Rechtbank Noord-Holland, 19-08-2026 (C/15/376502)
Incident ex artikel 194/195 Rv. Beroep op uitzonderingsgrond afgewezen, vordering toegewezen.
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: C/15/376502 / HA ZA 26-215 Vonnis in incident van 19 augustus 2026 in de zaak van 1 [eiser 1], wonende te [plaats 1], 2. [eiser 2] , wonende te [plaats 1], eisende partijen in de hoofdzaak, verwerende partijen in het incident, hierna samen te noemen: [eisers], advocaat: mr. B. Kochheim-Bossink, tegen 1 [gedaagde 1], wonende te [plaats 2], advocaat: mr. Y.A.E. Vlassenroot, 2. [gedaagde 2] , wonende te [plaats 2], advocaat: mr. Y.A.E. Vlassenroot, 3. [gedaagde 3], H.O.D.N. [bedrijf 1] , kantoorhoudende te [plaats 2], eisende partij in het incident, advocaat: mr. M.J.G. Boender-Lamers, 4. [gedaagde 4] , kantoorhoudende te [plaats 3], advocaat: mr. H.J. Delhaas, 5. [gedaagde 5] B.V. , gevestigd te [plaats 3], advocaat: mr. H.J. Delhaas, gedaagde partijen in de hoofdzaak, gedaagde partijen in de hoofdzaak hierna samen te noemen: gedaagden, eisende partij in het incident hierna te noemen: [gedaagden]. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 28 producties - de conclusie van antwoord met 5 producties van de zijde van gedaagden sub 1 en sub 2 - de conclusie van antwoord met 6 producties van de zijde van gedaagden sub 4 en sub 5 - de conclusie houdende een incidentele vordering ex artikel 194 e.v. Rv, tevens houdende verzoek ex art. 22 Rv, met 1 productie van de zijde van [gedaagden] - de conclusie van antwoord in het incident met 4 producties van de zijde van [eisers] - de antwoordakte in het incident van de zijde van [gedaagden]. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2 De vordering en het verweer in het incident 2.1. De hoofdzaak betreft, kort gezegd, een geschil over door eisers gestelde gebreken aan een van gedaagden sub 1 en 2 gekochte woning met ondergrond en aanbehoren aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: de woning), waarbij [gedaagden] als verkoopmakelaar en gedaagden sub 4 en 5 als notaris(kantoor) betrokken waren. Vóór alle weren heeft [gedaagden] een incidentele vordering ex artikel 194 en 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) ingesteld, alsmede een - naar de rechtbank begrijpt subsidiair - verzoek op grond van artikel 22 Rv. 2.2. In het incident vordert [gedaagden], kort gezegd, [eisers] te bevelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis een afschrift te verstrekken van het taxatierapport en het bericht (vanuit NWWI) waarmee [eisers] het taxatierapport hebben ontvangen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat [eisers] niet (volledig) voldoen aan de veroordeling en, cumulatief, per (gedeelte van een) dag dat de niet-voldoening voortduurt. Voor zover nodig verzoekt [gedaagden] de rechtbank ten laste van [eisers] een voorziening te treffen ex artikel 22 Rv, met hetzelfde doel. Blijkens de incidentele conclusie betreft ‘het taxatierapport’ het taxatierapport dat [eisers] in het kader van de financiering van de woning hebben laten opstellen. [gedaagden] stelt dit taxatierapport nodig te hebben voor de beoordeling van de stellingen van [eisers], nu hiermee inzichtelijk wordt voor welk bedrag de taxateur de woning heeft getaxeerd en welke informatie daaraan ten grondslag lag, alsmede met welke informatie [eisers] uit hoofde van het taxatierapport bekend waren. Aan de voorwaarden van artikel 194 Rv is voldaan. [gedaagden] heeft buitengerechtelijk om het taxatierapport verzocht, maar [eisers] hebben dit geweigerd omdat zij stelden hiervoor op grond van de met de taxateur overeengekomen voorwaarden zijn toestemming nodig te hebben, die zij niet hebben verkregen. Het betreffende toestemmingsbeding maakt echter niet dat het zelf inbrengen van het taxatierapport in deze procedure niet mag. [gedaagden] vordert [eisers] te veroordelen in de kosten van dit incident. 2.3. Bij conclusie van antwoord in het incident stellen [eisers] samengevat het volgende. Het taxatierapport is op 28 mei 2025 opgesteld door [bedrijf 2] en in de opdrachtovereenkomst is opgenomen dat het delen van het taxatierapport alleen is toegestaan na schriftelijke toestemming van de taxateur. Die toestemming heeft de taxateur, ondanks herhaald verzoek van [eisers], uitdrukkelijk geweigerd. Als producties leggen [eisers] de opdrachtovereenkomst met de taxateur en de met hem gevoerde e-mailcorrespondentie over. [eisers] kunnen het taxatierapport dus niet delen met [gedaagden] zonder hun contractuele verplichtingen jegens de taxateur te schenden. Dit levert een gewichtige reden tegen het verstrekken van het taxatierapport in de zin van artikel 194 lid 2 Rv op. Verder stellen [eisers] dat [gedaagden] ook niet een voldoende belang in de zin van artikel 194 lid 1 Rv bij het taxatierapport heeft. [gedaagden] was zelf aanwezig bij de rondleiding van de taxateur door de woning en weet dat hij de taxateur toen niet heeft voorgelicht over de gebreken. Het taxatierapport is voor het verweer van [gedaagden] niet vereist. Het taxatierapport kwam bovendien pas beschikbaar nadat de wettelijke bedenktermijn al was verstreken en kan dus geen rol hebben gespeeld bij enige beslissing van [eisers] om de koopovereenkomst tijdens de bedenktijd te ontbinden. Het subsidiair aan de incidentele vordering ten grondslag gelegde artikel 22 Rv betreft geen vorderingsrecht voor partijen. Voor zover de rechtbank ambtshalve een dergelijk bevel zou overwegen, geldt dat ook hier het contractuele geheimhoudingsbeding en de herhaalde weigering van de taxateur gewichtige redenen tegen overlegging in de zin van artikel 22 lid 2 Rv opleveren. Als [eisers] door de rechtbank worden bevolen het taxatierapport te overleggen zullen zij daar gevolg aan geven. Een dwangsom is in dat geval niet nodig. [eisers] zijn bereid het NWWI-bericht ten behoeve van de comparitie over te leggen. [gedaagden] dient te worden veroordeeld in de kosten van het incident, nu zijn advocaat kenbaar is gemaakt dat het instellen van een incident niet nodig was omdat toestemming van de taxateur zou worden gevraagd. Desondanks is het incident ingesteld, hetgeen dus nodeloos is gebeurd. Indien het taxatierapport nu alsnog beschikbaar moet worden gesteld, moeten de proceskosten ook voor rekening van [eisers] blijven. Overlegging is niet uitgebleven vanwege onwil van [eisers] 2.4. Bij antwoordakte heeft [gedaagden] gereageerd op de door [eisers] in het incident ingebrachte producties. Kort gezegd stelt [gedaagden] het volgende. In de opdrachtvoorwaarden van de taxateur staat vermeld: ‘ Indien u het taxatierapport wilt delen met een persoon of organisatie die niet in dit taxatierapport genoemd is, dan is daarvoor mijn schriftelijke toestemming nodig. Is die schriftelijke toestemming niet toegevoegd, dan weet deze persoon of organisatie dat u zonder mijn toestemming het taxatierapport hebt gedeeld.’ Het standpunt van [eisers] dat zij het taxatierapport zonder toestemming van de taxateur niet met [gedaagden] kunnen delen, verhoudt zich hiermee niet. De ratio van het toestemmingsbeding is duidelijk: partijen die zonder toestemming van de taxateur het taxatierapport verkrijgen kunnen daaraan geen enkel recht ontlenen, waardoor eventuele aansprakelijkheid van de taxateur beperkt blijft. Het belet het overleggen van het taxatierapport ten behoeve van deze procedure niet. Het taxatierapport is ook nodig voor het voeren van verweer in deze procedure, onder meer tegen de stelling van [eisers] dat zij pas na de levering van de woning zouden zijn geconfronteerd met de door hen gestelde gebreken aan de woning. Een taxateur pleegt immers echter eigen onderzoek te doen. De proceskosten dienen voor rekening van [eisers] te komen, nu zij destijds volstonden met de (niet onderbouwde) mededeling dat de taxateur geen toestemming gaf. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat het taxatierapport niet hoeft te worden ingebracht, is het redelijk als de kosten in het incident tussen partijen worden gecompenseerd. 3 De beoordeling in het incident 3.1. Artikel 194 lid 1 Rv bepaalt dat een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht heeft op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als zij daarbij voldoende belang heeft. Hieruit volgen dus de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voor een geslaagd beroep op inzage (waaronder begrepen het recht op een afschrift of uittreksel): (i) degene die informatie van een ander verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking, (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn, (iii) de partij moet een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en (iv) degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken. Lid 2 van artikel 194 Rv bevat vervolgens de uitzonderingen: geen recht op inzage bestaat indien degene van wie de gegevens verzocht worden zich op een verschoningsrecht kan beroepen of indien gewichtige reden zich tegen het verstrekken van de gegevens verzetten. Evenmin mag sprake zijn van misbruik van recht en/of strijd met de eisen van een goede procesorde. Artikel 195 Rv bepaalt vervolgens dat dit inzagerecht ook via de rechter gevorderd kan worden. Het doel van het inzagerecht is om opheldering te krijgen over nog niet erkende of omstreden feiten of om de eigen rechtspositie in een reeds ontstaan of potentieel geschil nader te bepalen en om geschillen zo effectief mogelijk op te lossen. 3.2. De rechtbank zal allereerst beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 194 lid 1 Rv is voldaan, voordat zij toekomt aan de beoordeling van het door [eisers] gedane beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 194 lid 2 Rv. 3.3. [eisers] stellen zich op het standpunt dat [gedaagden] geen voldoende belang bij het verkrijgen van het taxatierapport heeft. De rechtbank volgt [eisers] daarin niet. Met [gedaagden] is de rechtbank van oordeel dat het voor zijn verweer van belang is te weten met welke informatie over de door [eisers] gestelde gebreken zij uit hoofde van het taxatierapport vóór levering van de woning al dan niet bekend waren. De gevorderde bescheiden kunnen dus bijdragen aan een effectieve geschiloplossing. Voor het overige hebben [eisers] niet betwist dat aan de voorwaarden van artikel 194 lid 1 Rv voldaan is, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. 3.4. [eisers] beroepen zich op een uitzonderingsgrond van artikel 194 lid 2 Rv en stellen dat het met de taxateur overeengekomen toestemmingsbeding een gewichtige reden tegen verstrekking van het taxatierapport oplevert. Partijen verschillen van mening over de ratio en reikwijdte van dit beding, maar dat kan in het midden blijven. Ook als wordt uitgegaan van de uitleg van [eisers] en die uitleg zou kwalificeren als een gewichtige reden als bedoeld in artikel 194 Rv, weegt het belang van [gedaagden] om inzicht te krijgen in het taxatierapport zwaarder dan die gewichtige reden. Het beroep op de uitzonderingsgrond wordt dan ook verworpen. 3.5. [eisers] hebben in de conclusie van antwoord in het incident gesteld dat zij gehoor zullen geven aan een rechterlijk bevel tot overlegging van de gevorderde bescheiden. De rechtbank zal daarvan uitgaan en ziet op dit moment dan ook geen aanleiding een dwangsom op te leggen. De termijn waarop [eisers] de gevorderde stukken aan [gedaagden] dienen te verstrekken zal worden bepaald op één week na de datum van dit vonnis. 3.6. Het voorgaande leidt ertoe dat de incidentele vordering van [gedaagden] als hierna onder de beslissing vermeld zal worden toegewezen. Het door [gedaagden] gedane beroep op artikel 22 Rv behoeft geen verdere bespreking. 3.7. Beide partijen hebben om een proceskostenveroordeling van de andere partij verzocht. De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten tussen hen te compenseren. Naar haar oordeel blijkt aan de ene kant genoegzaam uit het dossier dat [eisers] niet onwelwillend waren het taxatierapport ter beschikking te stellen maar zich daarin belet achtten door de contractuele afspraken met de taxateur en aan de andere kant dat [gedaagden] dit incident wel moest opwerpen omdat hij het taxatierapport buitengerechtelijk niet kon verkrijgen. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het redelijk dat beide partijen hun eigen kosten dragen. 4 De beslissing De rechtbank in het incident 4.1. veroordeelt [eisers] om binnen één week na de datum van dit vonnis aan [gedaagden] ter beschikking te stellen een afschrift van het taxatierapport en het bericht (vanuit het NWWI) waarmee [eisers] het taxatierapport hebben ontvangen: 4.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 4.3. compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 4.4. wijst het meer of anders gevorderde af, in de hoofdzaak 4.5. verwijst de zaak naar de rol van woensdag 30 september 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden], 4.6. houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2026. 2009 Kamerstukken II 2019/20, 35498, nr. 3 (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35498-3.html?idp=http%3A%2F%2Fsignin.rechtspraak.nl%2Fadfs%2Fservices%2Ftrust) , p. 13 en 47 (MvT)