Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:22377 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 03-08-2026 (09/265502-25)

Rechtbank Den Haag
Summary

Medeplichtigheid aan bedreiging door te schieten op een voordeur van een woning, meermalen gepleegd en bankhelpdeskfraude in vereniging, meermalen gepleegd. "Dubbel opzet" t.a.v. medeplichtigheid. De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van het voorarrest.

Full text

Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/265502-25 Datum uitspraak: 3 augustus 2026 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats], verblijfadres: [adres 1] te [woonplaats], op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], locatie [locatie]. 1 Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 januari 2026, 17 april 2026 (beide pro-forma), 30 juni 2026 (inhoudelijke behandeling) en 3 augustus 2026 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.B. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. R.P. van der Graaf, naar voren is gebracht. 2 De tenlastelegging Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzittingen van 21 januari 2026 en 30 juni 2026 (cursief weergegeven) - ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 9 augustus 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1], van het leven te beroven (meermaals) gericht met een vuurwapen op de voordeur van de woning aan de [adres 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of één of meer mededaders, op of omstreeks 9 augustus 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf [slachtoffer 1] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven (meermaals) gericht met een vuurwapen op de voordeur van de woning aan de [adres 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of middelen heeft verschaft door - een auto te huren en/of - die auto vervolgens ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of zijn mededaders; 2. hij in of omstreeks de periode van 9 tot en met 10 augustus 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (meermaals) met een vuurwapen gericht op de voordeur van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schieten en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen gericht op de voordeur van de woning aan de [adres 2] te schieten; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of één of meer mededaders, op of omstreeks 10 augustus 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (meermaals) met een vuurwapen gericht op de voordeur van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te schieten en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door met een vuurwapen gericht op de voordeur van de woning aan de [adres 2] te schieten; bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of middelen heeft verschaft door - een auto te huren en/of - die auto vervolgens ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of zijn mededaders; 3. hij op of omstreeks 7 augustus 2025 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (meermaals) met een vuurwapen, op de openbare weg, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in het rond te schieten en/of schoten af te vuren; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of één of meer mededaders, op of omstreeks 7 augustus 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door (meermaals) met een vuurwapen, op de openbare weg, in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in het rond te schieten en/of schoten af te vuren, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of middelen heeft verschaft door - een auto te huren en/of - die auto vervolgens ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en/of zijn mededaders; 4. hij op één of meerdere tijdstippen op 22 augustus 2025 te Ulvenhout en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere bankpassen en/of € 5000,-, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan mw. [slachtoffer 5] en/of mw. [slachtoffer 6] en/of dhr. [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) de weg te nemen bankpas(sen) en/of geld onder zijn en/of hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten middels het gebruikmaken van één of meer bankpassen (inclusief bijhorende pincodes) op naam van voornoemde mw. [slachtoffer 5], mw. [slachtoffer 6] en/of dhr. [slachtoffer 7], tot welk gebruik hij, verdachte, en zijn mededader(s) onbevoegd en niet gerechtigd waren en/of van het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker en/of voornoemde rekeninghouders te vertellen dat er iets verdachts was met hun bankrekening en/of zich voor te doen als koerier van of namens een bank; 5. hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2025 tot en met 4 oktober 2025 te Rotterdam en/of ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, een of meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten: - een revolver, merk Iver Johnson, type Smith & Wesson, kaliber .32 (15 augustus 2025: p. 560 en 733-734), - een of meer revolvers, merk Iver Johnson (4 september 2025: p. 562-563 en 735) en of - een of meer (semi automatische) pistolen merk Glock, type 26 (11 augustus 2025: p. 570 en 737-738, 15 augustus 2025: p. 557 en 736, 12 september 2025: p. 558 en 737) , zijnde een of meerdere vuurwapens in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad en of een of meerdere wapens van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten: - een automatisch geweer, merk Zastava, type M70 AB2 (26 juli 2025: p. 564 en 734) en of - een automatisch geweer, merk Zastava, type M72 (26 juli 2025: p. 565-566 en 735), zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad. 3 De bewijsbeslissing 3.1. Inleiding Op 7 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur komen bij de politie meldingen binnen dat er knallen of schoten zijn gehoord op het [straatnaam 1] in Den Haag. Later die dag worden er zes kogelhulzen gevonden ter hoogte van [adres 3]. Twee dagen later, op 9 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur, komt bij de politie de melding binnen dat er is geschoten op de [adres 2] te Den Haag, een woning op de derde verdieping van een appartementencomplex. In de voordeur van het appartement bevinden zich zes kogelinslagen. In het trappenhuis worden zes kogelhulzen aangetroffen. In het appartement bevinden zich op het moment van de beschieting van de voordeur twee personen. Eén van deze twee personen, [slachtoffer 1], ligt op dat moment op bed in de slaapkamer tegenover de voordeur. In de slaapkamer worden vijf kogels aangetroffen. De volgende dag, op 10 augustus 2025 omstreeks 3.00 uur, wordt er wederom geschoten op het [straatnaam 1]. In de voordeur van [adres 4] bevinden zich zeven kogelinslagen. Acht meter van de woning worden zeven kogelhulzen aangetroffen. In de woning is niemand aanwezig op het moment van de beschieting van de voordeur. Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is [verdachte] als verdachte aangemerkt ten aanzien van alle drie genoemde schietincidenten. De verdachte zou via een katvanger de auto hebben gehuurd die gebruikt is bij de schietincidenten. Uit het strafrechtelijk onderzoek zijn nog twee andere verdenkingen tegen de verdachte gerezen, te weten het voorhanden hebben van vuurwapens en bankhelpdeskfraude. 3.2. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair (medeplichtigheid aan poging doodslag in vereniging op 9 augustus 2025), 2 subsidiair 1ste en 2e cumulatief (medeplichtigheid aan bedreigingen in vereniging op 9 augustus 2025 en 10 augustus 2025), 4 (bankhelpdeskfraude in vereniging) en 5 (vuurwapenbezit, voor zover het de automatische wapens betreft waarmee de verdachte op de foto staat) ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair, 2 primair, en 3 tenlastegelegde en tot partiële vrijspraak van het onder 5 tenlastegelegde (voor zover het wapens betreft waarmee de verdachte niet op de foto staat). 3.3. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde feiten. Voor zover van belang, zal hierna nader uiteen worden gezet wat de raadsman hiertoe heeft gesteld en zal de rechtbank hierop ingaan. De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank aangezien de verdachte dit feit heeft bekend. 3.4. Het oordeel van de rechtbank 3.4.1. De feiten en omstandigheden Bij de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij de schietincidenten worden eerst de relevante feiten en omstandigheden in chronologische volgorde weergegeven. De rechtbank gaat daarna in op de verweren die niet door de bewijsmiddelen worden weerlegd en de overige bewijsvragen. De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.4.2. Schietincidenten op 7, 9 en 10 augustus 2025 ([straatnaam 2]/[straatnaam 1]) Op 7 augustus 2025 worden rond 3.00 uur door buurtbewoners van het [straatnaam 1] meerdere knallen gehoord. Op camerabeelden vanaf een woning aan het [straatnaam 1] rond dat tijdstip is te zien dat twee mannen richting de plaats lopen vanaf waar de schoten zijn afgevuurd. De ene man is gekleed in een grijs trainingspak en de andere man is gekleed in het zwart. De man in het zwart heeft een telefoon in zijn rechterhand (waarvan het scherm brandt). Een minuut later rennen de mannen in tegengestelde richting terug. Om 4.13 uur die nacht, ontvangt de verdachte van [medeverdachte 1] (hierna ook: [medeverdachte 1]) – via Snapchat – een filmpje. Bij het filmpje is de tekst ‘En weer 5K gemaakt simpel’ geplaatst. Op het filmpje wordt een andere telefoon gefilmd. Op de gefilmde telefoon is te zien dat een man met een grijs trainingspak op het [straatnaam 1] ter hoogte van nummer [huisnummer] meerdere keren met een vuurwapen in de lucht schiet. Na het schieten lopen de schutter en de filmer samen weg. De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij niet direct via Snapchat heeft gereageerd op het filmpje maar dat hij dit wel heeft bekeken. Ook heeft hij met [medeverdachte 1] gesproken over de inhoud van het filmpje en wat het precies inhield. [medeverdachte 1] vertelde hem dat het hoorde bij een schietincident in Den Haag waarbij er in de lucht was geschoten. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de verdachte in ieder geval vanaf dat moment ervan op de hoogte was dat [medeverdachte 1] (op enigerlei wijze) betrokken was bij deze schietpartij. Niet lang daarna, op 7 augustus 2025 om 4.40 uur, maakt de verdachte op naam van iemand anders, van wie hij over de identiteitsgegevens (en bankrekening) kan beschikken, een boeking voor een rode Volkswagen Up van Greenwheels (met het kenteken [kenteken]; hierna ook: de huurauto) in zijn woonplaats [woonplaats]. De borg wordt betaald via de bankrekening van de (ex)-vriendin van de verdachte. Die dag, om 15.18 uur, wordt deze huurauto voor het eerst in gebruik genomen. Twee dagen later, op 9 augustus 2025 rijdt de verdachte met de huurauto naar de [straatnaam 3] (om de hoek van de [straatnaam 4], het verblijfsadres van [medeverdachte 1]) te Rotterdam waar hij rond 2.37 uur aankomt. De verdachte heeft verklaard dat hij van [medeverdachte 1] het verzoek gekregen om de auto die nacht te mogen lenen om naar Den Haag te gaan. De verdachte geeft de huurauto mee aan [medeverdachte 1] en rijdt, volgens zijn eigen verklaring ter terechtzitting, vervolgens met de auto van [medeverdachte 1] naar huis. Omstreeks 3.00 uur vindt het in de inleiding genoemde schietincident plaats op de [adres 2] in Den Haag. De door de verdachte ter beschikking gestelde huurauto is door [medeverdachte 1] gebruikt om de schutter naar en van de plaats delict te rijden. Om 16.38 uur die dag zoekt de verdachte naar nieuwsberichten over ‘schieten in Den Haag’. De verdachte bekijkt het nieuwsbericht over de schietpartij op de [adres 2] in Den Haag. In de avond van 9 augustus 2025 leent de verdachte opnieuw de huurauto uit aan [medeverdachte 1]. Omstreeks 3.00 uur die nacht, op 10 augustus 2025, vindt een schietincident plaats op het [adres 4] in Den Haag. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1] ook hierbij betrokken was als chauffeur. De door de verdachte ter beschikking gestelde huurauto is wederom door [medeverdachte 1] gebruikt om de schutter naar en van de plaats delict te rijden. De rechtbank gaat hierna in op de vraag of, en zo ja, welk strafrechtelijk verwijt de verdachte kan worden gemaakt. Geen medeplegen De rechtbank stelt voorop dat medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer vast is komen te staan dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij het plegen van het feit. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en/of de schutter niet is gebleken. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten. Medeplichtigheid Voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict) of, ingeval het (voorwaardelijk) opzet niet (volledig) was gericht op het gronddelict, op een misdrijf dat voldoende verband houdt met het gronddelict. Of van een dergelijk verband sprake is, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij zijn zowel de aard van het gronddelict als de aard van de gedraging van de medeplichtige van belang. Verder geldt dat bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige hoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Medeplichtigheid aan poging moord/doodslag ([adres 2]) Ten aanzien van het schietincident op 9 augustus 2025 aan de [adres 2] geldt dat de rechtbank uit het dossier niet kan afleiden dat de verdachte moest vermoeden dat er meer zou gebeuren dan het schieten in de lucht, zoals dat op 7 augustus 2025 had plaatsgevonden. Dat de verdachte moest hebben geweten dat op een deur van een woning zou worden geschoten terwijl de bewoners aanwezig waren, kan de rechtbank uit het dossier niet afleiden. De rechtbank ziet dan ook onvoldoende verband tussen enerzijds het (ongericht) schieten in de lucht en anderzijds het gericht schieten op een deur waarbij mensen in de woning aanwezig zijn. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de aan hem (onder feit 1, subsidiair) tenlastegelegde medeplichtigheid aan een poging moord/doodslag. Medeplichtigheid aan bedreigingen Ten aanzien van het schietincident van 9 augustus 2025 (de Bassenstraat 23) geldt dat het schieten op de woning, hetgeen bewezen kan worden verklaard, als bedreiging kan worden gekwalificeerd. Ook voor het schietincident op 10 augustus 2025 ([adres 4]) geldt dat het schieten op de woning bewezen kan worden verklaard. Uit de aangiftes en de slachtofferverklaringen, zoals afgelegd ter terechtzitting, blijkt bovendien dat alle bewoners enorm geschrokken zijn en dat zij zich door deze beschietingen bedreigd voelen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, naast opzet op de handeling als medeplichtige, namelijk het regelen en ter beschikking stellen van de huurauto, ook opzet heeft gehad op het gronddelict “bedreiging”. Daartoe is redengevend dat de verdachte wist dat dat er op 7 augustus 2025 in de lucht was geschoten én dat [medeverdachte 1] daar op enigerlei wijze bij was betrokken omdat hij daarover, zeer kort na het incident, een filmpje van [medeverdachte 1] had ontvangen en [medeverdachte 1] heeft hem daarover ook had verteld. Schieten met een vuurwapen in de lucht is zonder meer als een bedreiging te duiden. Kort daarna, om 04.00 uur, huurt de verdachte onder zeer bedenkelijke omstandigheden – met behulp van persoonsgegevens van een katvanger en door gebruikmaking van de bankrekening van zijn (ex)vriendin – een auto. Op 9 augustus 2025 geeft hij deze auto rond 02.37 uur in de ochtend mee aan [medeverdachte 1]. Zonder enige reden, want de verdachte wist dat [medeverdachte 1] een eigen auto had, aangezien hij daarna in de auto van [medeverdachte 1] naar huis is gereden. Iets later die dag, om 16.38 uur, heeft verdachte gezocht op internet naar ‘schieten den haag’ en vervolgens heeft hij een websitepagina over de schietpartij op de [adres 2] bezocht. Schieten met een vuurwapen op een woning is zeker als een bedreiging aan te merken. Vervolgens geeft hij, weer iets later, in de avond van 9 augustus 2025, wederom de huurauto af aan [medeverdachte 1]. Die huurauto is vervolgens betrokken bij het schieten op een woning aan de [adres 4]. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte, zowel op 9 augustus 2025 als op 10 augustus 2025, welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door [medeverdachte 1] en/of anderen met de door hem ter beschikking gestelde auto bedreigingen zouden worden gepleegd. Gelet hierop zal de rechtbank de onder 2, subsidiair 1ste en 2de cumulatief ten laste gelegde feiten, te weten: medeplichtigheid aan bedreiging op 9 en 10 augustus 2025 bewezen verklaren. 3.4.3. Schietincident op 7 augustus 2025 (feit 3) - vrijspraak De rechtbank is met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe dat, behalve het filmpje dat de verdachte ontving op 7 augustus 2025 van [medeverdachte 1] en het gesprek dat hij met hem hierover had, zoals hiervoor omschreven, niet is gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken was bij dit feit. 3.4.4. Bankhelpdeskfraude (feit 4) De rechtbank zal voor de onder 4 genoemde feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan (deze zijn opgenomen in de bijlage). De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. 3.4.5. Voorhanden hebben vuurwapens (feit 5) - vrijspraak Ten aanzien van feit 5 overweegt de rechtbank dat de verdenking van dit feit alleen is gebaseerd op foto’s die zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte. De foto’s zijn geduid door een verbalisant, die dagelijks is belast met onderzoek naar (vuur)wapens. In het proces-verbaal staat onder meer dat op de foto’s hoogstwaarschijnlijk echte vuurwapens zijn afgebeeld. In het proces-verbaal is echter niet uitgelegd waar die conclusie op is gebaseerd, bijvoorbeeld op basis van uiterlijke kenmerken die duiden op (echte) vuurwapens in plaats van voorwerpen die op vuurwapens lijken. Daar komt bij dat is geverbaliseerd dat pas met zekerheid kan worden vastgesteld dat het echte wapens zijn indien de verbalisant de wapens in zijn handen heeft gehad en deze nader heeft kunnen onderzoeken. Het dossier bevat verder geen andere aanwijzingen dat het om echte vuurwapens gaat. Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet buiten gerede twijfel vaststellen dat het gaat om vuurwapens in plaats van op vuurwapen gelijkende voorwerpen. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken. 3.5. De bewezenverklaring De rechtbank is met betrekking tot de onder 2 subsidiair (1ste en 2de cumulatief) en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: 2. ( subsidiair) [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], op 10 augustus 2025 te ’s-Gravenhage, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door meermaals met een vuurwapen gericht op de voordeur van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te schieten en [medeverdachte 1] en één mededader, omstreeks 10 augustus 2025 te ‘s-Gravenhage, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen gericht op de voordeur van de woning aan de [adres 2] te schieten; bij het plegen van welk e misdrij ven verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en middelen heeft verschaft door - een auto te huren en - die auto vervolgens ter beschikking te stellen aan [medeverdachte 1]; 4. hij op 22 augustus 2025 te Ulvenhout en Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een bankpas en € 2000,-, toebehorende aan mw. [slachtoffer 5] en een bankpas en € 3.000,-, toebehorende aan mw. [slachtoffer 6] en/of dhr. [slachtoffer 7], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders de weg te nemen bankpassen en geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten middels het gebruikmaken van bankpassen (inclusief bijhorende pincodes) op naam van voornoemde mw. [slachtoffer 5], mw. [slachtoffer 6] en/of dhr. [slachtoffer 7], tot welk gebruik hij, verdachte, en zijn mededaders onbevoegd en niet gerechtigd waren en van het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, te weten door zich onder valse naam voor te doen als een bankmedewerker en voornoemde rekeninghouders mw. [slachtoffer 5] en dhr. [slachtoffer 7] te vertellen dat er iets verdachts was met hun bankrekening en zich voor te doen als koerier van of namens een bank. Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad. 4 De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. 5 De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6 De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zeven maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. 6.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft (subsidiair) een strafmaatverweer gevoerd inhoudende dat de door de officier van justitie gevorderde straf dient te worden gematigd. De raadsman heeft hiertoe gewezen op de rol van de verdachte (huurder van de auto) en zijn persoonlijke omstandigheden. Ten aanzien van feit 4 (bankhelpdeskfraude) heeft de verdachte benadrukt dat hij geen aansturende rol heeft vervuld. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. De verdachte heeft zich als medeplichtige schuldig gemaakt aan twee bedreigingen die zijn geuit in de vorm van het in de nacht schieten op de voordeur van twee woningen. De verdachte stelde hiervoor een door hem, op naam van een katvanger, gehuurde auto ter beschikking. De beschietingen vormden onderdeel van een reeks incidenten. Dergelijke incidenten zijn bedreigend en beangstigend voor de betrokkenen en omwonenden. Bij een van de twee woningen lag er tijdens de beschietingen een persoon te slapen in de slaapkamer recht tegenover de voordeur. Dat zij niet is geraakt door een van de kogels is uitsluitend aan geluk te danken. Dat de impact op deze bewoonster zeer groot was en nog altijd voelbaar is, is gebleken uit de toelichting op de vordering tot vergoeding van schade die namens haar is ingediend. Bij de andere woning waren de bewoners niet thuis tijdens de beschieting. Zij werden tijdens en na hun vakantie geconfronteerd met de beschieting en de schade die daar het gevolg van was. Ook moesten zij hun woning op last van de burgemeester tijdelijk – met een pasgeboren baby – verlaten. Meer in het algemeen overweegt de rechtbank dat schietincidenten als onderhavige zorgen voor sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Verder heeft de verdachte samen met anderen zogenoemde bankhelpdeskfraudes gepleegd. Door middel van babbeltrucs zijn van twee slachtoffers op hoge leeftijd op slinkse en schaamteloze wijze geldbedragen afhandig gemaakt. De verdachte vervulde hierbij niet zozeer een (hiërarchische) aansturende, maar vooral coördinerende rol waarin hij taken verdeelde, zo blijkt uit chatgesprekken. De verdachte had op zijn telefoon een lijst met potentiële slachtoffers en een script. Het gaat hier om laffe daad jegens zeer kwetsbare slachtoffers, van wie het vertrouwen in anderen én in zichzelf vaak ernstig wordt geschaad als zij erachter komen dat zij slachtoffer zijn geworden van deze vorm van fraude. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij in 2020 is veroordeeld voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie. Ook feiten waar het in deze zaak om gaat, zijn vuurwapen-gerelateerd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte onvoldoende lessen heeft getrokken uit zijn eerdere veroordeling. De rechtbank heeft kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 12 maart 2026 en 4 juni 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op meerdere gebieden, te weten: dagbesteding, financiën en sociaal netwerk (crimineel milieu). De reclassering kan de criminogene factoren en risico’s niet goed inschatten vanwege de proceshouding van de verdachte en de beperkte mate waarin hij openheid van zaken geeft. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte, hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden die zien op de aanpak van de hiervoor genoemde problematiek. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting alsmede bij uitspraken in vergelijkbare strafzaken. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een gevangenisstraf van na te melden duur. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank op dit momentonvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank overweegt dat het werken aan de door de reclassering genoemde problematiek kan plaatsvinden in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. 7 De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 15.203,84, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 203,84 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding van € 22.192,55, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 16.192,55 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade. 7.1. Het standpunt van de officier van justitie 7.1.1. [slachtoffer 1] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot (hoofdelijke) toewijzing van de vordering, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.1.2. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke (hoofdelijke) toewijzing van de vordering, dat wil zeggen met uitzondering van de schade die aan de woning is ontstaan ten gevolge van de explosie op 8 augustus 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente. De officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. 7.2. Het standpunt van de verdediging 7.2.1. [slachtoffer 1] De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het aan de vordering ten grondslag liggende feit, hetgeen volgens de raadsman zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering. 7.2.2. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het aan de vordering ten grondslag liggende feit, hetgeen zou leiden tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vordering. 7.3. Het oordeel van de rechtbank 7.3.1. [slachtoffer 1] De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële kosten, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 subsidiair (tweede cumulatief) bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 2 (tweede cumulatief) bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 8.000,-. Dit bedrag is lager dan gevorderd, omdat de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij de Rotterdamse schaal, in het bijzonder categorie 19.3 ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing (art. 157 Sr)’, ‘meest ernstig’, waarbij een bandbreedte is bepaald van € 5.000,- tot € 8.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank, sluit deze categorie, hoewel het in het onderhavige geval niet gaat om een ontploffing aan bij de onderhavige situatie waarbij er herhaaldelijk op de woning van de benadeelde partij is geschoten met een vuurwapen. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag aan immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is, gelet op het voorgaande, namens de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 8.203,84, bestaande uit € 203,84 aan materiële schade en € 8.000,-- aan immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schadeposten vanaf die data zijn ontstaan. Proceskosten Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het onder 2 subsidiair (2de cumulatief) bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 8.203,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, ten behoeve van [slachtoffer 1]. 7.3.2. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post eigen bijdrage bezwaarprocedure woningsluiting, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partijen voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 2 subsidiair (1ste cumulatief) bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag. Ten aanzien van de post die betrekking heeft op huurkosten voor een vervangende woning kan op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, naar het oordeel van de rechtbank, de schade die de benadeelde partijen hebben geleden door het bewezenverklaarde feit, worden begroot op € 1.000,- (gelijk aan twee maanden huur). Dit bedrag is gebaseerd op de duur van de woningsluiting en de tijd die nodig was om terug te keren naar de woning. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks schade hebben geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank stelt de schade vast overeenkomstig de offerte die bij het verzoek om schadevergoeding is gevoegd. In totaal betreft het een bedrag van € 13.516,55. In deze offerte zijn ook kosten opgenomen die samenhangen met de explosie op 8 augustus 2025, terwijl de bewezenverklaring daar geen betrekking op heeft. Het gaat om € 3.705,- aan schilder- en stucadoorkosten en algehele kosten die zijn uitgedrukt als een percentage van het geheel, zoals kosten voor projectbegeleiding en BTW. Deze algemene kosten bedragen € 1.482,-. Ter terechtzitting is namens de benadeelde partijen toegelicht dat ook de kosten die het gevolg zijn van de explosie voor rekening moeten komen van de verdachte, omdat hij kan worden aangemerkt als deelnemer aan groepsgeweld in de zin van artikel 6:166, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor hoofdelijke aansprakelijkheid is de deelname aan het groepsgeweld voldoende en dat maakt dat ook de schade ten gevolge van de explosie hier volgens de benadeelde partijen onder moet vallen. Dat er sprake is van een groepsverband en een duidelijke samenhang tussen de bewezenverklaarde feiten en de explosie van 8 augustus 2025 is naar het oordeel van de rechtbank echter niet gebleken. De rechtbank zal om die reden de kosten die betrekking hebben op herstel van schade die is ontstaan door de explosie in mindering brengen op het gevorderde bedrag. Dit leidt tot de slotsom dat de materiële schade ten aanzien van de herstelwerkzaamheden wordt vastgesteld op € 8.329,55. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partijen rechtstreeks immateriële schade hebben geleden door het onder 2 subsidiair (1ste cumulatief) bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partijen ter toelichting op hun vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 5.000,-. De rechtbank verwijst hiertoe naar de Rotterdamse schaal, in het bijzonder categorie 19.3 ‘Bedreigende situaties door opzettelijke ontploffing (art. 157 Sr)’, ‘ernstig’, waarbij een bandbreedte is bepaald van € 1.000,- tot € 5.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank, sluit deze categorie bij gebrek aan een aparte categorie voor bedreiging in de vorm van schieten (op een woning bij afwezigheid van de bewoners) met een vuurwapen, het beste aan bij de onderhavige situatie. De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op een hoger bedrag aan materiële en immateriële schade, de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is, gelet op het voorgaande, namens de benadeelde partijen onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partijen de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partijen kunnen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 14.505,55, bestaande uit € 9.505,55 aan materiële schade en € 5.000,-- aan immateriële schade. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 10 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskosten Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte (hoofdelijk) worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het onder 2 subsidiair (1ste cumulatief) bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partijen aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hen is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.505,55, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025, ten behoeve van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. 8 De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: - 36f, 47, 48, 49, 57, 60, 285 en 311 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. De beslissing De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 primair, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 subsidiair (cumulatief) en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: ten aanzien van feit 2 subsidiair (1ste en 2de cumulatief): medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ; en medeplichtigheid aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht ; ten aanzien van feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, door listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, meermalen gepleegd; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden ; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 8.203,84 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 1]; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen; veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 8.203,84 vermeerderd met de wettelijke rente, voor wat betreft de gevorderde materiële schade van € 203,84 vanaf 12 december 2025, en voor wat betreft de gevorderde immateriële schade van € 8.000,- vanaf 9 augustus 2025, tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [slachtoffer 1]; bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 66 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat; bepaalt dat als (een van) de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen; bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen; ten aanzien van benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 14.505,55, en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]; bepaalt dat de benadeelde partijen voor het overige niet-ontvankelijk zijn in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partijen dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen; veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partijen, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.505,55 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald; ten behoeve van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]; bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 97 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat; bepaalt dat als (een van) de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen; bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Rootring, voorzitter, mr. F.M. Guljé, rechter, mr. S. Pereth, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Molenaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2026.