# Rechtbank Rotterdam, 15-07-2026 (C/10/719925 / KG ZA 26-476)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Rotterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBROT:2026:9578
- Date: 2026-07-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBROT%3A2026%3A9578
- Canonical: https://overview.legal/posts/291358
- Topics: Data Controller, Personal Data, Right to Restriction, Consent, Processing, Controllers, Representatives

## Summary

Kort geding. Vordering tot buitenwerking besluit en afschrift persoonsgegevens. Afwijzing. Eiseres vordert dat het besluit tot beëindiging van het lidmaatschap van haar dochter buiten werking wordt gesteld. Eiseres heeft onvoldoende spoedeisend belang bij de vorderingen. Het lidmaatschap is meer dan twee jaar geleden beëindigd en dochter heeft geen concrete wens om lidmaatschap direct te hervatten. Voor afschrift van persoonsgegevens op grond van artikel 15 AVG in kort geding is spoedeisend belang vereist. Het is niet aannemelijk geworden dat bodemprocedure niet kan worden afgewacht.

## Full text

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/719925 / KG ZA 26-476 Vonnis in kort geding van 15 juli 2026 in de zaak van [eiseres] in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [persoon A] , wonende te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. M.C.J. Houben, tegen [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , advocaat: mr. A.C. Hansen. 1 De zaak in het kort 1.1. [persoon A] was lid van een hockeyvereniging. De hockeyvereniging heeft in 2023 besloten om het lidmaatschap van [persoon A] te beëindigen. [persoon A] is het daar niet mee eens. Daarom is een vordering ingesteld om dit besluit buiten werking te stellen. Daarnaast wil [persoon A] inzage krijgen in de persoonsgegevens die de hockeyvereniging van haar heeft en die zijn gebruikt om het beëindigingsbesluit te nemen. Daarom wordt inzage in deze gegevens en wie die hebben ingezien gevorderd. [persoon A] wil ook niet dat deze gegevens verder worden verspreid en daarom wordt gevorderd dat de verwerking wordt beperkt en dat verspreiding wordt verboden. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 16 juni 2026 met producties 1 tot en met 33; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9; - de door [eiseres] overgelegde producties 34 en 35; - de mondelinge behandeling van 1 juli 2026; - de pleitnotities van [eiseres] ; - de spreekaantekeningen van [gedaagde] . 3 De feiten 3.1. [eiseres] is de moeder van [persoon A] (hierna: [persoon A] ). [persoon A] was lid van [gedaagde] . 3.2. Op 11 november 2023 heeft [gedaagde] kenbaar gemaakt het besluit te hebben genomen om het lidmaatschap van [persoon A] te beëindigen (hierna: het beëindigingsbesluit). [eiseres] heeft daar op 12 november 2023 bezwaar tegen gemaakt en zich vervolgens gewend tot de geschillencommissie van [gedaagde] (hierna: de geschillencommissie). [eiseres] heeft daarbij [gedaagde] verzocht om de onderliggende (persoons)gegevens van [persoon A] die zijn gebruikt bij het beëindigingsbesluit van [gedaagde] (“het dossier”) aan haar te verstrekken. [gedaagde] heeft kenbaar gemaakt niet over een dergelijk dossier te beschikken. 3.3. De geschillencommissie heeft op 10 januari 2024 een onderzoeksrapport over de grondslag voor de beëindiging van het lidmaatschap van [persoon A] opgemaakt en aan [gedaagde] en [eiseres] toegezonden. 3.4. [eiseres] heeft bij brief van 10 februari 2024 [gedaagde] gesommeerd een kopie te verschaffen van alle persoonsgegevens van [persoon A] en verzocht om informatie over de wijze waarop [gedaagde] persoonsgegevens verwerkt. [eiseres] heeft zich daarbij beroepen op de verplichtingen die [gedaagde] heeft onder de AVG. [gedaagde] heeft niet aan dit verzoek voldaan. 3.5. Op 24 maart 2024 heeft de geschillencommissie een bindend advies naar [gedaagde] en [eiseres] verzonden. In het advies concludeert de geschillencommissie dat het lidmaatschap beëindigd kan blijven of beëindigd mag worden. 3.6. [eiseres] heeft op 5 juni 2024 vervangende toestemming verzocht bij de rechtbank Rotterdam om in haar hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van [persoon A] een procedure te mogen starten tegen [gedaagde] . Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 30 oktober 2024. [eiseres] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft [eiseres] de toestemming alsnog verleend bij beschikking van 22 april 2026. 3.7. Op 24 juni 2025 heeft [gedaagde] aangeboden om afspraken te maken over de geheimhouding van het onderzoeksrapport en de onderliggende stukken met betrekking tot de beëindiging van het lidmaatschap van [persoon A] . 3.8. Op 8 mei 2026 heeft de advocaat van [eiseres] bij e-mail de conceptdagvaarding voor dit kort geding aan [gedaagde] toegezonden en [gedaagde] gesommeerd om te bevestigen dat zij aan de vorderingen zal voldoen. [gedaagde] heeft dit geweigerd. 4 Het geschil 4.1. [eiseres] vordert – samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis: 1. [gedaagde] beveelt het besluit van 11 november 2023 tot royement en/of beëindiging van het lidmaatschap van [persoon A] met onmiddellijke ingang voorlopig buiten werking te stellen en buiten werking te houden totdat in een bodemprocedure anders is beslist; 2. [gedaagde] beveelt om [persoon A] binnen 24 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis voorlopig in haar lidmaatschap te herstellen; 3. [gedaagde] beveelt om [persoon A] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis toe te laten en toegelaten te houden tot alle reguliere verenigingsactiviteiten van [gedaagde] ; 4. [gedaagde] beveelt binnen zeven dagen na betekening van het vonnis aan [eiseres] afschrift te verstrekken van het volledige dossier van [persoon A] ; 5. [gedaagde] beveelt om met onmiddellijke ingang na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis iedere verdere verspreiding, verstrekking of ieder verder gebruik van het door of namens de geschillencommissie opgestelde rapport over [persoon A] te staken en gestaakt te houden; 6. [gedaagde] beveelt om binnen 7 dagen na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis schriftelijk opgave te doen van alle personen of instanties aan wie (persoons)gegevens van [persoon A] uit het rapport of dossier zijn verstrekt; 7. [gedaagde] beveelt om binnen 7 dagen na betekening van het vonnis, voor zover persoonsgegevens van [persoon A] in het rapport of daarmee samenhangende stukken volgens [gedaagde] nog worden verwerkt, die verwerking te beperken; 8. De veroordelingen onder 1 tot en met 7 uit te spreken op straffe van verbeurte van een dwangsom; 9. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure. 4.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk van [eiseres] dan wel afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure. 5 De beoordeling Toetsingskader kort geding 5.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen. Het lidmaatschap hoeft niet hersteld te worden 5.2. De vorderingen van [eiseres] onder 1, 2 en 3 zien op het herstel van het lidmaatschap van [persoon A] bij [gedaagde] , door het besluit van 11 november 2023 buiten werking te stellen totdat in een bodemprocedure anders is beslist, het lidmaatschap van [persoon A] te herstellen en [persoon A] weer toe te laten tot alle reguliere verenigingsactiviteiten. De voorzieningenrechter wijst deze vorderingen af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Daarvoor is het volgende redengevend. 5.3. Er is ruim tweeënhalf jaar verstreken sinds [gedaagde] het besluit heeft genomen om het lidmaatschap te beëindigen. In de tussentijd heeft [persoon A] geen hockey gespeeld, ook niet bij een andere vereniging. Het is daarom niet aannemelijk dat zij bij terugkeer bij [gedaagde] weer op hetzelfde niveau – in een selectieteam – weer (direct) zal kunnen meespelen. Ook van een ander actueel belang bij intrekking van het besluit is niet gebleken. Ter zitting is door [eiseres] verklaard dat in de toekomst eventueel een situatie zou kunnen ontstaan waarin [persoon A] de keuze zou willen maken om weer lid te worden, namelijk in het geval dat zij met vriendinnen een zogenoemd vriendenteam zou oprichten. Dit eventuele toekomstige belang rechtvaardigt niet dat nu al een voorlopige voorziening wordt getroffen en dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. 5.4. Het spoedeisend belang volgt ook niet uit de aangevoerde omstandigheid dat het beëindigingsbesluit voortdurende gevolgen zou hebben. Het is weliswaar juist dat [persoon A] op grond daarvan ook nu nog geen lid kan worden van [gedaagde] en dat personen in de omgeving van [persoon A] mogelijk bekend zijn met de feiten en omstandigheden rondom het beëindigingsbesluit, maar niet is gebleken dat het op korte termijn buitenwerking stellen van dat besluit noodzakelijk is. Voor zover het belang bij het intrekken van het besluit is gelegen in de herstel van de reputatie van [persoon A] is niet gebleken waarom daarvoor de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dit laatste geldt temeer nu juist in een bodemprocedure de mogelijkheid bestaat voor een onderzoek naar de aan het besluit ten grondslag liggende feiten en partijen juist over deze feiten het in grote mate met elkaar oneens zijn. 5.5. De omstandigheid dat deze procedure pas kon worden gestart nadat vervangende toestemming was verkregen doet aan het voorgaande niet af. Het gaat erom of er nu sprake is van een spoedeisend belang. Dat is niet het geval. [gedaagde] wordt niet veroordeeld tot verstrekken persoonsgegevens 5.6. [eiseres] heeft onder 4 en 6 gevorderd dat [gedaagde] afschrift van het ‘volledige dossier’ van [persoon A] moet verstrekken en opgave moet doen van personen en instanties aan wie inzage of afschrift van de daarin opgenomen gegevens is verstrekt. Ook deze vorderingen worden afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. 5.7. Op grond van artikel 15 AVG kan inzage van persoonsgegevens worden verzocht. Indien een belanghebbende op de voet van artikel 15 AVG een dergelijk verzoek doet bij een niet-bestuursorgaan en dat wordt afgewezen, biedt artikel 35 UAVG in beginsel de rechtsingang bij de rechtbank om de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek zoals bedoeld in artikel 15 AVG alsnog toe te wijzen. Een belanghebbende kan voorafgaand aan een verzoek bij de rechtbank weliswaar ook in kort geding inzage of afschrift vorderen van persoonsgegevens, maar moet in dat geval daar wel een spoedeisend belang bij hebben. 5.8. [eiseres] heeft niet onderbouwd waarom ten aanzien van de verstrekking van persoonsgegevens een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. [gedaagde] moet weliswaar voldoen aan de verplichtingen die zij als verwerkingsverantwoordelijke onder de AVG heeft, maar dat zij dat niet heeft gedaan levert op zichzelf geen spoedeisend belang op. [gedaagde] wordt niet veroordeeld tot het beperken van de verwerking van persoonsgegevens 5.9. [eiseres] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de verwerking van de persoonsgegevens van [persoon A] te beperken zoals bedoeld in artikel 18 AVG. De vordering onder 7 wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang (zie 5.8.). Daarnaast is gesteld noch voldoende aannemelijk geworden dat een van de omstandigheden op grond waarvan de verwerking kan worden beperkt zoals bedoeld in artikel 18 AVG zich voordoet, zodat de vordering ook om die reden niet kan worden toegewezen. [gedaagde] wordt niet verboden om rapport te verspreiden 5.10. [eiseres] vordert dat het [gedaagde] wordt verboden om het door de geschillencommissie opgestelde rapport te verspreiden. Deze vordering (onder 5) wordt afgewezen, omdat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [gedaagde] het rapport heeft verspreid of de intentie heeft het rapport te verspreiden. [gedaagde] heeft ter zitting medegedeeld dat zij dat niet heeft gedaan en dat zij dat ook niet zal doen. [eiseres] heeft daarom geen belang bij het gevorderde verbod. Proceskosten 5.11. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen te vermeerderen met de wettelijke rente zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris advocaat € 1.177,00 - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.101,00 6 De beslissing De voorzieningenrechter 6.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af, 6.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.3. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026. [4049 / 1729] HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1216

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291358 · 2026-08-22
