# Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2026 (23-001968-25)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:GHAMS:2026:2221
- Date: 2026-08-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2026%3A2221
- Canonical: https://overview.legal/posts/291360
- Topics: Identification, Public Authority, Personal Data

## Summary

Vrijspraak van het primair tll nu niet kan worden vastgesteld dat een Belgische verblijfsvergunning valt onder het bepaalde in artikel 231 Sr. Veroordeling voor het subsidiair tll artikel 225 Sr.

## Full text

afdeling strafrecht parketnummer: 23-001968-25 datum uitspraak: 11 augustus 2026 TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw) Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 20 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-152451-25 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1983, adres: [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht. Tenlastelegging Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat: primair hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een verblijfsvergunning van het land Belgie voorzien van het kenmerk [nummer] op naam van [verdachte] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad; subsidiair hij op of omstreeks 18 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verblijfsvergunning van het land België voorzien van het kenmerk [nummer] op naam van [verdachte] als ware het echt en onvervalst, door dit document aan te bieden aan verbalisant [verbalisant] (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee) op de grensdoorlaatpost te Schiphol. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Vrijspraak primair tenlastegelegde De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard, gelet op de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHAMS:2025:2166). De verdachte wist dat de Belgische verblijfsvergunning vals was en dat dit document valt onder het bereik van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), aldus de advocaat-generaal. De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat een Belgische verblijfsvergunning niet valt onder de wettekst van artikel 231 Sr en artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht, mede nu er geen sprake is van een document dat valt onder de Nederlands wetgeving. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht de verdachte ook vrij te spreken van het subsidiair tenlastegelegde nu hij geen wetenschap had dat het om een vals document ging dan wel geen opzet had op het gebruik ervan in de zin van artikel 225 Sr. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een valse Belgische verblijfsvergunning voorhanden heeft gehad en deze op Schiphol heeft aangeboden. Het betreft een verblijfsvergunning die qua detaillering en gebruikte productie-, druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkomt met een originele verblijfsvergunning van België. Over de valsheid van deze verblijfsvergunning bestaat geen twijfel. Naar het oordeel van het hof wist de verdachte dat deze verblijfsvergunning vals was, nu hij heeft verklaard dat hij de verblijfsvergunning via een vrouw heeft geregeld die zaken voor hem behartigde, en hij het document niet via de bevoegde autoriteiten heeft aangevraagd. Het hof ziet zich echter voor de vraag gesteld of een Belgische verblijfsvergunning kan worden aangemerkt als een reis- dan wel identiteitsbewijs in de zin van artikel 231 Sr. Art. 231, eerste en tweede lid, Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt: ‘1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.’ Art. 1 Wet op de identificatieplicht luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt: ‘1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen: 1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet; 2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; 3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit; 4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder. 2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.’ Het hof is van oordeel dat uit de wettekst van artikel 231 Sr en/of het daarin genoemde artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (en de vervolgens daarin genoemde wetten) niet zonder meer kan worden afgeleid dat een Belgische verblijfsvergunning – kort gezegd – valt onder het bepaalde in artikel 231 Sr. Bovendien gaat het in onderhavig geval om een Belgisch document en niet om een Nederlands document. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Bewezenverklaring subsidiair tenlastegelegde Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: subsidiair hij op 18 mei 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een verblijfsvergunning van het land België voorzien van het kenmerk [nummer] op naam van [verdachte] als ware het echt en onvervalst, door dit document aan te bieden aan verbalisant [verbalisant] (wachtmeester der Koninklijke Marechaussee) op de grensdoorlaatpost te Schiphol. Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: opzettelijk gebruikmaken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de politierechter is opgelegd. De raadsvrouw van de verdachte heeft – in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt – primair verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest. Subsidiair heeft zij verzocht een taakstraf op te leggen. Hoewel de verdachte in België woont is hij bereid deze in Nederland uit te voeren. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft een verblijfsvergunning voorhanden gehad, waarvan hij weet dat deze vals was. Dit is een ernstig feit, onder meer omdat controlerende autoriteiten moeten kunnen afgaan op de juistheid van documenten die aantonen of iemand recht heeft op verblijf in een land. De verdachte heeft dat vertrouwen ondermijnd. Het hof heeft bij het bepalen van de soort en omvang van de aan de verdachte op te leggen straf gelet op de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit is het hof van oordeel dat niet met een andere straf kan worden volstaan dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf; een taakstraf acht het hof niet op zijn plaats. Het hof acht de door de politierechter opgelegde straf passend en geboden en ziet geen reden hier in het voordeel van de verdachte van af te wijken. Het hof acht, alles afwegende, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 225 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden . Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) maand , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. R.A.E. van Noort en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2026. mr. A.C. Bijlsma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

## Cited law provisions (1)

### GDPR — gdpr-art-1-nl

Onderwerp en doelstellingen

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291360 · 2026-08-22
