# Gerechtshof Amsterdam, 11-08-2026 (23-000269-25)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:GHAMS:2026:2220
- Date: 2026-08-11
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHAMS%3A2026%3A2220
- Canonical: https://overview.legal/posts/291361
- Topics: Public Authority, Consent, Identification, Personal Data

## Summary

Overweging ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Vrijspraak van art 231 Sr nu niet kan worden vastgesteld dat een Spaanse verblijfsvergunning valt onder het bepaalde in artikel 231 Sr.

## Full text

afdeling strafrecht parketnummer: 23-000269-25 datum uitspraak: 11 augustus 2026 VERSTEK (niet-gemachtigd raadsman) Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 4 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-026219-25 tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1994, thans: vertrokken onbekend waarheen (VOW). Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie De verdediging stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte op de grond dat de verdachte een geslaagd beroep kan doen op artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: Vluchtelingenverdrag). Aan artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag komt een ruime beschermende werking toe. Dat de verdachte eerder een asielaanvraag heeft ingediend en deze is afgewezen, staat niet aan een beroep op deze bepaling in de weg, aldus de verdediging. De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Volgens de advocaat-generaal is artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag niet van toepassing op de situatie van de verdachte. Het hof overweegt als volgt. In zijn arrest van 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9266, heeft de Hoge Raad beslist dat uit de strekking van artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag voortvloeit dat het openbaar ministerie in de op artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gebaseerde vervolging van een verdachte die vreemdeling is en zich tegen de beschuldiging verweert met een beroep op de bescherming die deze verdragsbepaling beoogt te bieden, slechts dan ontvankelijk is indien onverwijld en zonder nader onderzoek door de strafrechter kan worden vastgesteld dat de stelling van de vreemdeling dat hij een vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag ongegrond is. In dat arrest is overwogen dat de beslissing op een asielaanvraag, en dus ook het oordeel omtrent de aannemelijkheid van het aan de asielaanvraag ten grondslag liggende vluchtrelaas, is voorbehouden aan de Minister en – na ingesteld beroep – aan de bestuursrechter en dat, mede met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken van de strafrechter en de bestuursrechter, de strafrechter zich in beginsel van een zelfstandig oordeel over het beroep van de vreemdeling op zijn vluchtelingenstatus moet onthouden. Daarbij is ook benadrukt dat, mede gelet op de moeilijke bewijspositie die de vreemdeling heeft bij de onderbouwing van zijn beroep op de vluchtelingenstatus, de vreemdeling die wordt vervolgd ter zake van artikel 231 Sr ook een beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag toekomt indien nog niet vaststaat dat hij aan alle voorwaarden voor erkenning als vluchteling voldoet. Artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag beoogt vluchtelingen die zich in een noodsituatie bevinden te beschermen tegen bestraffing wegens hun illegale binnenkomst of verblijf, mits zij rechtstreeks afkomstig zijn uit een gebied waar hun leven of vrijheid werd bedreigd, zich onverwijld bij de autoriteiten melden en geldige redenen aanvoeren voor hun onrechtmatige binnenkomst of verblijf. In het geval van de verdachte is van een dergelijke situatie geen sprake. De verdachte heeft de Nigeriaanse nationaliteit en heeft reeds eerder internationale bescherming gezocht. Zowel zijn asielaanvraag in Italië als zijn daaropvolgende asielaanvraag in Nederland zijn afgewezen. Daarmee is niet gebleken dat de verdachte in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of dat sprake is van een situatie waarin hij zich genoodzaakt zag om zich rechtstreeks vanuit een land van vervolging illegaal toegang tot Nederland te verschaffen. Daar komt bij dat de verdachte Nederland niet rechtstreeks vanuit Nigeria is binnengekomen, maar vanuit Spanje. Uit het dossier volgt dat de verdachte zich in Spanje heeft voorzien van een vals visum, dat hij via derden heeft verkregen, en vervolgens met gebruikmaking daarvan naar Nederland is gereisd. Deze gang van zaken past niet bij de situatie waarop artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag ziet. De verdachte heeft immers niet enkel zonder toestemming een grens overschreden vanwege een acute vluchtsituatie, maar heeft zich door middel van een vals document toegang tot het Schengengebied verschaft. Gelet op het voorgaande kan de verdachte geen geslaagd beroep doen op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag. Het verweer wordt verworpen. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij, op of omstreeks 25 januari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een reisdocument en/of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid van artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht, te weten een verblijfsvergunning van het land Spanje, voorzien van het nummer [nummer] , ten name van [verdachte] , waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze vals of vervalst was, heeft afgeleverd en/of voorhanden heeft gehad. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter. Vrijspraak De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Het hof overweegt als volgt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een valse Spaanse verblijfsvergunning voorhanden heeft gehad en deze op Schiphol heeft aangeboden. Het betreft een verblijfsvergunning die qua kleur, detaillering, gebruikte productie en beveiligingstechnieken niet overeenkomt met een originele Spaanse verblijfsvergunning. Over de valsheid van deze verblijfsvergunning bestaat geen twijfel. Naar het oordeel van het hof wist de verdachte dat deze verblijfsvergunning vals was, nu hij heeft verklaard dat hij de verblijfsvergunning via een vriend uit Portugal heeft geregeld en het document niet via de bevoegde autoriteiten heeft aangevraagd, terwijl hij geen asielaanvraag in Spanje heeft lopen. Het hof ziet zich echter voor de vraag gesteld of een Belgische verblijfsvergunning kan worden aangemerkt als een reis- dan wel identiteitsbewijs in de zin van artikel 231 Sr . Art. 231, eerste en tweede lid, Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt: ‘1. Hij die een reisdocument, een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht of een ander identiteitsbewijs dat afgegeven is door een dienst of organisatie van vitaal of nationaal belang, valselijk opmaakt of vervalst, of een zodanig geschrift op grond van valse persoonsgegevens doet verstrekken dan wel een zodanig geschrift dat aan hem of een ander verstrekt is, ter beschikking stelt van een derde met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. 2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die een reisdocument of een identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid aflevert of voorhanden heeft waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het vals of vervalst is, dan wel opzettelijk gebruik maakt van een vals of vervalst reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die opzettelijk en wederrechtelijk gebruik maakt van een bij het bevoegd gezag als vermist opgegeven of een niet op zijn naam gesteld reisdocument of identiteitsbewijs als bedoeld in het eerste lid.’ Art. 1 Wet op de identificatieplicht luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt: ‘1. Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen: 1°. een geldig reisdocument als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, b, c, d, e en g, of een Nederlandse identiteitskaart en vervangende Nederlandse identiteitskaart als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Paspoortwet; 2°. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie; 3°. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit; 4°. een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder. 2. Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan, al dan niet voor een bepaald tijdvak, andere dan de in het eerste lid bedoelde documenten aanwijzen ter vaststelling van de identiteit van personen.’ Het hof is van oordeel dat uit de wettekst van artikel 231 Sr en/of het daarin genoemde artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (en de vervolgens daarin genoemde wetten) niet zonder meer kan worden afgeleid dat een Spaanse verblijfsvergunning – kort gezegd – valt onder het bepaalde in artikel 231 Sr. Bovendien gaat het in onderhavig geval om een Spaans document en niet om een Nederlands document. Naar het oordeel van het hof kan dan ook niet wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. BESLISSING Het hof: Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging. Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.C. Bijlsma, mr. R.A.E. van Noort en mr. P.J. van Eekeren, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2026. Mr. A.C. Bijlsma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

## Cited law provisions (1)

### GDPR — gdpr-art-1-nl

Onderwerp en doelstellingen

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291361 · 2026-08-22
