentron om weer een behandeltraject met een detox aan te gaan. Op dit moment is de man niet in staat omgang met [minderjarige] te hebben. Hij verzoekt om de beslissingen op de verzoeken voor de duur van de ondertoezichtstelling aan te houden. Hij verneemt op dit moment niets over [minderjarige] van de vrouw. Hij wil graag zo vaak mogelijk informatie ontvangen. De advocaat van de man heeft aangegeven dat de man daar dan niet op zal reageren om conflicten te voorkomen. De advocaat kan aan de hulpverlener van [zorginstelling] vragen of hij de man kan ondersteunen om eenmaal per maand een kaartje te schrijven aan [minderjarige]. 2.7 De GI heeft aangegeven dat de man de komende tijd aan zichzelf zal moeten gaan werken gezien zijn terugval in het drugsgebruik. De man is, zoals hij ook zelf aangeeft, op dit moment niet beschikbaar voor [minderjarige] en kan aan haar geen voorspelbaar contact bieden. Het is belangrijk dat de man de GI in zijn traject betrekt. Als het zover is, kan met de GI bekeken worden welke vorm van contact in het belang van [minderjarige] is. Daarnaast zal in de komende maanden bekeken moeten worden of het gezamenlijk gezag tussen de ouders mogelijk is. De vraag is of dit geforceerd moet worden of gekozen moet worden voor rust. Het doel is dat de man in het leven van [minderjarige] kan zijn. Op dit moment is de enige mogelijkheid dat de vrouw de man informatie over [minderjarige] zal sturen. Mogelijk kan de man eens een kaartje aan [minderjarige] sturen. De beoordeling door de rechtbank 2.8 [minderjarige] is door de kinderrechter voor een jaar onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 1 juni 2026. Binnen de ondertoezichtstelling zal onder andere gewerkt worden aan het doel dat [minderjarige] structureel en onbelast contact heeft met haar beide ouders en aan het doel dat de ouders in staat zijn op een constructieve wijze, in het belang van [minderjarige], met elkaar te communiceren. Op dit moment kan de rechtbank geen omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man vastleggen, ook geen minimumregeling. De man heeft immers, zoals hij zelf eerlijk heeft aangegeven, recent een terugval gehad in zijn drugsgebruik en hij heeft aangegeven op dit moment daarom niet beschikbaar te zijn voor het contact met [minderjarige]. Hij zal eerst een behandeltraject met een detox moeten aangaan. Het is daarbij van belang dat de man aan de GI inzicht geeft in zijn behandeltraject. De rechtbank zal de regie over het herstel van het contact en de opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige] beleggen bij de GI. Dat betekent dat de GI zal bepalen wanneer en op welke manier er contact(herstel) zal plaatsvinden, in welke frequentie, welke veiligheidsafspraken daarbij gelden, of begeleiding nodig is en wanneer uitbreiding mogelijk is. De rechtbank zal het verzoek tot het bepalen van een omgangsregeling niet aanhouden. Het is aan de GI om inzicht te krijgen in de situatie en daarbij met de ouders de stappen te zetten die in het belang van [minderjarige] (mogelijk) zijn. De rechtbank acht de druk van een juridische procedure daarbij niet in het belang van de situatie. Op het moment dat er een definitieve omgangsregeling is bereikt of partijen daar geen overeenstemming over kunnen bereiken, kunnen partijen of de GI hiertoe een verzoek indienen bij de rechtbank. 2.9 De rechtbank zal ook het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] afwijzen. Op dit moment zal [minderjarige] klem of verloren raken tussen de ouders als zij gezamenlijk het gezag zouden uitoefenen. De ouders zijn op dit moment niet in staat op een constructieve wijze te communiceren met elkaar en beslissingen te maken over [minderjarige]. Dit is de afgelopen twee jaar niet gelukt, zo blijkt uit het UHA-traject. De problemen reiken verder dan de verstoorde communicatie tussen de ouders. Het middelengebruik van de man en de kwetsbaarheden in de persoonlijkheden van beide ouders liggen op de voorgrond. De aandacht dient er eerst naar uit te gaan hoe de man op een veilige en voorspelbare manier het contact kan aangaan met [minderjarige] en hoe de ouders vervolgens dit contact kunnen gaan vormgeven. Daarna dient er hulpverlening ingezet te worden op hoe de ouders op een constructieve manier kunnen gaan communiceren met elkaar. De rechtbank acht de druk van een (langslepende) juridische procedure niet in het belang van dit hulpverleningsproces. 2.10 Op dit moment is het hoogst haalbare dat de man door de vrouw geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van [minderjarige]. De vrouw heeft ermee ingestemd dat zij eenmaal per twee weken een e-mail zal sturen aan de man over [minderjarige] met daarbij een foto of filmpje. De man reageert daar niet op. Hij heeft wel de mogelijkheid om een kaartje aan [minderjarige] te sturen (met ondersteuning van [zorginstelling]). De rechtbank zal deze informatieregeling bepalen. 2.11 Dit betekent dat als volgt wordt beslist. 3 De beslissing De rechtbank 3.1 bepaalt dat de vrouw de man eenmaal per twee weken via de e-mail zal informeren over [minderjarige], waarbij informatie zal worden verstrekt over onder meer haar ontwikkeling, gezondheid, medische informatie en andere belangrijke gebeurtenissen met in ieder geval één foto of filmpje van [minderjarige], waarbij de man niet op deze e-mail zal reageren en de man wel de mogelijkheid heeft om per post een kaartje aan [minderjarige] te sturen; 3.2 bepaalt dat de regie over het herstel van het contact en de opbouw van het contact tussen de man en [minderjarige] ligt bij de GI, zoals verder beschreven onder overweging 2.8; 3.3 verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.4 wijst het meer of anders verzochte af. Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. Maandag, rechter, in aanwezigheid van de griffier, mr. Verger-Maas. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291350 · 2026-08-22
