# Rechtbank Den Haag, 26-08-2026 (NL26.46427 en NL26.46477)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:24222
- Date: 2026-08-26
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A24222
- Canonical: https://overview.legal/posts/353490

## Summary

Beroep – Dubbele kennisgeving – niet-ontvankelijk – maatregel van vreemdelingenbewaring – gegrond – mogelijke verblijfstatus Italië – schadevergoeding

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.46427 en NL26.46477 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.A. Dorsman), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Hartog). Procesverloop Met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Eiser heeft op 14 augustus 2026 beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op 17 augustus 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven, vanwege strafrechtelijke detentie. Eiser heeft desgevraagd op 18 augustus 2026 kenbaar gemaakt prijs te stellen op een behandeling van dit beroep ter zitting. De rechtbank heeft het beroep op 20 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder en een door de gemachtigde van eiser geregelde tolk in de Engelse taal. Beoordeling door de rechtbank Beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring (NL26.46427) Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1985 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 2.1. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde . De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 2.2. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring . De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vw. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. Ook is in de maatregel opgenomen dat deze wordt gevorderd in het belang van de openbare orde, omdat er een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: - a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; - p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 4. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 5. Eiser voert aan dat ten onrechte de maatregel van bewaring aan eiser is opgelegd, en verweerder toepassing had moeten geven aan artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser had, al dan niet na overleg met de Italiaanse autoriteiten, moeten worden opgedragen om terug te keren naar Italië. Pas indien eiser hieraan geen gehoor zou hebben gegeven, kon aan hem een maatregel van bewaring worden opgelegd. De rechtbank oordeelt als volgt. 6. Uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van die onderdaan vereist is, is lid 1 van dit artikel van toepassing. 7. Eiser heeft op 7 augustus 2026 een asielaanvraag ingediend. Uit een controle in de systemen van verweerder is gebleken dat sprake is van meerdere Eurodactreffers, vanwege asielaanvragen die eiser in 2017 en in 2019 heeft ingediend in Frankrijk en Duitsland. Ook heeft verweerder een proces-verbaal van ‘aanleiding en onderzoek aangeboden documenten’ van 8 januari 2022 overgelegd, waaruit volgt dat verweerder op 8 januari 2022 op Schiphol – in verband met een doorreis van eiser – onderzoek heeft gedaan naar de echtheid van het Nigeriaanse paspoort en de Italiaanse verblijfsvergunning die eiser op dat moment bij zich droeg. Uit dit proces-verbaal volgt dat eisers documenten door verweerder echt zijn bevonden en dat eisers Italiaanse verblijfsvergunning geldig was van 3 augustus 2020 tot 30 juni 2025. 8. Verweerder heeft op 11 augustus 2026 een bericht verstuurd naar de gemachtigde van eiser. Hieruit volgt dat aan de Duitse autoriteiten een kennisgeving over de terugname van eiser zal worden verstuurd, omdat zij mogelijk verantwoordelijk zijn voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Op dat moment was het voor verweerder al bekend dat eiser in het bezit is geweest van een Italiaanse verblijfsvergunning, welke op 30 juni 2025 is verlopen. Op 13 augustus 2026 heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring te kennen gegeven dat hij op zijn telefoon een foto kan tonen van zijn vernieuwde geldige Italiaanse verblijfsvergunning en dat het originele document bij een vriend elders in Nederland ligt. Eiser heeft in dit gehoor ook aangegeven niet naar Italië terug te willen, omdat daar geen arbeidsmogelijkheden zijn en dat hij vanwege de (leef)omstandigheden in Italië naar Nederland is gekomen. 9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde foto van zijn Italiaanse verblijfsvergunning, in samenhang met zijn verklaringen, een begin van bewijs geleverd van de aanwezigheid van een Italiaanse verblijfstitel. Daarbij acht de rechtbank het van belang dat op de door eiser overgelegde foto van de Italiaanse verblijfsvergunning naast persoonsgegevens van eiser ook andere kenmerken vermeldt, waaronder de geldigheidsduur van dit document en de instantie die aan eiser de verblijfsvergunning zou hebben afgegeven. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder gedurende de ophouding van eiser – en daarna – ten onrechte geen nader onderzoek verricht naar eisers verblijfsstatus in Italië. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat verweerder de mogelijkheid heeft om de ophouding van een vreemdeling te verlengen indien het onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie niet binnen de termijn van ophouding is voltooid. Ook hiervan heeft verweerder geen gebruik gemaakt. Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is gegrond. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring is van meet af aan onrechtmatig. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor de gehele periode van eisers inbewaringstelling van 13 augustus 2026 tot 17 augustus 2026. De rechtbank kent een schadevergoeding toe van vijf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-. 11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €934,- en een wegingsfactor 1). Dubbele kennisgeving (NL26.46477) 12. De rechtbank merkt ambtshalve op dat voor de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring op 14 augustus 2026 een tweede kennisgeving door verweerder is verstuurd, waarvoor een zaak is aangemaakt. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de tweede kennisgeving per abuis is verzonden aan de rechtbank en dat deze kennisgeving, welke gelijk wordt gesteld met een door eiser ingesteld beroep, zal worden ingetrokken. Eiser heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen de intrekking van de kennisgeving en daarmee het beroep. De rechtbank constateert dat dit beroep tot op heden niet is ingetrokken. 13. De rechtbank zal het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep inzake NL26.46477 niet-ontvankelijk - verklaart het beroep inzake NL26.46427 gegrond; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-. Deze uitspraak is gedaan op 25 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Vreemdelingenbesluit 2000. Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Richtlijn 2008/115/EG. NL26.46477.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353490 · 2026-08-27
