# Rechtbank Noord-Nederland, 11-08-2026 (LEE 26/2105)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Noord-Nederland
- Identifier: ECLI:NL:RBNNE:2026:3462
- Date: 2026-08-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBNNE%3A2026%3A3462
- Canonical: https://overview.legal/posts/291356
- Topics: Right of Access, Personal Data

## Summary

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

## Full text

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 26/2105 uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 in de zaak tussen [verzoeker uit woonplaats] , verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. 1.1. Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is. Onder “kennelijk” wordt verstaan dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is. 1.2. Het college heeft op 10 februari 2026 een inzageverzoek ontvangen van verzoeker dat is gedaan op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. 1.3. Bij besluit van 8 mei 2026 ( [kenmerknummer ] ) heeft het college aan verzoeker medegedeeld dat het het verzoek gedeeltelijk is toegekend. Verzoeker krijgt inzage in een deel van zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt. Inzage in gegevens over zakelijke relaties is geweigerd. Beoordeling door de voorzieningenrechter Toetsingskader 2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 200,–. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Heeft verzoeker het griffierecht betaald? 3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 18 juli 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit informatie van PostNL over de zending [nummer ] (www.tracktrace.nl) is gebleken dat de brief aangetekend is verzonden naar het volgende adres: [adres] Dat adres komt overeen met het adres dat door verzoeker is vermeld in zijn brief van 30 juni 2026. 3.1. Voorts blijkt uit de informatie van PostNL dat op 21 juli 2026 de bezorging niet is gelukt en dat de zending naar een PostNL-punt is gegaan. Daar lag de zending op dezelfde datum klaar voor afhaling. Op 5 augustus 2026 is de zending retour afzender gezonden, omdat die niet is opgehaald. 4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker het griffierecht niet heeft betaald. Is het niet-betalen van het griffierecht verontschuldigbaar? 4.1. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor het niet-betalen van het griffierecht. Er is dus niet gebleken dat het uitblijven van betaling verontschuldigbaar is. Conclusie en gevolgen 5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. . Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291356 · 2026-08-22
