# Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15-07-2026 (24/1879 tot en met 24/1882 GHK)

- Type: Case Law
- Source: Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Identifier: ECLI:NL:GHSHE:2026:1842
- Date: 2026-07-15
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3AGHSHE%3A2026%3A1842
- Canonical: https://overview.legal/posts/353486

## Summary

De geheimhoudingskamer wijst het verzoek van de inspecteur om beperkte kennisneming van delen van een in het kader van een derdenonderzoek opgemaakt besprekingsverslag toe in verband met (A) de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, zijnde werknemers van een derde, en (B) vertrouwelijke informatie over het bedrijfsproces van die derde.

## Full text

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Team belastingrecht Enkelvoudige Belastingkamer, optredende, en hierna aangeduid, als ‘geheimhoudingskamer’ Nummers: 24/1879 tot en met 24/1882 Tussenuitspraak op grond van artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het hoger beroep van de inspecteur van de Belastingdienst, hierna: de inspecteur, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 6 november 2024, nummers BRE 21/4638 tot en met 21/4640 en 23/196, in het geding tussen de inspecteur en [belanghebbende] S.A., gevestigd in [vestigingsplaats] (Portugal), hierna: belanghebbende. 1 Ontstaan en loop van het geding 1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende over de jaren 2013 tot en met 2016 naheffingsaanslagen loonheffingen (de naheffingsaanslagen) opgelegd. Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikkingen) en zijn verzuimboeten opgelegd over de jaren 2013 en 2014. 1.2. De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de naheffingsaanslagen over de jaren 2013, 2014 en 2016 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen verminderd en de belastingrentebeschikkingen dienovereenkomstig verminderd. De verzuimboeten over de jaren 2013 en 2014 zijn door de inspecteur verminderd naar nihil. Het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over het jaar 2015 heeft de inspecteur ongegrond verklaard. 1.3. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen vernietigd. 1.4. De inspecteur heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. De inspecteur heeft in zijn brief van 16 april 2026 een verzoek om geheimhouding of beperkte kennisneming gedaan. Dat verzoek ziet op delen van het besprekingsverslag van 17 december 2021 met als onderwerp ‘bespreking derdenonderzoek [opdrachtgever] ’ (hierna: het verslag). 1.6. De inspecteur heeft een ongeschoonde versie, dus zonder dat gegevens zijn geschoond, van het verslag aan de geheimhoudingskamer overgelegd. Daarnaast heeft hij als bijlage 15 bij zijn nader stuk van 17 april 2026 een geschoonde versie van het verslag overgelegd. 1.7. Op 29 april 2026 heeft de geheimhoudingskamer van het hof aan belanghebbende een reactie gevraagd op het verzoek van de inspecteur. Ook is gevraagd of belanghebbende toestemming geeft voor beperkte kennisneming. 1.8. Op 5 mei 2026 heeft belanghebbende gereageerd op het verzoek van de inspecteur en toestemming verleend voor beperkte kennisneming. 2 Verzoek 2.1. De geheimhoudingskamer zal beoordelen of sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 8:29 Awb, die rechtvaardigen dat de inspecteur weigert de ongeschoonde versie van het verslag te overleggen. 3 Beoordeling van het verzoek Juridisch kader 3.1. De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, lid 1, Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het hof te zenden. Dit artikel strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit aan de rechter – en belanghebbende – beschikbaar worden gesteld. Deze verplichting heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de inspecteur genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan hem ter beschikking staan, zodat belanghebbende zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Het betreft stukken die in de zaak van enig belang kunnen zijn geweest voor de besluitvorming door de inspecteur of die van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming door de rechter. Tot de over te leggen stukken behoren alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. 3.2. Als een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, brengt dat in beginsel met zich dat het in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Het bepaalde in artikel 8:29 Awb biedt echter aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het hof mee te delen dat uitsluitend de hoofdkamer kennis neemt van de stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt dit artikel aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig (maar deels geschoond) aan de andere partij en de hoofdkamer te overleggen. 3.3. In artikel 8:29, lid 5, Awb staat dat beperkte kennisneming alleen is toegestaan met toestemming van belanghebbende. Voor het geval de geheimhoudingskamer beslist dat er gewichtige redenen zijn om het verslag deels geschoond te overleggen, heeft belanghebbende ingestemd met beperkte kennisneming. De geheimhoudingskamer heeft het verzoek van de inspecteur daarom opgevat als een verzoek om beperkte kennisneming waarbij de rechter wel, maar belanghebbende niet over het ongeschoonde verslag beschikt. 3.4. Beslissend bij de vraag of de inspecteur zich terecht op geheimhouding/beperkte kennisneming beroept is niet of de stukken of de onleesbaar gemaakte delen daarvan voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts als de door de inspecteur voor geheimhouding/beperkte kennisneming aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding/beperkte kennisneming rechtvaardigen. 3.5. De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat als de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbenden geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbenden in de procedure bij de hoofdkamer moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling. 3.6. De belangenafweging moet plaatsvinden in de concrete aan de geheimhoudingskamer voorgelegde zaak en na kennisneming door de geheimhoudingskamer, die de afweging moet maken, van de gehele dossiers. Beoordeling van het verzoek 3.7. De gegevens die de inspecteur in het verslag heeft geschoond zijn (1) namen van vertegenwoordigers van [opdrachtgever] en (2) passages die zien op een beschrijving van een deel van het bedrijfsproces van [opdrachtgever] . In de geschoonde versie van het verslag zijn letters geplaatst die verwijzen naar de door de inspecteur aangevoerde gewichtige redenen voor geheimhouding, zijnde: Bescherming van de persoonlijke levenssfeer van derden, zijnde werknemers van een derde, waarvan de namen mogelijk niet bekend zijn bij de belanghebbende. Vertrouwelijke informatie over het bedrijfsproces van derden. Namen vertegenwoordigers [opdrachtgever] (gewichtige reden A) 3.8. De inspecteur heeft in het verslag de namen van de vertegenwoordigers van [opdrachtgever] geschoond. De inspecteur heeft als gewichtige reden voor geheimhouding aangevoerd dat de persoonlijke levenssfeer van derden, zijnde de werknemers van een derde, dient te worden beschermd (gewichtige reden A). Belanghebbende heeft daartegenover aangevoerd dat zij er belang bij heeft te weten met wie de Belastingdienst zou hebben gesproken, zodat een en ander zo nodig kan worden geverifieerd bij [opdrachtgever] en/of kan worden bezien of deze personen kennis van zaken hebben. Ook kan zo volgens belanghebbende beter worden nagegaan of het verslag is toegezonden aan de betreffende medewerkers van [opdrachtgever] . 3.9. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang bij bescherming van persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de vertegenwoordigers van [opdrachtgever] in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze gegevens. De kenbaarheid van deze gegevens is ook niet direct van belang voor de beslissing in de hoofdzaak. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat sprake is van gewichtige redenen die beperkte kennisneming rechtvaardigen. Ten aanzien van dat wat belanghebbende heeft aangevoerd, overweegt de geheimhoudingskamer dat belanghebbende bij geheimhouding van de gegevens niet wordt gehinderd om in de hoofdzaak gericht haar (processuele) standpunten te bepalen. Daarvoor is niet van belang dat belanghebbende de namen van vertegenwoordigers van [opdrachtgever] kent. Ook zonder die namen kan belanghebbende nagaan of het verslag is toegezonden aan [opdrachtgever] . Daarvoor geven de niet geschoonde passages en andere in het dossier aanwezige stukken voldoende aanknopingspunten. Vervolgens zou belanghebbende eveneens kunnen verifiëren wat is besproken en of de deelnemers van de zijde van [opdrachtgever] kennis van zaken hebben. Beschrijving bedrijfsproces van [opdrachtgever] (gewichtige reden B) 3.10. Daarnaast heeft de inspecteur in het verslag passages geschoond die zien op een beschrijving van (een deel van) het bedrijfsproces van [opdrachtgever] . De inspecteur heeft als gewichtige reden voor beperkte kennisneming aangevoerd dat sprake is van vertrouwelijke informatie over het bedrijfsproces van derden (gewichtige reden B). Volgens de inspecteur heeft [opdrachtgever] verklaard dat deze gegevens niet van toepassing zijn op de relatie met belanghebbende. Hij stelt dan ook dat geen sprake is van voor deze procedure relevante gegevens. Belanghebbende heeft aangevoerd dat het voor haar, om de context van het verslag te begrijpen, noodzakelijk is de geschoonde passages te kunnen lezen. Belanghebbende wijst in dit verband specifiek op de niet-geschoonde zin bovenaan pagina 2 van het verslag waarin wordt verwezen naar de geschoonde passage ervoor. Ook voor de andere geschoonde passages op pagina 2 van het verslag geldt, volgens belanghebbende, dat deze het begrip van de context belemmeren. 3.11. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang bij bescherming van vertrouwelijke informatie over het bedrijfsproces van derden – [opdrachtgever] – in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van deze gegevens. Uit de zin voorafgaand aan de passage die op pagina 1 is geschoond is op te maken dat de geschoonde passage ziet op drie verschillende overeenkomsten op basis waarvan [opdrachtgever] haar werkzaamheden verricht. Hoe vervolgens de verklaring bovenaan pagina 2 dat met de onderaannemers op dezelfde basis wordt gewerkt als richting de klant moet worden gerijmd met de verklaring van [opdrachtgever] dat deze gegevens niet van toepassing zijn op de relatie met belanghebbende in het nader stuk van de inspecteur, zie onder 3.10 hiervoor, is de geheimhoudingskamer niet duidelijk geworden, maar is niet relevant voor de door de geheimhoudingskamer aan te leggen maatstaf. Dat de geschoonde passages het begrip van de context voor belanghebbende belemmeren is evident. De geheimhoudingskamer wijst daartoe op 3.5 hiervoor. Conclusie 3.12. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat het verzoek om beperkte kennisneming van de passages aangeduid met de letters A en B is gerechtvaardigd. 4 Beslissing De geheimhoudingskamer: verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen A en B voor beperkte kennisneming van delen aangeduid met respectievelijk de letters A en B van de aan het aan de geheimhoudingskamer overgelegde verslag zijn gerechtvaardigd; verwijst de zaak naar de hoofdkamer en stelt de procesdossiers daaraan ter beschikking. Het ongeschoonde verslag zal niet aan belanghebbende worden verstrekt. De uitspraak is gedaan door M.J.C. Pieterse, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 uli 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Deze tussenuitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier verhinderd is deze te ondertekenen. De griffier, De raadsheer, J.H.M. van Ooijen M.J.C. Pieterse Rechtsmiddel Tegen tussenbeslissingen stelt de wet geen afzonderlijk, tussentijds beroep in cassatie dan wel een ander rechtsmiddel open. Tegen dergelijke beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof kan slechts worden opgekomen tegelijkertijd met het hoger beroep respectievelijk het beroep in cassatie tegen de einduitspraak, zijnde de uitspraak waarbij het geding wordt afgedaan. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672. Zie de arresten van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823 en ECLI:NL:HR:2008:BB5868, van 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1129 en van 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder i. Vergelijk Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:672, overweging 3.4.2 onder iv. Vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1182, overweging 3.3.3. Nader stuk van 17 april 2026, pagina 10 van 11. Vergelijk Hoge Raad 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353486 · 2026-08-27
