Skip to content
Case Law · Rechtbank Noord-Nederland ·ECLI:NL:RBNNE:2020:3729 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Noord-Nederland, 13-02-2020 (18/730090-19)

Opzetheling, opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, onder c Opiumwet, verduistering, diefstal m.b.v.

Judgment

Summary

valse sleutels, meermalen gepleegd en het opgeven van een valse naam en geboortedatum. Gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren. Bijzondere voorwaarden.

Full text 2 paragraphs

Paragraphs carrying a topic or an applied provision show those connections inline

primair

¶1

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 30 januari 2020; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 14 mei 2019, opgenomen op pagina 320 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer Z-19-036 van 10 juli 2019, inhoudend de verklaring van verdachte; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 15 mei 2019, opgenomen op pagina 327 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verdachte; 4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 14 mei 2019, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1]; 5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van binnentreden in woning van 15 mei 2019, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant 1]; 6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2019, opgenomen op pagina 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]; 7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 14 mei 2019, opgenomen op pagina 135 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant 3];

primair en 4. primair

¶3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 30 januari 2020; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van 22 mei 2019, opgenomen op pagina 338 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaaknummer Z-19-036 van 10 juli 2019, inhoudend de verklaring van verdachte; 3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 20 mei 2019, opgenomen op pagina 391 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2]; 4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangever van 22 mei 2019, opgenomen op pagina 398 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2]; 5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 mei 2019, opgenomen op pagina 136 van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van verbalisant [verbalisant 4]; en in de zaak met parketnummer 18/730093-19: 2. 1. de verklaring van verdachte afgelegd ter zitting van 30 januari 2020; 2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019115531 van 7 mei 2019, inhoudend de verklaring van verbalisanten [verbalisant 5], [verbalisant 6] en [verbalisant 7]. Bewezenverklaring De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/730090-19 onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. primair en het in de zaak met parketnummer 18/730093-19 onder 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande: in de zaak met parketnummer 18/730090-19 dat: 1. primair hij op 13 mei 2019 te Delfstrahuizen in de gemeente De Fryske Marren -een aantal flessen alcoholhoudende drank, te weten Beerenburg, Wodka, koffielikeur, Amaretto, rode wijn, Sobreiro Ruby port, fles in de vorm van een hartje, kersenlikeur, Cointreau, Proosje van Schiedam, en -een bruine leren aktetas, inhoudende een zwarte leren schrijfmap en een bruine leren schrijfmap en -een laptop, merk Asus, kleur zwart, en -een Apple iPhone 7 en een Apple iPhone 6 en -twee iPads en -een bluetooth speaker, merk JBL, en -een stethoscoop voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof; 2. hij in de periode van 11 mei 2019 tot en met 13 mei 2019 te Delfstrahuizen in de gemeente De Fryske Marren opzettelijk aanwezig heeft gehad 20,40 gram van een materiaal bevattende gammahydroxyboterzuur (GHB), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 3. primair hij in de periode van 11 mei 2019 tot en met 13 mei 2019 te Heerenveen in de gemeente Heerenveen, opzettelijk een portemonnee inhoudende onder meer een ABN Amrobankpasje, een rijbewijs, een ID-kaart en een zorgpas Zilveren Kruis Achmea, toebehorende aan [slachtoffer 2], en welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerpen, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend; 4. primair hij in de periode van 11 mei 2019 tot en met 13 mei 2019 te Echtenerbrug in de gemeente De Fryske Marren en te Heerenveen in de gemeente Heerenveen meermalen geld, toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door bij supermarkt Spar en supermarkt Albert Heijn telkens diverse goederen te betalen met het bankpasje van die [slachtoffer 2] door contactloos te pinnen; en in de zaak met parketnummer 18/730093-19 dat: 2. hij op 6 mei 2019 te Joure in de gemeente De Fryske Marren, toen een opsporingsambtenaar in de rechtmatige uitoefening van diens bediening hem naar zijn identificerende persoonsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar een andere dan zijn werkelijke naam, te weten [naam 1], en geboortedatum, te weten [geboortedatum], heeft opgegeven. Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde levert op: in de zaak met parketnummer 18/730090-19: 1. primair opzetheling; 2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; 3. primair verduistering; 4. primair diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd; en in de zaak met parketnummer 18/730093-19: 2. door het bevoegd gezag naar zijn identiteitsgegevens gevraagd, een valse naam en geboortedatum, opgeven. Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten. Strafbaarheid van verdachte De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken. Strafmotivering Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft veroordeling van verdachte gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/730090-19 onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. primair en het in de zaak met parketnummer 18/730093-19 onder 1. subsidiair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest, een proeftijd van twee jaren en met de volgende bijzondere voorwaarden: - de verplichting zich te melden op afspraken bij de reclassering van [instelling 3] ([instelling 3]), voor zolang en zo vaak de reclassering dat nodig vindt; - de verplichting mee te werken aan de begeleiding van de heer [naam 2] van [instelling 2]; - de verplichting mee te werken aan een ambulante behandeling door de Forensische Poli van [instelling 3] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering; - een verbod op het gebruik van hard- en softdrugs en de verplichting mee te werken aan urineonderzoek om dit verbod te controleren; - een verbod op het gebruik van alcohol en de verplichting mee te werken aan urineonderzoek om dit verbod te controleren; - de verplichting tot het hebben van een door de reclassering geschikt geachte dagbesteding, dan wel het hebben van een betaalde baan. Tevens heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd voor het in de zaak met parketnummer 18/730093-19 onder 2. ten laste gelegde tot een geldboete van € 100,--. Standpunt van de verdediging In het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, heeft de raadsman gepleit voor het opleggen van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een voorwaardelijke deel van vijf of zes maanden. De raadsman heeft benadrukt dat het van belang is om niet de door de reclassering geadviseerde klinische behandeling als voorwaarde bij de voorwaardelijke straf op te leggen. Verdachte is niet gemotiveerd voor een klinische behandeling en wanneer hij niet meewerkt en het voorwaardelijk strafdeel ten uitvoer wordt gelegd dan keert hij onbehandeld en zonder begeleiding terug in de maatschappij. Deze situatie is niet gewenst. Verdachte is inmiddels clean en gebruikt geen drugs en medicatie meer. Hierdoor denkt hij helder. Tevens is de relatie met zijn vriendin een belangrijke drijfveer voor hem om geen drugs meer te gebruiken en niet opnieuw gedetineerd te raken. Verdachte is daardoor intrinsiek gemotiveerd om mee te werken met de reclassering en de begeleiding van de heer [naam 2] van [instelling 2]. De raadsman verzoekt daarom in plaats van de klinische behandeling de voorwaarde op te leggen dat verdachte moet meewerken aan de begeleiding door de heer [naam 2]. Oordeel van de rechtbank Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de reclasseringsrapportages opgemaakt door [instelling 3] op 23 september 2019 en 23 januari 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling, het aanwezig hebben van GHB, verduistering van onder meer een bankpas, het vervolgens meermalen contactloos pinnen met deze bankpas en het opgeven van een valse naam en geboortedatum aan de politie. De woninginbraak, die aan de heling voorafging, heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de eigenaar en overlast bezorgd aan de bewoners. Verdachte heeft de gestolen goederen zeer kort na de inbraak voorhanden gekregen. De rechtbank rekent daarom de gevolgen voor het slachtoffer ook verdachte aan. Ook de verduistering en het gebruik van de bankpas hebben overlast gegeven voor de gedupeerde. Verdachte heeft enkel oog gehad voor zijn eigen financiële belangen en is voorbij gegaan aan de gevolgen die zijn handelen voor de slachtoffers kan hebben. Dit rekent de rechtbank hem aan. Verdachte heeft een zeer uitgebreid strafblad. In 2017 is hem de ISD-maatregel opgelegd voor soortgelijke delicten als de onderhavige. Verdachte is meermalen gestraft voor dergelijke feiten en heeft begeleiding en/of behandelingen gekregen. Dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank is daarom van oordeel dat enkel een gevangenisstraf een passende sanctie is. In het reclasseringsadvies is beschreven dat bij verdachte sprake is van verslavingsproblematiek waarbij GHB het hoofdmiddel is. Diverse interventies in een gedwongen kader, waaronder toezichten en klinische behandelingen, mislukten vanwege terugval in middelengebruik en/of recidive. Naast de verslavingsproblematiek is verdachte gediagnosticeerd met zwakbegaafdheid, waardoor hij snel wordt overvraagd. De reclassering signaleert problemen op alle levensgebieden. Het is daarom van belang dat verdachte in een gestructureerde setting in combinatie met een strafrechtelijk kader wordt begeleid en behandeld. Hij kan dan werken aan zijn verslavingsproblematiek en het vergroten van zijn (probleemoplossende) vaardigheden en dan gefaseerd terugkeren in de maatschappij. De reclassering adviseert daarom naast de bijzondere voorwaarden van begeleiding, ambulante behandeling, verplichte dagbesteding en een alcohol- en drugsverbod ook een klinische opname bij het Intramuraal Centrum in Beilen als bijzonder voorwaarde op te leggen. Ondanks de recente positieve ontwikkelingen is de reclassering niet overtuigd dat het verdachte gaat lukken om niet terug te vallen in recidive. De reclassering is van mening dat verdachte gebaat is bij een klinische behandeling die gericht is op behandeling ten aan zien van indirecte afhankelijkheid van harddrugs, de bijkomende problematiek en het versterken van praktische ondersteuning die nodig is voor en het door verdachte gewenste "maatschappelijk geaccepteerd" leven zonder recidive. Verdachte heeft ter zitting aangegeven niet mee te willen werken aan een klinische opname en hij heeft voorafgaand aan de zitting contact gelegd met een maatschappelijk werker, genaamd de heer [naam 2], van [instelling 2] om hem te begeleiden. De heer [naam 2] heeft ter zitting verklaard dat hij verdachte in het verleden heeft begeleid en dat hij bereid is en de mogelijkheden heeft om verdachte intensief te begeleiden, waarbij hij zal aansluiten bij de begeleiding door de reclassering van [instelling 3] en de behandeling door de Forensische Poli van [instelling 3]. Namens de reclassering is ter zitting aangegeven dat de reclassering blijft bij het advies en dat een klinische opname voor verdachte heeft meest passend is. Als de rechtbank geen klinische opname oplegt, kan de reclassering verdachte op grond van de andere geadviseerde voorwaarden begeleiden. Namens de reclassering is ter zitting aangegeven dat de reclassering samen wil werken met [instelling 2], indien de rechtbank dat zal bepalen. Alles afwegend oordeelt de rechtbank dat een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen waarvan 120 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren passend en geboden is en zal deze straf opleggen. Bij deze straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van de klinische opname. Verdachte wil hier niet aan meewerken. De rechtbank acht daarom de kans groot dat verdachte ervoor kiest het voorwaardelijke strafdeel uit te zitten in plaats van de behandeling te volgen. Verdachte komt in dat geval onbehandeld terug in de maatschappij. Dat vindt de rechtbank niet wenselijk. De rechtbank zal daarom in de plaats van de klinische behandeling de intensieve begeleiding door de heer [naam 2] van [instelling 2] opleggen, omdat de rechtbank het van belang acht dat verdachte zo goed mogelijk wordt begeleid om de reeds ingezette positieve ontwikkeling voort te zetten en vol te houden. Voor de overtreding, het opgeven van een valse naam en geboortedatum aan de politie, zal de rechtbank verdachte een geldboete van € 100,-- opleggen. Benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 450,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Standpunt van de officier van justitie en van de verdediging Door zowel de officier van justitie als de verdediging is aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat de schade geen rechtstreeks verband heeft met een van de ten laste gelegde feiten. Oordeel van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is door de bewezenverklaarde feiten geen rechtstreekse schade toegebracht aan de benadeelde partij. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Toepassing van wetsartikelen De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 24, 24c, 57, 62, 311, 321, 416, 435 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde, artikelen 14c en 23 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde. Uitspraak De rechtbank Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/730093-19 onder 1. primair en 1. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/730090-19 onder 1. primair, 2., 3. primair en 4. primair en het in de zaak met parketnummer 18/730093-19 onder 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij. Veroordeelt verdachte tot: Een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen. Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 120 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd. Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit. Stelt als bijzondere voorwaarden: 1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van [instelling 3] ([instelling 3]), [straatnaam] te Leeuwarden; 2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensische Poli van [instelling 3] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering en/of volgt de deeltijdbehandeling bij [instelling 3], indien en voor zolang de reclassering dat nodig acht; 3. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd medewerking verleend aan de intensieve begeleiding door de heer [naam 2] van [instelling 2], voor zolang dit past binnen de begeleiding en de aanwijzingen van de reclassering; 4. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van soft- en harddrugs en alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van deze verboden mee te werken aan urineonderzoeken; 5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd door de reclassering geschikt geachte dagbesteding en/of een betaalde baan heeft. Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd: - ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; - medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen. Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan de duur van de aan verdachte onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Met betrekking tot het in de zaak met parketnummer 18/730093-19 onder 2. ten laste gelegde: betaling van een geldboete ten bedrage van € 100,-- (zegge: honderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door twee dagen hechtenis. Benadeelde partij Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] in zijn vordering niet-ontvankelijk is en dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2020. Mr. C.J. Hoedt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

How it connects

2 of 2 paragraphs apply legislation or carry a topic — see them in the full text ↓
2022 EDPB Annual Report 2021 Enhancing the depth and breadth of data protection 2 EDPB Annual Report 2021 2 ENHANCING THE DEPTH AND BREADTH OF DATA PROTECTION An Executive Summary of this report, which… May 12, 2022 Privacy Shield Processing Agreement International Transfer
HDPA · 12/2026 The complainant, a foreign national, submitted a complaint to the Hellenic DPA through his authorized attorney, seeking his deletion from the Hellenic the National Registry of… 12/2026 ·Greece ·Art. 23 May 13, 2026 Right of Access Criminal Data Personal Data