Hoge Raad, 25-08-2026 (24/03708)
Poging tot uitlokking van moord in 2023 in Nieuwegein, art. 46a jo. 289 Sr. Bewijsklacht “begin van uitvoering” a.b.i. art. 46a Sr. Kan uit bewijsvoering een begin van uitvoering van uitlokking van moord worden afgeleid? Het gaat in art. 46a Sr om tot ander gerichte gedragingen die er niet toe leiden dat het tot voorbereiding (a.b.i. art. 46 Sr) of begin van uitvoering (a.b.i. art. 45 Sr) komt (door die ander of derde) van misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. Verder kan mede uit totstandkomingsgeschiedenis van art. 46a Sr worden afgeleid dat voor strafbare poging om ander te bewegen (tot begaan van misdrijf) a.b.i. art. 46a Sr is vereist dat gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als begin van uitvoering van bewegen van ander door een of meer van de in art. 47.1.2 Sr genoemde “uitlokkingsmiddelen”. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van dat bewegen. Vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op beoordeling van concrete omstandigheden van geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht vastgestelde gedragingen bij voltooiing van dat bewegen lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht (vgl. HR:2026:1030). Hof heeft in zijn bewijsvoering vastgesteld dat verdachte als gedetineerde 2 brieven heeft geschreven die waren gericht aan en bedoeld voor B. Een van brieven, voorzien van postzegel en retouradres, is onderschept in postkamer van penitentiaire inrichting en was door verdachte aangeboden om te worden verstuurd. Die brief houdt onder meer in dat A aangifte heeft gedaan tegen verdachte en “gepakt” moet worden, dat het “afgelopen” moet zijn met hem, dat het “goed gedaan” moet worden, dat er geen bewijs moet zijn en dat neef van verdachte de geadresseerden betaalt. Verder houdt die brief in dat A in bepaalde stad woont, in
Full text
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03708 Datum 25 augustus 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2024, nummer 21-005906-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R.I. Takens bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging om een ander te bewegen een moord te begaan. Het voert daartoe aan dat de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte nog niet een ‘begin van uitvoering’ opleveren. 2.2.1 Overeenkomstig de tenlastelegging is in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 3 primair ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “hij in de periode van 5 januari 2023 tot en met 24 februari 2023 te [plaats] , heeft gepoogd om [benadeelde 1] en/of anderen, door in artikel 47, eerste lid onder 2e van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten beloften, en het verschaffen van inlichtingen, te bewegen om (al dan niet tezamen en in vereniging met een of meer anderen) [benadeelde 2] te vermoorden, immers heeft verdachte brieven geschreven en/of ter verzending aangeboden waarin hij - opdracht geeft tot het vermoorden en/of afmaken van die [benadeelde 2] , - een geldbedrag hiervoor in het vooruitzicht stelt, - gedetailleerde informatie verschaft over die [benadeelde 2] , onder andere diens woonplaats, werkadres, werktijden en in welke auto die [benadeelde 2] rijdt.” 2.2.2 Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: “1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: De brieven die op 24 februari 2023 zijn gevonden in de P.I. [plaats] heb ik geschreven. Beide brieven waren gericht aan en bedoeld voor [benadeelde 1] . Hij is zoiets als mijn neef. De brief die is onderschept in de postkamer van de P.I. [plaats] heb ik ter versturing aangeboden. 2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van dit hof van 17 september 2024, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: U, voorzitter, houdt mij voor dat de brief die met mijn registratienummer ter verzending was aangeboden, was geadresseerd aan de [a-straat 1] te [plaats] , het adres van de buren van mijn ouders. Ik had de brief naar mijn ouders gestuurd, maar het verkeerde adres opgegeven. 3. Een bevel gevangenhouding van de raadkamer in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht , van 5 januari 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: bevel gevangenhouding van de raadkamer d.d. 05 januari 2023 (artikel 65 en 80 Wetboek van Strafvordering) in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] , inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen: [a-straat 2] , [postcode 1] [plaats] , nu gedetineerd in P.I. [plaats] . Beslissing De rechtbank beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig) dagen. 4. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-202306172-3, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Op vrijdag 24 februari 2023 werd mij verteld dat men vanuit de Penitentiaire Inrichting [plaats] , waar de [verdachte] in bewaring was gesteld, een brief had onderschept bij de uitgaande post: “Hoi met [verdachte] . Luister heel goed. [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) heeft aangifte tegen mij gedan. Ga naar die jongs. Je weet wie. Zeg tegen die jongs. Die man moet gepakt worden. Hij woont in [plaats] en werkt jeugdgevangenis [plaats] . Hij rijdt in zwarte [automerk] . Hij werkt altijd op donderdag ochtend van 7 tot 3. In de ochtend is het beste. Weinig mensen. Het moet goed gedaan worden. Geen bewijs. Mijn neef betaalt jullie. Ik heb jullie hem 1 keer laten zien dus jullie weten wie. Het moet afgelopen zijn met hem. Alle spullen zijn bij mijn neef (...)”. Voorzijde envelop: Retour [b-straat 1] [plaats] [postcode 2] Verzendadres [a-straat 1] [postcode 3] [plaats] Achterzijde envelop: […] Ik heb ook op de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA) gekeken, wie woonachtig is op de [a-straat 1] en [a-straat 2] te [plaats] . Op [a-straat 2] , daar zijn de ouders van [verdachte] woonachtig. Later had ik ook nog telefonisch contact met een medewerker genaamd […] van Ministerie van Justitie Dienst Justitiële Inrichtingen en hoorde hem zeggen dat een tweede brief was aangetroffen. Brief gevonden in zijn cel: “Hoi met [verdachte] . Zeg tegen [benadeelde 1] dat [benadeelde 2] afgemaakt moet worden. Hij heeft aangifte tegen mij gedaan. Door hem zit ik vast. En [benadeelde 3] moet ook verdwijnen. Ze werken in Jeugdgevangenis [plaats] . En [benadeelde 4] moet ook gepakt worden. Hij werkt bij buurtcentrum [stadswijk] . Door hun zit ik vast. Het moet snel gebeuren. Geef deze informatie aan [benadeelde 1] . Het moet snel gebeuren. Alle spullen zijn bij die jong. Die kun je pakken. Die jong vertelt jou hoe je hun kan pakken. Moet snel. Ze moeten hun straf krijgen. Die vieze honden. Niet over de telefoon. Daarom stuur ik een brief. Ze kijken niet zeggen ze. (...)” Voorzijde envelop: [benadeelde 1] [a-straat 2] [postcode 3] [plaats] Achterzijde envelop: PI [plaats] , [b-straat 1] , [verdachte] , […] . 5. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van de voorzijde van de envelop van de brief gericht aan de [a-straat 1] te [plaats] , als bijlage I achter dit arrest gevoegd. 6. Een schriftelijk bescheid, te weten een afdruk van de voorzijde van de envelop van de brief gericht aan de [a-straat 2] te [plaats] , als bijlage II achter dit arrest gevoegd. 7. Een kennisgeving van inbeslagneming, genummerd PL0900-2022376480-13 voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Goednummer: PL0900-2022376480-3092919 Merk/type: Samsung S20 Eigenaar: [verdachte] , [a-straat 2] , [postcode 1] [plaats] . 8. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2022376480-21, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik zag dat er in de chats een WhatsApp bericht was verzonden vanaf de telefoon met goednummer 3092919 op 9 december 2022 om 07.47 uur naar [telefoonnummer] . Ik zag dat dit bericht de volgende inhoud had: “Hoi ik weel graag het vuurwapen kopen wat heb ik daar voor nodige en vergunning alvast bedankt” Ik voerde dit telefoonnummer, [telefoonnummer] , vervolgens in in de zoekmachine Google.com. Ik zag dat het eerste resultaat het contactnummer van een [internetsite] betrof. 9. Een proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2023004642-11, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: Ik zag in de inhoud van de telefoon dat er een gesprek had plaatsgevonden op Snapchat. Ik zag dat [verdachte] , op 17 november 2022, om 09:32 uur, het volgende zei tegen [betrokkene 1] : - “Hee [betrokkene 1] geef even die snap [benadeelde 2] ik weel die man pakken daarom” - “Hij heeft mij verraden” - “Ik moet snel pakke die hond” Ik heb de naam [schrijfwijze 1] , [schrijfwijze 2] , [schrijfwijze 3] en [schrijfwijze 4] ingevoerd als zoekterm op de telefoon van [verdachte] . Ik zag dat hij deze namen meerdere malen heeft gebruikt of gezocht. Ik zag dat de naam ‘ [benadeelde 2] ’ 39 keer voorkomt in de User Dictionary van de telefoon.” 2.2.3 Het hof heeft over de bewezenverklaring verder onder meer overwogen: “Artikel 46a Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt dat de poging om een ander door een van de in artikel 47, eerste lid onder 2, Sr vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, strafbaar is. Artikel 47, eerste lid onder 2, Sr bepaalt dat als daders van een strafbaar feit worden gestraft zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. Kort samengevat is het enkele proberen (pogen) een ander te bewegen tot een strafbaar feit al strafbaar. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in deze zaak geen sprake is van een poging tot uitlokking van moord. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het dossier tegenstrijdige informatie bevat over de vindplaats van de tweede brief en dat daarmee niet wettig en overtuigend bewezen is dat ook deze tweede brief ter verzending was afgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij de brief nog niet had verstuurd en dat hij dit ook niet van plan was. Het enkel schrijven van een brief is naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet dusdanig gericht op het voltooien van het delict dat hier sprake is van een strafbare poging. De inhoud van de eerste brief die is gevonden en die verdachte wel al ter verzending had aangeboden, heeft gelet op de inhoud daarvan niet onmiskenbaar betrekking op het verzoek om [benadeelde 2] te vermoorden en lokt derhalve niet uit tot moord, aldus nog steeds de raadsman. Het hof volgt dit standpunt niet en overweegt hierover het volgende. Omstandigheden rondom het aantreffen van de brieven Op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen constateert het hof dat op 24 februari 2024 een door verdachte geschreven brief in de postkamer van de Penitentiaire Inrichting (hierna P.I.) ter verzending is aangeboden, voorzien van een postzegel en een retouradres. Als geadresseerde stond het adres van de buren van de ouders van verdachte op de brief vermeld. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij had bedoeld deze brief aan zijn ouders te adresseren maar zich heeft vergist. Naar aanleiding van het onderscheppen van deze brief heeft dezelfde dag nadere controle in de P.I. plaatsgevonden. Daarbij is een tweede brief van verdachte aangetroffen. Ook die brief was eveneens klaar voor verzending en was voorzien van een postzegel, een retouradres en op de voorzijde was het adres van verdachtes ouders vermeld. Inhoud van de brieven In de brieven schrijft verdachte (indirect) aan [benadeelde 1] dat [benadeelde 2] afgemaakt moet worden en dat hij ‘gepakt’ moet worden. Verdachte schrijft dat dit snel moest gebeuren en dat er geen bewijs van mag zijn. In zijn brieven geeft verdachte specifieke instructies aan de beoogde uiteindelijke geadresseerde van deze brief, [benadeelde 1] of “die jongs”. Volgens verdachte moet het in de ochtend gebeuren omdat er rond die tijd weinig mensen zijn. Verdachte stelt een betaling in het vooruitzicht om een concrete handeling te verrichten, namelijk het afmaken van [benadeelde 2] . Verder verschaft verdachte in zijn brief concrete informatie over zijn doelwit. Hij geeft aan waar [benadeelde 2] woont, waar hij werkt, op welke tijden hij werkt en in welke auto hij rijdt. Het doen van de belofte dat [benadeelde 1] geld zal krijgen, net als het verschaffen van concrete informatie over het doelwit aan [benadeelde 1] , kunnen naar het oordeel van het hof worden aangemerkt als uitlokkingsmiddel als bedoeld in artikel 47, eerste lid onder 2 Sr. Opzet Naar het oordeel van het hof zijn de door verdachte geschreven brieven er onmiskenbaar op gericht om een ander (namelijk [benadeelde 1] of “die jongs”) uit te lokken om [benadeelde 2] te vermoorden. Uit de omstandigheid dat verdachte twee elkaar opvolgende brieven heeft geschreven, blijkt dat hij volhardend was in zijn wens om [benadeelde 2] te laten vermoorden en dat hij er kennelijk zeker van wilde zijn dat zijn boodschap werd ontvangen. Het hof leidt hieruit af dat verdachte opzet had op (de voltooiing van) het (grond)delict, namelijk het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [benadeelde 2] . Bij de overtuiging van het hof dat verdachte daadwerkelijk voltooiing van het (grond)delict moord voor ogen had, speelt nog het volgende mee. Uit onderzoek naar de telefoon blijkt dat verdachte kort voor zijn aanhouding op het internet heeft geïnformeerd naar het kopen van een vuurwapen. Verdachte heeft daarover ter zitting van het hof verklaard dat hij een balletjespistool wilde kopen. Deze verklaring acht het hof niet geloofwaardig omdat verdachte in een bericht aan de website [internetsite] heeft gevraagd of hij voor het kopen van een vuurwapen een vergunning nodig heeft. Daar komt bij dat op de telefoon van verdachte meerdere zoekopdrachten naar [benadeelde 2] zijn aangetroffen. De naam [benadeelde 2] komt 39 keer voor in de User Dictionary van die telefoon. Verder heeft verdachte vlak voor zijn aanhouding een gesprek gehad met ‘ [betrokkene 1] ’ op Snapchat, waarin hij zegt dat [benadeelde 2] moet worden gepakt omdat hij verdachte heeft verraden. Hieruit maakt het hof op dat het idee dat [benadeelde 2] het moest ontgelden al langere tijd bij verdachte leefde en dat verdachte ook al langer bezig was met de voorbereidingen hiervoor. Gelet op het voorgaande acht het hof de primair ten laste gelegde poging tot uitlokking van moord wettig en overtuigend bewezen.” 2.3.1 De volgende bepalingen zijn van belang. - Artikel 46a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr): “Poging om een ander door een der in artikel 47, eerste lid onder 2e, vermelde middelen te bewegen om een misdrijf te begaan, is strafbaar, met dien verstande dat geen zwaardere straf wordt uitgesproken dan ter zake van poging tot het misdrijf of, indien zodanige poging niet strafbaar is, terzake van het misdrijf zelf kan worden opgelegd.” - Artikel 47 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr: “Als daders van een strafbaar feit worden gestraft: 2°. zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.” 2.3.2 De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 16-332214-22 onder 3 primair is toegesneden op artikel 46a Sr. Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende woorden ‘poging een ander te bewegen’ zijn gebruikt in de betekenis die deze woorden hebben in die bepaling. 2.4 Artikel 46a Sr is opgenomen in Titel IV (“Poging en voorbereiding”) van het Eerste Boek (“Algemene bepalingen”) van het Wetboek van Strafrecht en bevat de strafbaarstelling van ‘poging’ om een ander door een of meer van de in artikel 47 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr genoemde ‘uitlokkingsmiddelen’ te bewegen om een misdrijf te begaan. De in artikel 46a Sr strafbaar gestelde gedraging was tot 1 april 1994 strafbaar gesteld in artikel 134bis (oud) Sr. Artikel 134bis (oud) Sr stelde strafbaar het (door een van de in artikel 47 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr genoemde middelen) een ander trachten te bewegen een misdrijf te begaan. Op de genoemde datum trad in werking de Wet van 27 januari 1994 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht inzake algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen, Stb. 1994, 60. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot die wet houdt onder meer in: “Het werkwoord «pogen» in plaats van «trachten» is des te verkieslijker om eenheid van uitdrukking in de wet te verkrijgen en uit te doen komen dat het hier om een vorm van strafbare poging gaat in de zin van artikel 45, dat dat woord ook behelst.” (Kamerstukken II 1990/91, 22268, nr. 3, p. 21.) 2.5 Het gaat in artikel 46a Sr om tot een ander gerichte gedragingen die er niet toe leiden dat het tot de voorbereiding (als bedoeld in artikel 46 Sr) of een begin van uitvoering (als bedoeld in artikel 45 Sr) komt – door die ander of een derde – van het misdrijf waarop die gedragingen waren gericht. Verder kan mede uit de onder 2.4 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis worden afgeleid dat voor een strafbare poging om een ander te bewegen (tot het begaan van een misdrijf) in de zin van artikel 46a Sr is vereist dat gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het bewegen van een ander door een of meer van de in artikel 47 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr genoemde ‘uitlokkingsmiddelen’. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van dat bewegen. De vraag of sprake is van zulke gedragingen, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Het komt aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarvoor niet worden gegeven. Een belangrijke beoordelingsfactor is daarbij hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van dat bewegen lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. (Vgl., over de strafbaarstelling van poging in de zin van artikel 45 Sr, HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1030, rechtsoverweging 2.4.) 2.6.1 Het hof heeft in zijn bewijsvoering de volgende vaststellingen gedaan. De verdachte heeft als gedetineerde twee brieven geschreven die waren gericht aan en bedoeld voor [benadeelde 1] . Een van de brieven, voorzien van een postzegel en retouradres, is onderschept in de postkamer van de penitentiaire inrichting en was door de verdachte aangeboden om te worden verstuurd. Die brief houdt onder meer in dat [benadeelde 2] aangifte heeft gedaan tegen de verdachte en “gepakt” moet worden, dat het “afgelopen” moet zijn met hem, dat het “goed gedaan” moet worden, dat er geen bewijs moet zijn en dat de neef van de verdachte de geadresseerden betaalt. Verder houdt die brief in dat [benadeelde 2] in [plaats] woont, in de jeugdgevangenis [plaats] werkt, in een zwarte [automerk] rijdt en altijd werkt op donderdagochtend van zeven tot drie: “In de ochtend is het beste. Weinig mensen.” Nadat deze brief was onderschept, is de andere brief – die klaar was voor verzending – aangetroffen in de cel van de verdachte. Die brief houdt onder meer in dat tegen [benadeelde 1] gezegd moet worden dat [benadeelde 2] “afgemaakt moet worden”, dat [benadeelde 2] aangifte heeft gedaan tegen de verdachte en dat de verdachte door hem vastzit. Verder houdt deze brief in dat het snel moet “gebeuren”, dat “die jong” de geadresseerde vertelt hoe onder anderen [benadeelde 2] kan worden gepakt, dat “alle spullen bij die jong zijn” en dat hij die kan pakken, en “niet over de telefoon. Daarom stuur ik een brief.” Kort voor zijn aanhouding heeft de verdachte op het internet geïnformeerd naar het kopen van een vuurwapen. In een bericht aan de [internetsite] heeft hij gevraagd of hij voor het kopen van een vuurwapen een vergunning nodig heeft. Op zijn telefoon zijn meerdere zoekopdrachten naar [benadeelde 2] aangetroffen en de verdachte heeft vlak voor zijn aanhouding een gesprek gehad waarin hij zegt dat [benadeelde 2] moet worden “gepakt” omdat hij de verdachte heeft verraden. 2.6.2 Op grond van deze vaststellingen heeft het hof overwogen dat de verdachte in zijn (in de postkamer onderschepte) brief concrete informatie verschaft over zijn doelwit, door aan te geven waar [benadeelde 2] woont, waar hij werkt, op welke tijden hij werkt en in welke auto hij rijdt. Verder heeft het hof overwogen dat het doen van de belofte dat [benadeelde 1] geld zal krijgen, net als het verschaffen van concrete informatie over het doelwit aan [benadeelde 1] , kunnen worden aangemerkt als uitlokkingsmiddel als bedoeld in artikel 47 lid 1, aanhef en onder 2°, Sr. 2.6.3 Op dit alles heeft het hof zijn oordeel gebaseerd dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de tenlastegelegde “poging tot uitlokking van moord”. In het licht van wat onder 2.5 is vooropgesteld getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel – waarin besloten ligt dat het aan de post aanbieden van de eerste brief met de genoemde inhoud concreet was gericht op het bewegen van de geadresseerde tot, kort gezegd, het vermoorden van [benadeelde 2] , en in tijd dicht bij de voltooiing van dat bewegen lag – is, mede in het licht van de hiervoor weergegeven andere vaststellingen van het hof, toereikend gemotiveerd. 2.7 Het cassatiemiddel faalt. 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en negen maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2026 .