Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-07-2026 (25/793 tot en met 25/797 GHK)
De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van de namen en bankgegevens van medeverdachten toe in verband met de privacy van deze derden.
Full text
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Nummers: 25/793 tot en met 25/797 Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van [belanghebbende] , wonend in [woonplaats] , hierna: belanghebbende, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2025, nummers BRE 23/3871 tot en met 23/3875 in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd, en heeft gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. 1.2. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2018 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd, en heeft gelijktijdig daarmee belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. 1.3. De inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2019 een aanslag IB/PVV en een aanslag Zvw opgelegd en heeft gelijktijdig met de aanslag Zvw belastingrente aan belanghebbende in rekening gebracht. 1.4. De inspecteur heeft de daartegen gerichte bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard. 1.5. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV en Zvw 2017, de navorderingsaanslag IB/PVV 2018 en de daarbij vastgestelde belastingrentebeschikkingen gegrond verklaard en heeft de beroepen voor het overige ongegrond verklaard. 1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. 1.7. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Daarnaast heeft hij een verzoek om geheimhouding gedaan. Dat verzoek ziet op delen van de volgende stukken: I. het ‘Zaakdossier [belanghebbende] ’ van de Politie dat op 4 maart 2020 ambtsedig is opgemaakt. Het betreft bijlage 17 bij het verweerschrift in eerste aanleg, waarnaar de inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep verwijst (hierna: bijlage 17). II. het Proces-verbaal van de Politie, met als datum van ondertekening 27 oktober 2020, waarin wordt opgesomd welke politiegegevens aan de boetefraude-coördinator ter beschikking zijn gesteld. Het betreft bijlage 19 bij het verweerschrift in eerste aanleg, waarnaar de inspecteur in zijn verweerschrift in hoger beroep verwijst (hierna: bijlage 19). In deze stukken heeft de inspecteur gegevens geschoond. Het gaat om de namen en bankgegevens van medeverdachten. 1.8. De inspecteur heeft ongeschoonde versies van de in 1.7 genoemde stukken aan de geheimhoudingskamer van het hof overgelegd. Daarnaast heeft hij geschoonde versies van deze stukken overgelegd, die het hof aan belanghebbende heeft doorgestuurd. 1.9. Op 30 juli 2025 heeft de geheimhoudingskamer van het hof aan belanghebbende een reactie gevraagd op het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur. Ook is gevraagd of belanghebbende toestemming geeft voor beperkte kennisneming. 1.10. Op 21 augustus 2025 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek om geheimhouding van de inspecteur. De reactie van belanghebbende is in Mijn Rechtspraak geplaatst. 1.11. Op 19 december 2025 heeft het hof de inspecteur in de gelegenheid gesteld de bijlagen 17 en 19 nogmaals te overleggen, zowel de geschoonde als de ongeschoonde versies, met inachtneming van artikel 4 van de Procesregeling met richtlijnen en aanwijzingen voor het behandelen van bestuursrechtelijke zaken bij de belastingkamers van de gerechtshoven. 1.12. Bij brief van 6 januari 2026 heeft de inspecteur nieuwe geschoonde versies van de bijlagen 17 en 19 overgelegd, die het hof aan belanghebbende heeft doorgestuurd. 2 Verzoek 2.1. De geheimhoudingskamer zal beoordelen of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 Awb, die rechtvaardigen dat de inspecteur weigert de ongeschoonde versies van de bijlagen 17 en 19 te overleggen. 3 Beoordeling van het verzoek Juridisch kader 3.1. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het hof te zenden. Dit artikel strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit aan de rechter – en belanghebbende – beschikbaar worden gesteld. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan hem ter beschikking staan, zodat belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Het betreft stukken die in de zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de inspecteur of die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de rechter. Tot de over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. 3.2. Als een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, brengt dat in beginsel met zich dat het in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Het bepaalde in artikel 8:29 Awb biedt echter aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het hof mee te delen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis neemt van de stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt dit artikel aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig maar deels geschoond aan de andere partij en de hoofdkamer te overleggen. In artikel 8:29, lid 5, Awb staat dat beperkte kennisneming alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. 3.3. Beslissend bij de vraag of de inspecteur zich terecht op geheimhouding beroept is niet of de stukken of de onleesbaar gemaakte delen daarvan voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts als de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. 3.4. De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat als de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de procedure bij de hoofdkamer moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling. 3.5. De belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van de gehele dossiers. Beoordeling van het verzoek 3.6. De gegevens die de inspecteur in bijlagen 17 en 19 heeft geschoond betreffen uitsluitend de namen en bankgegevens van medeverdachten. In de geschoonde versies van deze stukken heeft de inspecteur in de kantlijn met de aanduiding ‘medeverdachten’ dan wel ‘M.V.’ aangeduid waar het de namen van medeverdachten betreft (bijlage 17 en 19) en met de aanduiding ‘M.V. + IBAN M.V.’ (bijlage 19) waar het de namen en bankgegevens van medeverdachten betreft. De inspecteur heeft de namen en bankgegevens van de medeverdachten geschoond aangezien zij geen relatie hebben met belanghebbende en deze gegevens niet relevant zijn voor de onderhavige beroepsprocedure. Als gewichtige reden voor geheimhouding heeft hij aangevoerd dat de privacy van deze derden dient te worden beschermd. De inspecteur heeft in dit geval een verzoek om geheimhouding gedaan. Omdat de inspecteur niet heeft medegedeeld dat de hoofdkamer kennis mag nemen van het ongeschoonde stuk, maar zich heeft beroepen op geheimhouding, is het voor de geheimhoudingskamer niet duidelijk of de inspecteur ook een verzoek om beperkte kennisneming doet voor het geval belanghebbende daarin toestemt. Om proceseconomische redenen, het verzoek ziet op het schonen van de namen en de bankrekeningnummers van medeverdachten, heeft de geheimhoudingskamer afgezien van de mogelijkheid om de inspecteur te vragen in te stemmen met overlegging van de ongeschoonde stukken aan de hoofdkamer. 3.7. Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof het volgende voorop. Belanghebbende heeft bij brief van 21 augustus 2025 (zie 1.10) te kennen gegeven zich niet te verzetten tegen het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur ervan uitgaande dat alleen de persoonsgegevens zoals de namen en de bankrekeningnummers van medeverdachten zijn geanonimiseerd. Bij brief van 6 januari 2026 heeft de inspecteur, na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld, nieuwe geschoonde versies van de bijlagen 17 en 19 overgelegd (hierna: de nieuwe versies). De nieuwe versies zijn gedeeld met belanghebbende. Om proceseconomische redenen heeft de geheimhoudingskamer belanghebbende niet meer in de gelegenheid gesteld om te reageren op de nieuwe versies omdat belanghebbende er in haar reactie van 21 augustus 2025 van uitging dat de geschoonde passages persoonsgegevens zijn zoals de namen en de bankrekeningnummers van medeverdachten. De geheimhoudingskamer heeft vastgesteld dat dat ook het geval is. In bijlage 17 zijn namen van medeverdachten geschoond en in bijlage 19 namen en bankrekeningnummers van medeverdachten. 3.8. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang bij bescherming van de privacy van deze derden in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze gegevens. De kenbaarheid van deze gegevens is ook niet direct van belang voor de beslissing in de hoofdzaak. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen. Conclusie 3.9. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat het verzoek van de inspecteur om geheimhouding is gerechtvaardigd. De gegevens die zijn geschoond mogen daarom geheim blijven voor belanghebbende en ook voor de hoofdkamer, die de zaken inhoudelijk behandelt. 4 Beslissing De geheimhoudingskamer: verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde reden voor geheimhouding van delen van bijlagen 17 en 19 gerechtvaardigd is; verwijst de zaak naar de hoofdkamer en stelt de procesdossiers, met uitzondering van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde ongeschoonde stukken, daaraan ter beschikking. De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. De griffier, De raadsheer, J.H.M. van Ooijen M.J.C. Pieterse Rechtsmiddel Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan. Gepubliceerd in de Staatscourant op 30 december 2024, nr. 37719. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. Zie de arresten van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129 en van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder i. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder iv. Vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, overweging 3.3.3. Vergelijk Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.