# Raad van State, 26-08-2026 (202406541/1/A3)

- Type: Case Law
- Source: Raad van State
- Identifier: ECLI:NL:RVS:2026:4986
- Date: 2026-08-26
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARVS%3A2026%3A4986
- Canonical: https://overview.legal/posts/353501

## Summary

Bij besluit van 10 januari 2023 heeft de minister van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om inzage in zijn Passenger Name Records (PNR-gegevens) toegewezen. [appellant] ondervindt problemen bij het reizen naar het buitenland. Zo is hem meerdere keren de toegang tot Turkije geweigerd, waardoor hij zijn schoonfamilie niet kan bezoeken. [appellant] wil weten wat de rol is van de Nederlandse overheid in deze. Daarom heeft hij op 21 december 2022 op grond van artikel 25 van de Wet Politiegegevens verzocht om inzage in zijn PNR-gegevens. De minister heeft dit verzoek toegewezen en heeft hem een overzicht verstrekt van de registraties en meldingen waarin zijn gegevens door de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL) zijn verwerkt. Daarbij heeft de minister te kennen gegeven dat uit de registers blijkt dat de PNR-gegevens van [appellant] niet aan andere bevoegde instanties zijn verstrekt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan het verzoek van [appellant]. Volgens de rechtbank heeft de minister voldoende toegelicht op welke wijze en met welke gegevens is gezocht in het systeem. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit zorgvuldig is genomen.

## Full text

202406541/1/A3. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 september 2024 in zaak nr. 23/1419 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 10 januari 2023 heeft de minister het verzoek van [appellant] om inzage in zijn Passenger Name Records (PNR-gegevens) toegewezen. Bij uitspraak van 6 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 22 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.R. Vennegoor en mr. W. Peper, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] ondervindt problemen bij het reizen naar het buitenland. Zo is hem meerdere keren de toegang tot Turkije geweigerd, waardoor hij zijn schoonfamilie niet kan bezoeken. [appellant] wil weten wat de rol is van de Nederlandse overheid in deze. Daarom heeft hij op 21 december 2022 op grond van artikel 25 van de Wet Politiegegevens (Wpg) verzocht om inzage in zijn PNR-gegevens. De minister heeft dit verzoek toegewezen en heeft hem een overzicht verstrekt van de registraties en meldingen waarin zijn gegevens door de Passagiersinformatie-eenheid Nederland (Pi-NL) zijn verwerkt. Daarbij heeft de minister te kennen gegeven dat uit de registers blijkt dat de PNR-gegevens van [appellant] niet aan andere bevoegde instanties zijn verstrekt. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister heeft voldaan aan het verzoek van [appellant]. Volgens de rechtbank heeft de minister voldoende toegelicht op welke wijze en met welke gegevens is gezocht in het systeem. Gelet op de omvang van de zoekslag en de uitgebreide toelichting hierop acht de rechtbank het geloofwaardig dat de minister niet over meer PNR-gegevens van [appellant] beschikt. Ook aan de hand van de in beroep aangeleverde gegevens zijn door de minister geen andere resultaten in het systeem teruggevonden dan de bij het besluit verstrekte informatie. Weliswaar zijn de PNR-gegevens van één vlucht van [appellant] van na de inwerkingtreding van de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (PNR-wet) niet in het overzicht terugvinden, maar niet is gebleken dat de minister ten onrechte die gegevens niet heeft verstrekt. Zowel bij de eerste zoekslag als de in beroep uitgevoerde nadere zoekslag zijn deze gegevens niet naar voren gekomen. De rechtbank volgt de toelichting van de minister dat gemaakte fouten bij de omzetting van de Richtlijn (EU) 2016/681 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 over het gebruik van persoonsgegevens van passagiers voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit (PNR-richtlijn) naar de PNR-wet er mogelijk toe hebben geleid dat met betrekking tot deze vlucht geen PNR-gegevens van [appellant] zijn verwerkt. De rechtbank komt tot de conclusie dat het besluit van de minister voldoende is gemotiveerd en zorgvuldig is genomen. Wettelijk kader 3. Artikel 17 van de PNR-wet luidt: "Op de verwerking van persoonsgegevens door de Passagiersinformatie-eenheid zijn de artikelen 1, 4 tot en met 4c, 6, 6a, 6c, 7, 17, 24a tot en met 31c, 33 tot en met 33b en 35 tot en met 35c van de Wet politiegegevens van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat Onze Minister voor de Passagiersinformatie-eenheid wordt aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke". Artikel 25 van de Wpg luidt, voor zover van belang: "1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over: a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking; b. de betrokken categorieën van politiegegevens; c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties; d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; […] g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens. […]". Belang bij inhoudelijke behandeling van het hoger beroep 4. De minister heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat [appellant] geen procesbelang heeft omdat hij al inzage heeft gekregen in al zijn verwerkte PNR-gegevens. Volgens de minister zit het belang ogenschijnlijk in het verkrijgen van een vergoeding van de proceskosten en griffierechten. 4.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Als het door de appellant gestelde belang uitsluitend bestaat uit het uitspreken van een proceskostenvergoeding voor het ingestelde rechtsmiddel en/of een vergoeding van het betaalde griffierecht, betekent dat niet dat belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. 4.2. Het hogerberoepschrift van [appellant] bevat inhoudelijke gronden. Anders dan de minister heeft gesteld, heeft [appellant] procesbelang bij zijn hoger beroep omdat hij daarmee wil bereiken dat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en dat hij onder meer inzage krijgt in nog meer PNR-gegevens. Daarom heeft [appellant] belang bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Beoordeling van het hoger beroep 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit zorgvuldig is genomen. Volgens hem staat op de website van de Rijksoverheid onvoldoende informatie over het indienen van een verzoek om PNR-gegevens. De minister heeft pas in beroep om nadere informatie gevraagd, op basis waarvan een nieuwe zoekslag heeft plaatsgevonden. Alleen al hieruit volgt volgens [appellant] dat de eerste zoekslag niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook vindt [appellant] dat de rechtbank zijn beroep gegrond had moeten verklaren omdat niet aan hem te wijten is dat er fouten zijn gemaakt bij de omzetting van de PNR-richtlijn naar de PNR-wet waardoor zijn PNR-gegevens wat betreft één vlucht niet zijn verwerkt. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit van de minister voldoende is gemotiveerd. Volgens [appellant] heeft de minister de zoekslag in het besluit van 10 januari 2023 onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Uit het besluit volgt immers niet hoe de minister de zoekslag heeft uitgevoerd, aldus [appellant]. 6. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:232, geldt ook in Wpg-zaken dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde persoonsgegevens niet of niet meer bij hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om persoonsgegevens verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, die persoonsgegevens toch onder het bestuursorgaan berusten. Omdat uit artikel 17 van de PNR-wet volgt dat de Wpg van overeenkomstige toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens door Pi-NL, geldt het bovenstaande eveneens in deze zaak. 6.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft de minister toegelicht dat de aangeleverde PNR-gegevens worden verwerkt in één digitaal systeem. Op de website staan de gegevens die een verzoeker moet overleggen zodat de minister het inzageverzoek in behandeling kan nemen en de zoekslag kan verrichten. Daarbij staat het de verzoeker vrij om zelf meer informatie en nadere context te verstrekken ten behoeve van het vergemakkelijken of specificeren van de zoekslag. Op basis van de door [appellant] overgelegde gegevens heeft de minister de zoekslag uitgevoerd en aan [appellant] een overzicht verstrekt van de registraties en meldingen in het systeem. Vervolgens heeft [appellant] laten weten dat er één vlucht is die niet in het overzicht voorkomt. De minister heeft naar aanleiding daarvan opnieuw een zoekslag verricht. Daar zijn geen nieuwe PNR-gegevens uit naar voren gekomen. Een mogelijke verklaring is volgens de minister dat de door [appellant] genoemde vlucht een maand na de inwerkingtreding van de PNR-wet was en er fouten zijn gemaakt bij de omzetting van de PNR-richtlijn naar de PNR-wet waardoor deze vlucht van [appellant] niet in het systeem is verwerkt. Uit de uitspraak van de rechtbank volgt dat de minister tijdens de beroepsfase van deze zaak nogmaals een zoekslag heeft verricht aan de hand van door [appellant] verstrekte aanvullende informatie. Op de zitting bij de Afdeling heeft de minister laten weten dat hij deze zoekslag uit coulance heeft verricht waarbij hij ervan uitging dat deze zoekslag geen nieuwe resultaten zou opleveren. Ook uit deze zoekslag zijn geen nieuwe PNR-gegevens naar voren gekomen. 6.2. De Afdeling is van oordeel dat het besluit zorgvuldig is genomen. De Afdeling volgt de overweging van de rechtbank dat [appellant] in zijn verzoek de nodige informatie had doorgegeven en het verzoek geen aanleiding gaf voor de minister om nadere informatie op te vragen. Uit de nadere zoekslagen met aanvullende informatie zijn geen nieuwe PNR-gegevens naar voren gekomen en de laatste zoekslag is op verzoek van de rechtbank én uit coulance verricht. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van de zoekslagen door de minister, toch meer PNR-gegevens onder de minister berusten. Wat er ook zij van de fouten die volgens de minister zijn gemaakt bij de omzetting van de PNR-richtlijn naar de PNR-wet waardoor PNR-gegevens van [appellant] mogelijk niet zijn verwerkt, dat maakt niet dat de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond had moeten verklaren. Immers, de minister kan geen inzage geven in PNR-gegevens die hij niet heeft. 6.3. Verder is de Afdeling van oordeel dat het besluit van de minister voldoende is gemotiveerd. In het besluit van 10 januari 2023 heeft de minister opgenomen dat de bestanden van Pi-NL zijn geraadpleegd en dat uit de registers blijkt dat de PNR-gegevens van [appellant] niet zijn verstrekt aan andere bevoegde instanties. Weliswaar is deze motivering over de zoekslag summier, maar gelet op de omstandigheden dat de PNR-gegevens in één systeem worden verwerkt, er voldoende gegevens zijn aangeleverd waarop in het systeem kan worden gezocht en er naderhand niet meer PNR-gegevens naar voren zijn gekomen, heeft de minister met deze motivering voldoende inzichtelijk gemaakt hoe de zoekslag is uitgevoerd. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. 6.4. Het betoog slaagt niet. Slotsom 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier. w.g. Den Ouden voorzitter w.g. Singh griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 990

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353501 · 2026-08-27
