# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-06-2026 (C/02/446243 FA RK 26/1448)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6894
- Date: 2026-06-25
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6894
- Canonical: https://overview.legal/posts/353514

## Summary

Provisionele voorziening. Doorverwijzing UHA ten behoeve van reeds aanhangig gemaakte bodemprocedure. Voorlopige zorgregeling vastgesteld. Verzoeken tot toevertrouwing afgewezen. Door ppn zijn afspraken gemaakt over de kinderbijdrage.

## Full text

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Middelburg Zaaknummer: C/02/446243 FA RK 26/1448 beschikking d.d. 25 juni 2026 betreffende provisionele voorziening ex artikel 223 Rv in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats 1] , hierna te noemen de vrouw, advocaat mr. A.L. Slager te Goes, en [de man] , wonende te [woonplaats 2] , hierna te noemen de man, advocaat mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd. 1 Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het op 13 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen; - het op 29 mei 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen; - de brief d.d. 29 mei 2026 van mr. Slager met bijlage; - het F9-formulier d.d. 2 juni 2026 van mr. Baas met bijlage; - het F9-formulier d.d. 4 juni 2026 van mr. Slager met bijlage. 1.2 Bij voormeld verzoekschrift is (ook) de hoofdzaak aanhangig gemaakt, welke procedure bij de rechtbank geregistreerd staat onder kenmerk C/02/446248 FA RK 26/1451. In de hoofdzaak liggen de verzoeken hoofdverblijf, zorgregeling en kinderbijdrage ter beoordeling voor. 1.3 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 11 juni 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat en voorts was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Voor de vrouw was nog aanwezig mevrouw [persoon] , tolk in de Marokkaanse taal. Mr. Slager heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnota. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. 2.2. Uit hun relatie is het volgende thans nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024. 2.3. De minderjarige is op 12 december 2023 door de man erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige. 2.4. De minderjarige staat op het adres van de man ingeschreven. 2.5. De man en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit, de vrouw de Marokkaanse. 3 De verzoeken 3.1. De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: te bepalen dat de minderjarige aan haar wordt toevertrouwd; te bepalen dat in het kader van de zorgregeling de minderjarige bij de man zal verblijven gedurende twee weekenden per maand achtereenvolgend dat de man thuis is van zijn werk van vrijdagmiddag tot en met zondagmiddag 17.00 uur alsmede beide woensdagen in die twee weken, danwel een zodanige zorgregeling die de rechtbank in het belang van de minderjarige acht; een door de man aan de vrouw te betalen (voorlopige) kinderbijdrage vast te stellen van € 738,75 per maand te voldoen totdat in de bodemprocedure is beslist, met ingang van 10 november 2025, danwel met ingang van de datum van indiening van dit verzoek danwel een zodanige in goede justitie te bepalen bijdrage en ingangsdatum. 3.2. De man vraagt de vrouw in haar verzoeken niet ontvankelijk te verklaren althans deze af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek vraagt de man: - te bepalen dat de minderjarige aan de man wordt toevertrouwd; - te bepalen dat in het kader van de zorgregeling de minderjarige 13 achtereen-volgende dagen bij de man zal verblijven en 15 achtereenvolgende dagen bij de vrouw overeenkomstig met het werkrooster van de man, waarbij de man de minderjarige op dinsdag om 16.00 uur naar de vrouw brengt en woensdag om 16.00 uur bij de vrouw ophaalt. 4 De beoordeling 4.1. Vanwege de nationaliteit van de vrouw heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld en is daarbij van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken. 4.2. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533). 4.3. Naar het oordeel van de rechtbank hangen onderhavige verzoeken samen met de verzoeken in de hoofdzaak, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoeken. Zorgregeling en toevertrouwing 4.4. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen en de Raad gesproken over de huidige stand van zaken. Gebleken is dat partijen sinds langere tijd een co-ouderschapsregeling uitvoeren volgens een schema waarbij de man de minderjarige op dinsdag om 16.00 uur naar de vrouw brengt en waar hij 15 achtereenvolgende dagen verblijft, waarna de man de minderjarige op woensdag om 16.00 uur bij de vrouw ophaalt en hij vervolgens 13 achtereenvolgende dagen bij de man verblijft. Deze regeling hebben partijen afgesproken onder leiding van het SMWO op het moment dat partijen nog samen in de woning van de man verbleven. 4.5. De vrouw voert ter onderbouwing van haar verzoeken omtrent de zorgregeling en de toevertrouwing van de minderjarige, kort samengevat, het volgende aan. Nu zij sinds september 2025 niet meer in de woning van de man verblijft, maar in de noodopvang van het Leger des Heils, is de huidige zorgregeling niet meer in het belang van de minderjarige. Deze regeling is, gelet op de leeftijd van de minderjarige, schadelijk voor hem vanwege het langdurig ontbreken van contact tussen haar en de minderjarige op het moment waarop de minderjarige dertien aaneengesloten nachten bij de man verblijft. Voorheen was de vrouw dan ook op de achtergrond aanwezig in de woning, maar dat is nu niet meer het geval. Zij wijst daarbij op de adviezen van de gedragswetenschapper en de ambulant persoonlijk begeleider van het Leger des Heils waaruit dit ook volgt en voorts naar het verslag van het SMWO waaruit volgt dat ook de GGD heeft aangegeven dat de minderjarige te lang van beide ouders gescheiden is. De vrouw spreekt wel Nederlands met de minderjarige; zij leren samen woordjes. Verder voert de vrouw aan dat zij in een versneld traject met de woningbouw zit waardoor zij naar verwachting binnen 4 à 5 maanden zal beschikken over zelfstandige woonruimte in [woonplaats 1] . De vrouw staat niet negatief tegenover kinderopvang, maar het kost haar teveel tijd om de minderjarige met de trein vanuit [woonplaats 1] naar de opvang in [woonplaats 2] te brengen en op te halen. Zij heeft de minderjarige ingeschreven bij de kinderopvang in [woonplaats 1] ; dat acht zij meer in het belang van de minderjarige. Hij staat daar nu op de wachtlijst. De vrouw is vanaf de geboorte van de minderjarige de hoofdverzorger van de minderjarige geweest. Zij was altijd thuis voor de minderjarige terwijl de man ook toen al voor zijn werk op zee was; hij was doorgaans 3 weken van huis en 1 week thuis. De man is ook niet altijd goed bereikbaar op zee. De vrouw kan het aanspreekpunt zijn voor instanties. De vrouw zal in het geval de minderjarige aan haar wordt toevertrouwd een bijstandsuitkering voor een alleenstaande ouder in plaats van een alleenstaande ontvangen, dat komt de minderjarige ten goede. Ook kan zij dan in aanmerking komen voor kinderbijslag vanuit [plaats] en ook voor het kindgebonden budget. 4.6. De man voert verweer tegen de door de vrouw verzochte zorgregeling en toevertrouwing en verzoekt bij wege van zelfstandig verzoek de huidige zorgregeling vast te leggen en de minderjarige aan hem toe te vertrouwen. Hij voert hiertoe, samengevat, het volgende aan. De huidige regeling loopt nu een jaar. De man erkent dat de huidige regeling voor de minderjarige, gelet op zijn leeftijd, meebrengt dat hij gedurende een lange periode één van zijn ouders niet ziet. De door de vrouw voorgestelde regeling is niet in het belang van de minderjarige; de minderjarige ziet de man dan veel minder dan thans het geval is. Met het werk van de man, hij werkt op de binnenvaart twee weken op en twee weken af, moet rekening worden gehouden. Het is belangrijk dat er gelijkwaardig contact tussen de minderjarige en de man en de vrouw is. De huidige overeengekomen regeling dient niet te worden gewijzigd nu er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. De vrouw verblijft bij het Leger des Heils. Zij heeft (nog) geen zelfstandige woonruimte. De man vindt het niet in het belang van de minderjarige als hij daar een groter deel van zijn leven verblijft dan bij de man thuis; de woonruimte bij het Leger des Heils moet worden gedeeld met anderen en is minder geschikt voor de minderjarige. De man heeft bewijs waaruit volgt dat de vrouw niet reageert op stukken vanuit instanties. De vrouw spreekt alleen Marokkaans met de minderjarige. De minderjarige heeft nu een taalachterstand en met de GGD heeft de man afgesproken dat de minderjarige 4 dagdelen in de week naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] gaat. Dat doet hij nu ook als hij bij de man is, maar als hij bij de vrouw is dan gaat de minderjarige niet naar de peuterspeelzaal, omdat de vrouw hem gewoonweg niet brengt. Als de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd dan kan hij niet meer naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] en voor de opvang in [woonplaats 1] is een wachtlijst. De vrouw voert alleen financiële redenen aan voor een toevertrouwing van de minderjarige aan haar, terwijl zij op dit moment de minderjarige niet alle zorg kan bieden die hij nodig heeft. Nu de vrouw niet op zichzelf woont, maar bij het Leger des Heils is het überhaupt de vraag of zij kinderbijslag en kindgebonden budget kan krijgen. Kinderbijslag ontvangt de man uit [plaats] . De man betaalt nu de kinderbijslag en het kindgebonden budget (hetgeen hij zelf niet ontvangt) aan de vrouw. De man geeft aan dat de communicatie tussen partijen niet loopt en hij graag met de vrouw een communicatietraject volgen ook in de hoop om tot een ouderschapsplan te komen. 4.7. Namens de Raad is tijdens de zitting het volgende aangevoerd. De Raad vindt het voor de minderjarige belangrijk dat er duidelijkheid komt tussen partijen en ook over de peuterspeelzaal. Het is verwarrend voor de minderjarige dat hij nu 2 weken wel naar de peuterspeelzaal gaat en vervolgens 2 weken niet. Het is voor de minderjarige belangrijk dat er structuur en voorspelbaarheid is. Partijen moeten goed communiceren over de minderjarige en een goed gaan samenwerken. Dit moet begeleid worden door hulpverlening; via het Uniform Hulpaanbod of partijen moeten zich hiervoor aanmelden bij de gemeente. Ten aanzien van de toevertrouwing zijn door de vrouw alleen financiële redenen aangevoerd. De Raad ziet verder niet dat het in het belang van de minderjarige is om nu een wijziging in de situatie aan te brengen en hem aan de vrouw toe te vertrouwen. De verblijfplaats van de vrouw is nu tijdelijk terwijl de man de vastigheid van een eigen woning kan bieden en bereid is om de vrouw financieel te ondersteunen waarmee de financiële argumenten van de vrouw komen te vervallen. De Raad adviseert om geen wijzigingen in de huidige situatie aan te brengen en de minderjarige aan de man toe te vertrouwen. Voor wat betreft de zorgregeling ondersteunt de Raad het advies van de gedragsdeskundige in die zin dat gedurende de periode waarin de minderjarige bij de man verblijft, de vrouw en de minderjarige elkaar bijvoorbeeld op de woensdag zien. Het advies van de Raad is dat de huidige zorgregeling blijft gehandhaafd, maar dat op de woensdag waarop de minderjarige bij de man is, de vrouw en de minderjarige contact hebben op de woensdag van 9.00 uur tot 17.00 uur waarbij de man de minderjarige naar de vrouw brengt. Mogelijk is het, gezien de reisbewegingen, beter als de minderjarige in de weken waarin hij bij de vrouw is, in plaats van vier ochtenden, twee of drie ochtenden naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] gaat. Anders zijn het wel heel veel wisselingen voor hem. Het is in ieder geval belangrijk dat de minderjarige alle weken naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] gaat nu er daar voor hem plek is en nu nog niet duidelijk is wanneer er voor hem plek op de peuterspeelzaal in [woonplaats 1] komt. Uniform Hulpaanbod 4.8. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat partijen niet met elkaar communiceren en dat zij geen goede samenwerking hebben met betrekking tot de minderjarige. Het lukt hen nog niet om als ouders samen de communicatieproblemen tussen hen op te lossen. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarig kind een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarig kind voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De verwijzing heeft op 16 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 4.9. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; - het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund. 4.10. Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten: - de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind; (keuze: lichte systeemgerichte interventie); - het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; - er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie). De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt. 4.11. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/446248 FA RK 26/1451. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op de familiekamerroldatum 15 december 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 4.12. Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het kind. 4.13. Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten. 4.14. Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten. 4.15. Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder zaak- /rekestnummer C/02/446248 FA RK 26/1451 een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen: - welke hoofdverblijfplaats komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige? - welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige? - welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden? 4.16. Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht. 4.17. Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop. 4.18. De ouders zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage 2). Zij hebben met het delen van de persoonsgegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd. Voorlopige zorgregeling 4.19. De rechtbank zal conform het Raadsadvies, dat zij onderschrijft en met welk advies de man heeft ingestemd en waartegen de vrouw geen verweer meer heeft gevoerd, in het kader van onderhavige procedure een voorlopige zorgregeling vastleggen waarbij de minderjarige 13 achtereenvolgende dagen bij de man zal verblijven (met uitzondering van de daarin vallende woensdag) en vervolgens 15 achtereenvolgende dagen bij de vrouw, met in achtneming van het werkrooster van de man, waarbij de man de minderjarige op dinsdag om 16.00 uur naar de vrouw brengt en de man de minderjarige 15 dagen daarna op de woensdag om 16.00 uur bij de vrouw ophaalt. Op de woensdag midden in de 13 dagen waarin de minderjarige bij de man verblijft, zal de minderjarige bij de vrouw verblijven van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man de minderjarige naar de vrouw brengt en daar weer ophaalt. Tijdens de zitting hebben partijen de afspraak gemaakt dat de minderjarige in de weken waarin hij bij de man is op de maandag-, dinsdag-, donderdag- en vrijdagochtend naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] blijft gaan en dat de minderjarige in de weken waarin hij bij de vrouw verblijft op de dinsdag- en donderdagochtend naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] gaat. De vrouw zal de minderjarige op die dagen naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] brengen en weer ophalen, waarbij de man de treinkaartjes voor die reis betaalt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze afspraak naleven. Het meer of anders verzochte omtrent de zorgregeling wordt afgewezen. Toevertrouwing 4.20. De rechtbank zal de over en weer gedane verzoeken van partijen tot toevertrouwing van de minderjarige afwijzen. Daartoe wordt als volgt overwogen. Vaststaat dat de minderjarige thans op het adres van de man staat ingeschreven. Gesteld noch gebleken is dat dat op dit moment tot problemen leidt. Weliswaar brengt de minderjarige gezien de vast te leggen voorlopige zorgregeling meer tijd door bij de vrouw dan bij de man; de vrouw verblijft op dit moment bij het Leger des Heils en heeft nog geen vaste verblijfplaats. De man heeft wel een vaste verblijfplaats maar vaart en is daardoor twee weken van huis en twee weken thuis. Onder die omstandigheden en nu partijen afspraken hebben gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage - zoals hierna onder r.o. 4.21. wordt overwogen - acht de rechtbank het thans niet in het belang van de minderjarige om hem aan één van partijen toe te vertrouwen. Derhalve zal de huidige situatie waarbij de minderjarige ingeschreven staat op het adres van de man gehandhaafd blijven. Partijen dienen nu te trachten met de hulpverlening in het kader van het UHA in onderling overleg te komen tot afspraken over een definitieve zorgregeling en het hoofdverblijf van de minderjarige. Kinderbijdrage 4.21. Tijdens de zitting is het verzoek van de vrouw en zijn de standpunten van partijen met betrekking tot de kinderbijdrage besproken. Vervolgens is de zitting enige tijd geschorst om partijen en hun advocaten in de gelegenheid te stellen in onderling overleg tot afspraken te komen. Na hervatting van de zitting hebben partijen te kennen gegeven dat zij in het kader van onderhavige procedure afspraken hebben gemaakt als volgt: de man gaat met ingang van heden aan de vrouw een kinderbijdrage van € 375,= per maand betalen en betaalt daarnaast de treinkaartjes ten behoeve van de reis (heen- en terugreis) van de vrouw met de minderjarige naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] op de dinsdag en de donderdag in de weken waarin de minderjarige in het kader van de zorgregeling bij de vrouw verblijft. De rechtbank zal overeenkomstig de overeenstemming van partijen beslissen. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. verwijst ouders en hun minderjarig kind voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder; 5.2. verzoekt het loket om uiterlijk op de familiekamerrrol van 15 december 2026, of zoveel eerder als mogelijk is, in de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/446248 FA RK 26/1451 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen; 5.3. verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad; 5.4. verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten; 5.5. verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/446248 FA RK 26/1451 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in r.o. 4.15. opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren; 5.6. verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen. 5.7. bepaalt uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat partijen en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt: de minderjarige zal 13 achtereenvolgende dagen bij de man verblijven (met uitzondering van de daarin vallende woensdag) en vervolgens 15 achtereenvolgende dagen bij de vrouw, met in achtneming van het werkrooster van de man, waarbij de man de minderjarige op dinsdag om 16.00 uur naar de vrouw brengt en de man de minderjarige 15 dagen daarna op de woensdag om 16.00 uur bij de vrouw ophaalt. Op de woensdag midden in de 13 dagen waarin de minderjarige bij de man verblijft, zal de minderjarige bij de vrouw verblijven van 9.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de man de minderjarige naar de vrouw brengt en daar weer ophaalt; 5.8. bepaalt uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige met ingang van 11 juni 2026 wordt vastgesteld op € 375,= per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen en stelt vast dat de man daarnaast betaalt de treinkaartjes ten behoeve van de reis (heen- en terugreis) van de vrouw met de minderjarige naar de peuterspeelzaal in [woonplaats 2] op de dinsdag en de donderdag in de weken waarin de minderjarige in het kader van de zorgregeling bij de vrouw verblijft; 5.9. wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353514 · 2026-08-27
