# Rechtbank Amsterdam, 14-07-2026 (13/127792-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8074
- Date: 2026-07-14
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8074
- Canonical: https://overview.legal/posts/291377
- Topics: Personal Data, Public Authority, Types of Special Categories of Personal Data, Consent

## Summary

Overlevering. Pools EAB t.b.v. vervolging. Detentieomstandigheden. Het reële gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een meerpersoonscel met persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2 is met de aanvullende informatie weggenomen voor de betrokkene. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. Overlevering toegestaan.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13/127792-26 Datum uitspraak: 14 juli 2026 UITSPRAAK op de vordering van 8 mei 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2025 door the Regional Court in Wroclaw , Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, nu gedetineerd in [detentieadres]. hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 30 juni 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz , advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel van the District Court for Wrocław-Śródmieście van 10 februari 2025 (II Kp 85/25). De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. 3.1 Verweer artikel 12 OLW De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat het EAB ziet op een aanhoudingsbevel waarbij de opgeëiste persoon is opgeroepen om voorlopig gedetineerd te worden, terwijl niet duidelijk is of hierbij sprake is geweest van een correcte oproeping zoals bedoeld in artikel 12 OLW. Dit maakt dat de vordering van de officier van justitie ex artikel 23 OLW moet worden afgewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet slaagt. Het EAB strekt tot vervolging van de opgeëiste persoon in Polen en wordt dus niet verzocht voor de tenuitvoerlegging van een al opgelegde vrijheidsstraf. Artikel 12 OLW ziet enkel op die laatste situatie en is daarom niet van toepassing. 4 Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. De feiten leveren naar Nederlands recht op: ten aanzien van feit I: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; ten aanzien van feit II t/m V: telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking. 5 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt. Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. 6 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden Inleiding Nu de overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met een strafrechtelijke vervolging en de opgeëiste persoon nog niet is veroordeeld, zal hij na overlevering aan Polen aldaar in voorlopige hechtenis verblijven oftewel in het zogenoemde remand regime . De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Poolse detentie-instellingen terechtkomen. Het kernpunt daarbij is dat in het remand regime slechts 3 m² persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) in een meerpersoonscel is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die structureel 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt. De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van de grondrechten voor gedetineerden die terechtkomen in het remand regime , kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden. Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd. In het kader van het onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (hierna: IRC) onder meer op 5 juni 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Op 12 juni 2026 heeft the Head of the Lower Silesia Branch of the Department for Organised Crime and Corruption in Wrocław of the Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in een brief onder meer het volgende meegedeeld: In response to your letter containing additional questions regarding the conditions under which the wanted [opgeëiste persoon] will be held, I would like to inform you that, most likely, following his handover to the Polish authorities, he will first be taken to the remand centre in Warsaw - Sluiewiec, and then be transferred to Remand Centre No. 1 in Wrocław. In accordance with the Polish Constitution, every detainee has the right to respect for their dignity, privacy and adequate living conditions. Prison cells in our country vary depending on their purpose - they may be single or multi-occupancy, general, isolation or high-security. Key requirements include a minimum floor area per prisoner (3 m2), (…). It cannot be guaranteed that a wanted person will be able to spend at least two hours a day outside their cell whilst in custody. During their stay in the remand centre, persons in pre-trial detention have the opportunity to participate in cultural, educational and religious activities. Furthermore, whilst in isolation, they may take part in activities in the common room and library (in accordance with the schedule). In addition to the above activities, detainees are entitled to one hour of outdoor exercise daily and the opportunity to make telephone calls to their loved ones. A person in pre-trial detention also has the opportunity to carry out cleaning duties within the detention centre and to undertake paid work. Persons in pre-trial detention who express willingness to participate in the activities offered to them or to carry out cleaning duties or take up paid work may spend two hours a day or more outside their cell. However, this is a highly individual matter and cannot be guaranteed within fixed hours. The conditions of [opgeëiste persoon]'s detention will comply with Article 3 of the European Convention on Human Rights and Article 4 of the Charter of Fundamental Rights of the European Union. The conditions set out apply to both the remand centre and the prison intended for the serving of any custodial sentence following a final conviction by an independent court. Op 30 juni 2026 heeft the Lower Silesian Field Unit of the Organized Crime and Corruption Department National Prosecutor’s Office in Wrocław per e-mail het volgende meegedeeld: In response to your letter, I kindly inform you that if the wanted person, [opgeëiste persoon], gives his consent and participates in all activities facilitating his stay in the detention center, including maintenance and other works, he would then spend at least two hours a day outside the cell. Standpunt van de raadsman De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat er weliswaar een individuele garantie wordt verstrekt, maar dat twee uur per dag buiten een meerpersoonscel met een persoonlijke ruimte van slechts 3 m2, nog altijd ondermaats is zodat een individueel gevaar moet worden vastgesteld door de rechtbank. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft betoogd dat het algemene gevaar met de verstrekte informatie is weggenomen voor de opgeëiste persoon. Oordeel van de rechtbank Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de bij aanvullende informatie van 12 en 30 juni 2026 verstrekte garantie. Uit de aanvullende informatie van 12 juni 2026 leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in het kader van zijn aankomst waarschijnlijk eerst korte tijd in het remand regime in het remand centre in Warsaw - Sluiewiec zal worden geplaatst alvorens hij naar het Remand Centre No. 1 in Wrocław zal worden overgeplaatst. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het verblijf in Warsaw - Sluiewiec van (zeer) korte duur zal zijn, omdat al bekend is naar welke detentie-instelling de opgeëiste persoon volgens een concreet voornemen daarna zal worden overgeplaatst. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon in het remand centre in Warsaw - Sluiewiec mogelijk minder dan twee uur (maar ten minste één uur) per dag buiten zijn cel kan verblijven, levert in dit geval geen onmenselijke of vernederende behandeling op. Ten aanzien van het verblijf van de opgeëiste persoon in the Remand Centre No. 1 in Wrocław overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wordt het algemene reële gevaar dat een opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 in ieder geval weggenomen met de garantie dat hij minimaal twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Als de autoriteiten een dergelijke garantie niet kunnen geven, dient concrete informatie te worden verstrekt over hoeveel uur een opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven. Daarvoor heeft de rechtbank concrete informatie nodig over de frequentie en duur van de aangeboden activiteiten en of de mogelijkheid tot deelname of toegang al dan niet afhankelijk is van bijzondere voorwaarden of andere procedurele regels van de detentie-instelling en, zo ja, van welke voorwaarden of procedurele regels deze deelname afhankelijk is. Als de rechtbank op basis van deze informatie kan vaststellen dat de opgeëiste persoon gemiddeld genomen zo’n twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven, dan is het algemene gevaar weggenomen. Uit de voornoemde aanvullende informatie van met name 30 juni 2026 begrijpt de rechtbank dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven als hij ervoor kiest aan de aangeboden activiteiten deel te nemen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het algemene reële gevaar dat de opgeëiste persoon wordt blootgesteld aan een structureel verblijf van 23 uur per dag in een cel met een oppervlakte tussen de 3 en 4 m2 voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. 7 Slotsom De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe. 8 Toepasselijke wetsartikelen De artikelen 140, 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 OLW. 9 Beslissing STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Wroclaw (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. O.P.M. Fruytier en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier. en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 juli 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 ( Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)) . Rb. Amsterdam 5 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3311. HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114. Vergelijk Rb. Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:136. Rb Amsterdam 25 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7088. Zie bijv. Rb. Amsterdam, 13 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4685.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291377 · 2026-08-22
