Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:24097 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 04-08-2026 (NL26.42039)

Rechtbank Den Haag
Summary

bewaring, kennisgeving, bewaringsgronden, lichter middel, ongegrond.

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.42039 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Ludwig). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Verweerder hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. 1.2. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving: Vw: Vreemdelingenwet 2000 Vb: Vreemdelingenbesluit 2000 Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 24 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 30 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. van Beek-Nikitina als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. 3.1. Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde . De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. 3.2. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring . De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. 4.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat of een aan hem verstrekt visum voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor dit is verleend; k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen? 4.2. Eiser betwist de gronden a, d, k, p, r en s. Hij stelt dat hij ten tijde van zijn reis beschikte over een geldig rijbewijs en een kopie van zijn paspoort, omdat zijn originele paspoort door de autoriteiten was ingenomen. Bovendien had hij een visum waarmee hij Polen binnenkwam, wat hem het recht gaf om zich binnen het Schengengebied te verplaatsen. Verweerder heeft nagelaten dit nader te onderzoeken en zonder verdere toelichting geconcludeerd dat eiser niet rechtmatig Nederland is ingereisd. Hierdoor is de motivering van grond a volgens eiser onvoldoende. Verder heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiser bewust onjuiste of tegenstrijdige persoonsgegevens heeft verstrekt. Eiser verklaart dat hij uit veiligheidsoverwegingen verschillende namen gebruikte, waaronder de getrouwde naam van zijn echtgenote. Er was geen opzet om de Nederlandse autoriteiten te misleiden of om een procedureel voordeel te behalen. Bovendien heeft eiser in Nederland zijn identiteit en nationaliteit direct aangetoond met zijn rijbewijs. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende meegewogen en zonder nadere motivering geconcludeerd dat er sprake was van bewuste misleiding (grond d). Daarnaast stelt verweerder ten onrechte dat eiser niet meewerkt aan zijn overdracht. Omdat eiser niet op de hoogte was van de uitnodigingen voor vertrekgesprekken kan zijn afwezigheid niet aan hem worden tegengeworpen. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling gaf eiser aan eerst overleg te willen met zijn advocaat en behandelend psychiater voordat hij zou beslissen over zijn (de rechtbank begrijpt) medewerking aan een overdracht aan Duitsland. Ook kende hij de inhoud van het overdrachtsbesluit niet. Dit wijst niet op weigering tot medewerking (grond k). Verweerder baseert ook ten onrechte de maatregel op het niet naleven van de verplichtingen uit hoofdstuk 4 van het Vb, hoofdzakelijk omdat eiser geen geldig grensoverschrijdingsdocument zou hebben. Eiser gaf aan dat zijn paspoort was ingenomen, waardoor hij feitelijk niet over het originele document beschikte. Hij had wel een kopie van het paspoort en een rijbewijs waarmee zijn identiteit kon worden vastgesteld. Dit betekent dat niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat hij zijn wettelijke verplichtingen niet is nagekomen of dat er een significant risico op onderduiken bestaat (grond p). Verder stelde verweerder dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hoewel eiser in een COA-opvanglocatie verbleef, was zijn verblijfplaats tijdens de asielprocedure bekend bij de Nederlandse autoriteiten. Hij verbleef op een door de overheid aangewezen opvanglocatie en was daardoor altijd traceerbaar. Dat een COA-opvanglocatie volgens vaste jurisprudentie niet automatisch een vaste woon- of verblijfplaats is, betekent niet dat er automatisch sprake is van een significant risico op onderduiken (grond r). Tot slot heeft verweerder ten onrechte aangevoerd dat eiser niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Eiser verbleef rechtmatig in opvang van het COA en voorzag via deze opvang in zijn levensonderhoud. Het afhankelijk zijn van verstrekkingen van het COA is inherent aan zijn positie als asielzoeker en kan niet zomaar worden gezien als een aanwijzing voor een risico op het onttrekken aan toezicht. Verweerder heeft niet toegelicht waarom deze omstandigheid in dit specifieke geval zou bijdragen aan een significant risico op onderduiken (grond s). 4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder mag grond a aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Eiser heeft verklaard dat hij bij zijn binnenkomst in Nederland niet beschikte over een geldig reisdocument (paspoort mét visum). Daarmee is hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland ingereisd. Ook mag verweerder de gronden r en s aanvoeren, omdat deze feitelijk juist zijn en voldoende gemotiveerd is waarom hieruit een risico op onderduiken volgt. Eiser staat niet ingeschreven in de BRP en heeft dus in dat kader geen verplichtingen ten aanzien van zijn verblijfplaats, verblijft op een COA-locatie en is afhankelijk van het leefgeld van die opvang. Daarnaast kan de niet bestreden grond q aan eiser worden tegengeworpen. Eiser heeft twee asielaanvragen in Nederland gedaan, maar geen van beide heeft geleid tot een verblijfsvergunning. De eerste procedure eindigde doordat eiser op basis van een overdrachtsbesluit van 9 juli 2019 werd overgedragen aan de Duitse autoriteiten. Bij besluit van 30 juni 2026 is eisers tweede asielaanvraag niet in behandeling genomen. Eiser moet opnieuw worden overgedragen aan Duitsland. De gronden a, q, r en s zijn feitelijk juist, en waar nodig is het (significante) onderduikrisico voldoende toegelicht, wat voldoende is om de maatregel te rechtvaardigen. Daarom gaat de rechtbank niet in op de betwisting van de overige gronden. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel? 5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat hij al geruime tijd psychische klachten heeft en onder behandeling is van een psychiater via de GZA. Gezien deze medische omstandigheden had verweerder moeten onderzoeken of voortzetting van het verblijf in de GZA, eventueel in combinatie met een meldplicht of andere toezichtmaatregelen een afdoende en minder ingrijpend alternatief vormde dan vreemdelingenbewaring. Uit de maatregel blijkt niet dat verweerder dit daadwerkelijk heeft gedaan en een verwijzing naar de medische zorg in het detentiecentrum is volgens eiser onvoldoende. Omdat eiser psychische klachten heeft, onder behandeling is en eerst overleg wilde met zijn advocaat en psychiater voordat hij beslissingen over zijn medewerking aan een overdracht nam, gold voor verweerder een strengere motiveringsplicht. Aan deze plicht is niet voldaan. 5.1. Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. 5.2. Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Uit deze gronden, die terecht aan eiser zijn tegengeworpen, volgt dat er een risico op onderduiken bestaat. 5.3. Verweerder is op de hoogte van de psychische problemen van eiser en heeft deze in de maatregel afdoende betrokken. Verweerder heeft nog toegelicht dat de geplande overdracht aan Duitsland op 31 juli 2026 is geannuleerd vanwege de verwarde indruk die eiser tijdens het vertrekgesprek op 28 juli 2026 maakte. Naar aanleiding daarvan heeft de regievoerder besloten dat er voor de overdracht medische escorts moeten worden geregeld. Een nieuwe overdracht met medische begeleiding is aangevraagd voor 19 augustus 2026. Hoewel de rechtbank erkent dat eiser psychische problemen heeft, zijn er op dit moment geen omstandigheden genoemd die maken dat de bewaring niet langer kan voortduren. Verweerder heeft daarbij in de maatregel en tijdens de zitting terecht meegewogen dat de gezondheidszorg in detentie gelijkwaardig is aan die buiten de detentie en dat er ook gespecialiseerde zorg aanwezig is. 5.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gekozen om eiser in vreemdelingenbewaring te stellen in plaats van een lichter middel, om te voorkomen dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht en zijn illegale verblijf voortzet. De beroepsgrond dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vreemdelingenbewaring slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening. Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi). Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.