# Rechtbank Den Haag, 13-08-2026 (NL25.54251)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:22653
- Date: 2026-08-13
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A22653
- Canonical: https://overview.legal/posts/291384
- Topics: Meaningful Human Review and Decision-Making, Personal Data

## Summary

Afwijzing asiel. Afkomst uit Soedan of Eritrea onduidelijk. Gestelde Eritrese nationaliteit niet aannemelijk gemaakt. Terugkeerbesluit op grond van Europese rechtspraak (Hardeker, Ararat) echter onrechtmatig, omdat geen refoulementbeoordeling is gemaakt m.b.t. Soedan of Eritrea. Beroep gegrond.

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.54251 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [datum], van Soedanese of Eritrese nationaliteit, Alias: [naam] , geboren op [datum], van Soedanese nationaliteit, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. H. Postma), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L. Maring). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat eiser zijn Eritrese afkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook niet met de overgelegde nationaliteitsverklaring in beroep. De minister heeft echter ten onrechte geen actuele refoulementbeoordeling gemaakt ten aanzien van Soedan, of Eritrea. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 30 oktober 2025 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. 2.1. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop volgt een afzonderlijke uitspraak. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 5 augustus 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 3. Eiser heeft de volgende persoonsgegevens gesteld: [naam], geboren op [datum], van Eritrese nationaliteit. Eiser stelt in Eritrea te zijn geboren, maar dat hij sinds 6 of 7-jarige leeftijd in Soedan heeft gewoond bij zijn tante. Eiser heeft verklaard dat hij in Soedan als illegale Eritreeër weinig vrijheid had en dat hij door zijn tante slecht behandeld en geslagen werd. Hij is daarom in 2021 vertrokken en is via Libië naar Europa gereisd. Eiser werd in december 2022 in Italië geregistreerd en heeft op 1 februari 2023 in Nederland asiel aangevraagd. Volgens eiser zijn de registraties van zijn voor- en achternaam omgewisseld in Italië en Nederland. 3.1. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Eritrea te vrezen heeft voor de militaire dienstplicht. Ook heeft eiser verklaard dat hij tot de Eritrese Saho stam behoort. Eiser heeft tot slot verklaard dat zijn ouders nog in Tokombiya, Eritrea wonen en dat hij geen direct contact met hen heeft, maar alleen via zijn tante. Ter onderbouwing heeft eiser een Eritrese geboorteakte overgelegd en kopieën van Eritrese identiteitskaarten van zijn ouders. De besluitvorming 4. De minister acht de gestelde identiteit en nationaliteit niet geloofwaardig. De gestelde vrees in Eritrea is daarom niet inhoudelijk beoordeeld. Aan eiser is tegengeworpen dat de overgelegde documenten onvoldoende zijn. De Eritrese geboorteakte is door Bureau Documenten onderzocht en met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt bevonden. Ook is geconcludeerd dat de legalisatie vals is. De overgelegde kopieën van de identiteitskaarten van de gestelde ouders van eiser kunnen niet op echtheid worden onderzocht. Ook heeft eiser de familierechtelijke relatie met de gestelde ouders niet onderbouwd. Verder zijn eisers verklaringen geen coherent en plausibel geheel. Eiser is onder een alias bekend in Italië met een Soedanese nationaliteit, waarvoor hij heeft getekend. Dat er volgens eisers in Italië geen tolk Arabisch aanwezig zou zijn acht de minister onvoldoende verschonend, omdat eiser de registratie niet heeft gewijzigd. Ook in Nederland heeft eiser bij de Koninklijke Marechaussee de asielaanvraag ondertekend als Soedanees. Een taalanalyse ondersteunt de conclusie dat eiser in ieder geval in Soedan heeft gewoond en dat hij de taal Saho niet vloeiend kan spreken. Verder heeft eiser wisselend verklaard of hij tot de Hausa of Saho-stam behoort. Tot slot is eiser volgens de minister in grote lijnen niet geloofwaardig, vanwege het alias in Italië en het overleggen van een frauduleus verkregen geboorteakte. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser hem misleid heeft over zijn identiteit en omdat hij in dit verband kennelijk inconsequente verklaringen heeft afgelegd. Wat is het oordeel van de rechtbank? Over het verzoek tot aanhouding 5. Eiser heeft allereerst verzocht om aanhouding, in afwachting van een nationaliteitsverklaring of geboorteakte die hij via de ambassade heeft aangevraagd. 5.1. De rechtbank ziet geen aanleiding tot nadere aanhouding van de zaak. Eiser heeft in beroep de nationaliteitsverklaring overgelegd en de zaak is aangehouden voor onderzoek naar deze verklaring. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. Over de taalanalyse 6. Eiser heeft aangevoerd dat de gebruikte taalanalyse niet zorgvuldig en concludent is. De minister heeft daarom niet voldaan aan zijn vergewisplicht. De opsteller van de taalanalyse is namelijk een Arabist en heeft ten onrechte het Saho van eiser, een niet-Arabische taal, beoordeeld. Ook wijkt het gevraagde weerwoord van TOELT af van de taalanalyse. Deze analyse mag daarom niet worden gebruikt, aldus eiser. 6.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat een taalanalyse een deskundigenadvies is. De minister mag afgaan op een taalanalyse als hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de taalanalyse in het geval van eiser op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dat de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om te twijfelen aan de deskundigheid van de opsteller van het rapport. De minister heeft na de kritiek van eiser in de zienswijze om een weerwoord van TOELT verzocht. In dit weerwoord is toegelicht dat de opsteller van het rapport niet alleen Arabist is, maar een linguïst met een specialisatie in articulatorische fonetiek. Eiser heeft dit niet betwist. In de taalanalyse is met betrekking tot het Saho fonetisch toegelicht dat eisers uitspraak niet overeenkomt met het authentieke Saho en is vastgesteld dat eiser vrijwel geen kennis heeft van de taal, omdat hij niet correct tot tien kon tellen en maar enkele woorden weet als hem gevraagd wordt de taal te spreken. Dit laatste kan een linguïst vaststellen. De enkele stelling dat de opsteller van het rapport een Arabist is, kan daarom niet slagen. Dit geldt temeer nu de gemachtigde van eiser op zitting heeft erkend dat zij de conclusie van de taalanalyse onderschrijft; namelijk dat het aannemelijk is dat eiser het overgrote deel van zijn leven in Soedan heeft verbleven, omdat hij een goede beheersing heeft van het Soedanees Arabisch, maar dit spreekt met een tongval die kenmerkend is voor niet-Arabische bevolkingsgroepen. In het bestreden besluit is ook niet op de basis van de taalanalyse uitgesloten dat eiser afkomstig is uit Eritrea, maar is vastgesteld dat eisers kennis van het Saho geen overtuigende steun geeft aan zijn verklaring dat hij afkomstig is uit Eritrea. De minister heeft aan zijn vergewisplicht voldaan, nu hij een weerwoord heeft gevraagd naar aanleiding van de kritiek van eiser. De rechtbank is, anders dan eiser, van oordeel dat het weerwoord van TOELT niet afwijkt van de taalanalyse. Het weerwoord heeft toegelicht dat geen deskundigheid vereist is op het gebied van het Saho om op basis van de geluidsopname van eiser vast te stellen dat hij het Saho niet kan spreken. Dit is niet wezenlijk anders dan de vaststelling in de taalanalyse dat eiser een fragmentarische kennis heeft van het Saho. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd om de conclusies te weerleggen. Evenmin heeft eiser betwist dat volgens de taalanalyse het gebied waar het Saho wordt gesproken, enkele honderden kilometers verwijderd is van Tokombiya, waarvan eiser stelt afkomstig te zijn. Over de gestelde Eritrese nationaliteit 7. Eiser heeft verder aangevoerd dat uit alle omstandigheden, in samenhang bezien, volgt dat hij een achtergrond in Eritrea heeft. De kopieën van identiteitskaarten van zijn ouders, met vertalingen, vormen een begin van bewijs. De Saho-stamafkomst moet in samenhang worden bezien met eisers verklaringen over zijn verblijf in Soedan sinds zijn 7e levensjaar en met de constatering van TOELT dat eiser fragmentarische kennis heeft van het Saho. De minister mocht de Eritrese nationaliteit daarom niet ongeloofwaardig achten. Eiser heeft de minister zeker niet misleid met valse verklaringen of documenten of met kennelijk tegenstrijdige verklaringen. Aanvullend is in beroep een nationaliteitsverklaring overgelegd van de vertegenwoordiging van de Eritrese autoriteiten, waarin is vermeld dat eiser geboren is in Eritrea. In de aanvullende gronden is toegelicht dat eiser een interview heeft gehad op de ambassade, dat hem gevraagd is naar zijn ouders, familie, school, woonplaats in Soedan, het telefoonnummer en de documenten van zijn ouders en dat hij deze gegevens heeft overgelegd. Ook is volgens eiser een nieuwe geboorteakte gemaakt, maar moet deze nog gefiatteerd worden in Asmara. Op zitting heeft eiser betoogd dat de Eritrese ambassade onderzoek heeft gedaan en contact heeft gehad met zijn vader. Volgens eiser is zijn Eritrese nationaliteit dan ook onderbouwd met de nationaliteitsverklaring. Daarom heeft hij de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien. Eiser heeft bij terugkeer naar Eritrea te vrezen voor schending van artikel 3 van het EVRM. Zo volgt uit het ambtsbericht van 19 december 2025 een risico op ondervraging, detentie, verdwijning en opname in militaire dienst in geval van gedwongen terugkeer. 7.1. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om zijn nationaliteit aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser, de omstandigheden in samenhang bezien, de gestelde Eritrese nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook niet met de in beroep overgelegde nationaliteitsverklaring. 7.2. Hoewel de nationaliteitsverklaring een stuk van de officiële Eritrese autoriteiten betreft, bevat deze beperkte informatie over de vaststelling van de nationaliteit. De minister heeft mogen betrekken bij de beoordeling dat deze verklaring weliswaar een echt document betreft, maar dat de juistheid van de inhoud daarvan niet kan worden beoordeeld. Daarbij heeft de minister er niet ten onrechte op gewezen dat de nationaliteitsverklaring is gebaseerd op de verklaringen van eiser zelf en de door hem overgelegde kopieën van de identiteitsbewijzen van zijn gestelde ouders. Daarmee is niet gebleken van een deugdelijk verificatieonderzoek voorafgaand aan de afgifte van de nationaliteitsverklaring. De toelichting van eiser over het onderzoek maakt niet zonder meer dat van de verklaring dient te worden uitgegaan. De stelling van eiser dat de gegevens van zijn gestelde ouders zouden zijn gecontroleerd en dat zijn vader is gebeld, kan niet slagen, omdat nergens uit blijkt dat een dergelijke controle daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Bovendien bieden de kopieën van de identiteitsbewijzen van de gestelde ouders onvoldoende basis om tot een ander oordeel over de identiteit en nationaliteit te komen, omdat deze documenten niets over de gestelde familieband tussen eiser en zijn gestelde ouders zegt. Daarnaast heeft de minister op goede gronden overwogen dat niet zonder meer van de verklaringen van eiser kan worden uitgegaan. Eiser heeft wisselend verklaard over het behoren tot de Hausa of Saho-stam, staat in Italië geregistreerd als Soedanees en heeft ook in Nederland de asielaanvraag ondertekend met een Soedanese nationaliteit. De minister heeft daarom niet behoeven uit te gaan van de juistheid van de in beroep overgelegde nationaliteitsverklaring. 7.3. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser een Eritrese geboorteakte heeft overgelegd die, volgens onderzoek, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en een valse legalisatie bevat. Eiser heeft het overleggen van die geboorteakte met valse legalisatie niet weerlegd. Daartoe is de enkele stelling dat hij niet beter weet en het document toegezonden heeft gekregen onvoldoende. Vanwege dit document met een valse legalisatie heeft de minister mogen stellen dat eiser gepoogd heeft hem te misleiden. 7.4. Ook eisers fragmentarische kennis van het Saho, zoals beschreven in de taalanalyse, heeft de minister op goede gronden onvoldoende geacht om de Eritrese nationaliteit aannemelijk te maken. De taalanalyse merkt in dit verband al op dat eiser dit eenvoudig kan hebben geleerd in de omgang met in Soedan gevestigde, Saho-sprekende immigranten uit Eritrea. Nu de Eritrese nationaliteit niet aannemelijk is gemaakt, bestaat geen aanleiding voor de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien. Over het terugkeerbesluit 8. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat het opgelegde terugkeerbesluit in strijd is met de arresten FMS, M. en AA, omdat een non-refoulement-beoordeling ontbreekt. Op zitting is ter nadere onderbouwing gewezen op de arresten Adrar, Ararat en Hardeker. 8.1. De beroepsgrond slaagt. Uit het arrest Hardeker volgt dat de minister meerdere landen voor terugkeer mag benoemen in een terugkeerbesluit, zolang verwijdering van de vreemdeling in het licht van de non-refoulementbeginsel mogelijk is naar ten minste één van de in dat besluit genoemde landen. Ook volgt uit de door eiser aangehaalde rechtspraak dat de minister een actuele refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat de minister deze beoordeling tenminste moet maken met betrekking tot Soedan, of Eritrea. Volgens het Hof is het namelijk juridisch onmogelijk om een terugkeerbesluit te nemen zonder een land van bestemming aan te wijzen waarnaar terugkeer kan plaatsvinden onder eerbiediging van het non-refoulementbeginsel. 8.2. In het terugkeerbesluit heeft de minister aan eiser aangezegd dat hij moet terugkeren naar Soedan of Eritrea, maar een refoulementbeoordeling met betrekking tot één van deze landen ontbreekt. Daartoe was de minister wel gehouden gelet op het voorgaande. Dat de identiteit en/of nationaliteit van eiser niet vaststaat, doet daar niet aan af. De rechtbank volgt de minister niet in het standpunt op zitting dat een risico op een schending van artikel 3 van het EVRM enkel kan worden onderzocht als er een duidelijke identiteit en afkomst is. Evenmin slagen de verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 8 mei 2024 en van zittingsplaats Utrecht van 8 mei 2026 in het licht van de Europese rechtspraak. Dit geldt temeer nu deze uitspraken dateren van voor het Hardeker-arrest van 25 juni 2026. Dat betekent dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is. De minister heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat eiser kan terugkeren naar Soedan, of Eritrea. 8.3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij zelf in deze zaak ook geen actuele refoulementbeoordeling kan maken nu de minister twee mogelijke landen heeft opgenomen in het terugkeerbesluit. Daarbij is van belang dat uit het dossier onvoldoende duidelijk wordt of eiser kan terugkeren naar Soedan. De minister heeft dit onvoldoende onderzocht. Ten aanzien van de vraag of eiser terug zou kunnen keren naar Eritrea zou de refoulementbeoordeling betekenen dat alsnog inhoudelijke beoordeling dient plaats te vinden van eisers vrees voor de dienstplicht. De rechtbank meent dat het aan de minister is om te onderzoeken en te beoordelen of en naar welke van deze landen vertrek mogelijk zou zijn met eerbiediging van het non-refoulementbeginsel. Conclusie en gevolgen 9 Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit geheel. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf te voorzien, omdat nader onderzoek nodig is. De minister moet onderzoeken of verwijdering van eiser naar Soedan of Eritrea mogelijk is, onder eerbiediging van het non-refoulementsbeginsel. Dat betekent ook dat de asielaanvraag van eiser, het verzoek om internationale bescherming, ten onrechte is afgewezen en dat ten onrechte een inreisverbod is opgelegd. 10. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken. 11. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 30 oktober 2025; draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Zaaknummer NL25.54252. Zie artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c en e, Vw. Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4302 en 17 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1494. Het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Arresten van het Hof van Justitie (het Hof) van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367 (FMS), van 23 februari 2021, ECLI:EU:C:2021:127 (M) en van 8 februari 2024, ECLI:EU:C:2024:122 (AA). Arresten van het Hof van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat), van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en van 25 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:518 (Hardeker). Overweging 86-87. Hardeker arrest, overweging 80 en het daar aangehaalde arrest. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:1970. ECLI:NL:RBDHA:2026:13908. De Algemene wet bestuursrecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/291384 · 2026-08-22
