# Raad van State, 26-08-2026 (202406435/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4930
- Date: 2026-08-26
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4930
- Canonical: https://overview.legal/posts/353500

## Summary

Bij besluit van 6 februari 2023 heeft de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen een verzoek om rectificatie van persoonsgegevens afgewezen. [appellante] heeft een rectificatieverzoek ingediend om een rapport van een verzekeringsarts van 15 augustus 2012 aan te passen. Het UWV heeft het rectificatieverzoek afgewezen, omdat niet is gebleken van onjuistheden of onvolledigheden in het rapport. Het rectificatieverzoek heeft het UWV als patiëntverklaring toegevoegd aan het medisch dossier. Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het UWV het besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten. [appellante] betoogt in de kern dat haar rectificatieverzoek beoordeeld had moeten worden door een verzekeringsarts. Dit volgt volgens haar uit artikel 10 van het Reglement Behandeling bezwaarschriften UWV 2022 (het Reglement). Verder blijkt volgens [appellante] uit een medisch rapport uit 2011 dat het rapport van 15 augustus 2012 onjuistheden bevat, wat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend.

## Full text

202406435/1/A3. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 september 2024 in zaak nr. 23/5228 in het geding tussen: [appellante] en de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV). Procesverloop Bij besluit van 6 februari 2023 heeft het UWV een verzoek om rectificatie van persoonsgegevens afgewezen. Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het UWV het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:15565) heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juni 2026, waar [appellante], en het UWV, vertegenwoordigd door mr. J. van Riet, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] heeft een rectificatieverzoek ingediend om een rapport van een verzekeringsarts van 15 augustus 2012 aan te passen. Het gaat volgens haar om een verkeerde weergave van wat zij heeft besproken met de verzekeringsarts, te weten: - dat zij was behandeld met Ritalin en zich erg goed voelt; - dat zij een afspraak heeft met een arts ter evaluatie; - dat zij een personal coach heeft waarmee zij eens in de veertien dagen praat; - dat zij haar als rustig en saai ervaren werk bij CNV zou kunnen voortzetten; - dat zij deze punten besproken heeft met de verzekeringsarts en daarmee akkoord is gegaan. 1.1. Het UWV heeft het rectificatieverzoek afgewezen, omdat niet is gebleken van onjuistheden of onvolledigheden in het rapport. Het rectificatieverzoek heeft het UWV als patiëntverklaring toegevoegd aan het medisch dossier. Bij besluit van 8 juni 2023 heeft het UWV het besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft dat besluit in stand gelaten. Hoger beroep 2. [appellante] betoogt in de kern dat haar rectificatieverzoek beoordeeld had moeten worden door een verzekeringsarts. Dit volgt volgens haar uit artikel 10 van het Reglement Behandeling bezwaarschriften UWV 2022 (het Reglement). Verder blijkt volgens [appellante] uit een medisch rapport uit 2011 dat het rapport van 15 augustus 2012 onjuistheden bevat, wat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend. De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluiten van 6 februari 2023 en 8 juni 2023 bevoegdelijk zijn genomen, heeft [appellante] op de zitting ingetrokken. Deze behoeft daarom geen bespreking meer. Beoordeling hoger beroep 3. De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daaraan wordt het volgende toegevoegd. 3.1. Artikel 16 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geeft de betrokkene het recht tot correctie of aanvulling als persoonsgegevens onjuist of onvolledig zijn. Deze onjuistheden moeten eenvoudig en objectief zijn vast te stellen. Bovendien is het recht tot rectificatie niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5083. Het recht op rectificatie houdt ook geen recht in op aanvulling van documenten. Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2642. 3.2. Op de zitting is gebleken dat het [appellante] er voornamelijk om te doen is dat een verzekeringsarts naar aanleiding van haar rectificatieverzoek op grond van het bepaalde in artikel 10 van het Reglement inhoudelijk had moeten beoordelen of de medische aspecten in het rapport van 15 augustus 2012 juist zijn. Op grond van dat artikel vindt de beoordeling van de medische aspecten van het bezwaar plaats door een verzekeringsarts Bezwaar en Beroep die niet bij de voorbereiding van de bestreden beschikking betrokken is. Maar in dit geval gaat het om een gespreksverslag van een verzekeringsarts, waarin de arts heeft weergegeven wat volgens hem is besproken met - en gezegd door [appellante]. Deze weergave van het gesprek heeft [appellante] niet concreet gemotiveerd betwist. Op zitting heeft [appellante] ook erkend dat zij zich dit gesprek niet meer precies kan herinneren na zoveel jaren. Dat betekent dat het gespreksverslag niet voor rectificatie in aanmerking komt, omdat het recht tot rectificatie niet bedoeld is om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen (zie de onder 3.1 genoemde uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025). 3.3. Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat het UWV het rectificatieverzoek op goede gronden heeft afgewezen. Conclusie 4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. 5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier. w.g. Lange lid van de enkelvoudige kamer w.g. Langeveld griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 317-1146

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353500 · 2026-08-27
