# Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25-06-2026 (C/02/446896 FA RK 26-1787 (voorlopige voorziening) + C/02/446897 FA RK 26-1788)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Identifier: ECLI:NL:RBZWB:2026:6896
- Date: 2026-06-25
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBZWB%3A2026%3A6896
- Canonical: https://overview.legal/posts/353516

## Summary

Voorlopige voorziening + bodem - verwijzing UHA - gelijktijdig onderzoek Raad procesdiagnostiek - voorlopige wijziging contactregeling - uitleg voor de minderjarigen opgenomen

## Full text

beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummers: C/02/446896 FA RK 26-1787 (voorlopige voorziening) C/02/446897 FA RK 26-1788 (bodemprocedure) datum uitspraak: 25 juni 2026 beschikking over verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en over provisionele voorzieningen in de zaak van [de vrouw] , hierna: de vrouw, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. P.P.M. Hendrickx-Heeren in Breda, tegen [de man] , hierna: de man, wonende in [woonplaats] , over de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2014; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2016. Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1 In de dossiers zitten de volgende stukken: - het op 2 april 2026 ontvangen verzoek, tevens inhoudende verzoek tot provisionele voorziening, met bijlagen; - de brief van 20 april 2026 van de griffier van de rechtbank aan de man; - de e-mailberichten (met bijlage) van de man van 13 mei 2026, 28 mei 2026, 11 juni 2026 en 15 juni 2026; - de F9-formulieren (met bijlagen) van mr. Hendrickx-Heeren van 18 mei 2026, 28 mei 2026 en 9 juni 2026; - het e-mailbericht van de rechtbank aan de man van 11 juni 2026. 1.2. Op 16 juni 2026 heeft de rechtbank beide verzoeken behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord de vrouw en haar advocaat en de man. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad. 1.3. De minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn gelet op hun leeftijd in staat gesteld hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek. Zij hebben op 9 juni 2026 allebei apart een gesprek gehad met de kinderrechter. De kinderrechter heeft hiervan tijdens de zitting een (gedeeltelijke) terugkoppeling gegeven en de betrokkenen hebben hierop kunnen reageren. De kinderrechter acht het van belang dat ouders de minderjarigen niet belasten met hetgeen zij, deels ook in vertrouwen, met de kinderrechter hebben besproken. 2 De feiten 2.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van [datum 1] 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op [datum 2] 2019 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 2.2. Uit het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren. 2.3. Partijen hebben samen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.4. Bij beschikking van 9 mei 2023 is, na een hulpverleningstraject bij [jeugdhulp] , de zorg- en contactregeling gewijzigd en is bepaald dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar: - de ene week van vrijdagmiddag 14.45 uur (van school ophalen) tot maandagochtend 8.30 uur (naar school brengen); - de andere week van donderdagmiddag 14.45 uur (van school ophalen) tot vrijdagochtend 8.30 uur (naar school brengen) en van zondagmiddag 17.00 uur (de vrouw brengt) tot maandagochtend 8.30 uur (naar school brengen). 3 De verzoeken C/02/446897 FA RK 26-1788 (bodemprocedure ) 3.1 De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, indien en voor zover mogelijk uitvoerbaar: I. De zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , als bepaald bij beschikking d.d. 9 mei 2023 als volgt te wijzigen: De donderdagregeling te laten vervallen; Het weekendverblijf bij de man te beperken tot zaterdag 13.00 uur (na de lunch) tot zondag 17.00 uur; De minderjarige kinderen op woensdag om en om bij de man te laten verblijven van 12.30 tot 17.00 uur. II. De vakantieregeling als volgt aan te passen: dat voortaan de kinderen in de vakanties van de man enkel op de woensdagmiddag 12.30 uur tot donderdagmiddag 17.00 uur en van zaterdagmiddag 12.30 uur tot zondagmiddag 17.00 uur bij de man zullen verblijven. C/02/446896 FA RK 26-1787 (voorlopige voorziening) De vrouw verzoekt de rechtbank, bij wege van provisionele voorziening een voorlopige voorziening te treffen conform het voorgaande, voor de duur van het geding. 3.2. De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw in de bodemprocedure en voorlopige voorziening. 4 De standpunten De vrouw 4.1.1. De vrouw legt aan haar verzoeken, samengevat, het volgende ten grondslag. Sinds de laatste beschikking van 9 mei 2023 is er sprake van een wijziging van omstandigheden. Volgens de vrouw gaan de kinderen bij de man structureel veel te laat naar bed en is er sprake van excessief schermgebruik. De kinderen komen hierdoor regelmatig te laat op school, zijn oververmoeid en overprikkeld op school. De school heeft hierover inmiddels zijn zorgen geuit richting de ouders. Daarnaast is het een structureel terugkerend probleem dat het de man vaak niet lukt om de kinderen op tijd bij hun sport te krijgen en op tijd op te halen. Tevens is er volgens de vrouw sprake van een probleem met de basishygiëne van de kinderen en het ontbreken van een dagstructuur. De vrouw heeft herhaaldelijk geprobeerd hierover het gesprek met de man aan te gaan en de man verzocht deel te nemen aan hulpverlening. De man heeft echter aangegeven niet open te staan voor hulpverlening. Wel is het partijen gelukt om (sinds enkele maanden) de bij beschikking van 9 mei 2023 vastgestelde zorg- en contactregeling als volgt feitelijk te wijzigen: - op de zondagavond in het weekend van de vrouw blijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vrouw; - en op de zondagavond in het weekend van de man komt [minderjarige 2] rond 17.00 naar de vrouw toe en blijft [minderjarige 1] bij de man tot maandagochtend (schooltijd); - Om de week gaan de kinderen op donderdag na school (tot vrijdagochtend 8.30) naar de man. 's Avonds hebben ze sport en [minderjarige 2] wil dat de vrouw haar dan van het sporten ophaalt, zodat ze bij de vrouw kan slapen. Volgens de vrouw is deze aangepaste regeling nog niet afdoende en is het in het belang van de rust, het welzijn, de gezondheid en de schoolprestaties van de kinderen dat de zorg- en contactregeling wordt aangepast zoals verzocht. Omdat de schermtijd en het laat naar bed gaan in de vakanties nog veel erger is, is het volgens de vrouw daarnaast in het belang van de kinderen dat ook de zorg- en contactregeling tijdens de vakanties in de weken van de man wordt aangepast. Volgens de vrouw is er sprake van een spoedeisend belang gelet op het welzijn en het belang van de kinderen. Zij verzoekt de rechtbank daarom een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding. De vrouw staat nog steeds open voor het volgen van een hulpverleningstraject. Zij hoopt dat de man hiertoe bereid is en dat de rechtbank partijen kan doorverwijzen naar het Uniform Hulpaanbod (UHA). 4.1.2. Tijdens de mondelinge behandeling is door de vrouw desgevraagd naar voren gebracht dat zij de verzorging en opvoeding aan de zijde van de man als het grootste probleem beschouwt. Zij maakt zich daar ernstige zorgen over en het geeft haar een verdrietig gevoel. Evenals de man ziet ook zij dat de communicatie tussen partijen een probleem is, maar zij verwacht dat dit probleem verdwijnt zodra het beter gaat met de verzorging en opvoeding van de kinderen bij de man. De man 4.2. Door de man wordt verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw. Hij geeft aan dat er wel degelijk overleg is gevoerd over bedtijden, schermtijden en praktische afspraken. De kinderen gaan bij hem inderdaad later naar bed dan bij de vrouw, meestal rond 22.00 uur. Een enkele keer loopt dat uit tot half 22.30, maar het is zeker niet later. In het verleden hebben partijen een traject gevolgd via het UHA. Bij het eind van dat traject werd de ouders geadviseerd naar hun eigen aandeel te kijken. Ook werd er in dat traject, evenals in de beschikking van de rechtbank die daarop volgde, gesproken over het toewerken naar een co-ouderschap wanneer de man zou zijn verhuisd. Door nu om een beperking van het contact te vragen, doet de vrouw het tegenovergestelde. De man ziet niet dat hij een probleem heeft in de verzorging en de opvoeding van zijn kinderen, maar hij verzet zich er niet tegen wanneer dit onderwerp in een hulpverleningstraject ook aandacht zal krijgen. Desgevraagd heeft hij aangegeven dat hij de communicatie tussen partijen als het grootste probleem beschouwt. De vrouw gaat niet echt in op zijn vragen of verzoeken. De Raad 4.3. De Raad heeft tijdens de zitting aangevoerd dat de Raad ziet dat de kinderen met allebei de ouders een goede band hebben en dat de ouders beiden een grote rol in hun leven spelen. Echter, aan de hand van de verklaring van de kinderen en hetgeen door partijen voorafgaand aan de zitting op schrift is aangevoerd, kan de Raad afleiden dat er sprake is van een vorm van pedagogische verwaarlozing van de kinderen. De Raad ziet dat de ouders er zelf niet in slagen om dit probleem zonder hulp op te lossen. Gelet op het beperkte UHA-traject dat in het verleden heeft plaatsgevonden, ziet de Raad nog mogelijkheden voor deze ouders om in het kader van een nieuw traject bij het UHA zowel aan de problemen op het gebied van verzorging en opvoeding als aan die met betrekking tot de communicatie te werken. De Raad ziet daarnaast aanleiding om reeds een onderzoek op te starten, dat parallel loopt aan het UHA-traject. 5 De beoordeling UHA 5.1. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanleiding is om partijen opnieuw te verwijzen naar het UHA, waarbij zowel de opvoedsituaties (bij beide ouders) als de communicatie afzonderlijk aandacht dienen te krijgen. De zorgen richten zich overwegend aan de zijde van de man. Uit de gesprekken met de kinderen en hetgeen ook schriftelijk is ingebracht volgt dat de man niet goed in staat is om structuur te geven aan bedtijden, schermtijden en de dagelijkse verzorging van de kinderen. De man ontkent dit weliswaar, maar bij een intensieve gezinsbegeleiding/waarneming van de situatie in de gezinnen zal hierover duidelijkheid komen. Bij inzet van het UHA is het dan ook van groot belang dat de beide gezinssituaties, bij de man en bij de vrouw, worden geobserveerd . Die observaties dienen te leiden tot feitelijke verslagen die aan de Raad en later zo nodig aan de rechtbank zullen worden overlegd. Dat de gezinssituatie bij de vrouw ook aandacht vraagt volgt uit het gegeven dat ook de vrouw een last in haar leven ervaart (gelet op haar burnout) en de wijze waarop de ouders niet in staat zijn om een gedeelde visie te ontwikkelen op hoe de verzorging en opvoeding van de kinderen eruit zou moeten komen te zien. 5.2. De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 19 juni 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. 5.3. Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten: de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind; het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund; de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind (zware/systeemgerichte interventie); het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar; er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren. De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. (bijlage 1). Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt. 5.4. Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in te brengen in de bodemprocedure met procedurenummer C/02/446897 FA RK 26-1788. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door. 5.5. De rechtbank stelt de ouders (en hun eventuele advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. Partijen maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot de kinderen. 5.6. Partijen zijn bekend met de regels en het verloop van het UHA dus de rechtbank heeft dit niet opnieuw aan de orde gesteld. Onderzoek Raad 5.7. Daarnaast vindt de rechtbank het nodig dat de Raad zo spoedig mogelijk, en deels gelijktijdig met het lopen van het hulptraject, een onderzoek zal opstarten. Een gelijktijdig onderzoek van de Raad heeft twee doelen : 1. waar nodig kan hulp worden opgeschaald indien de Raad dit nodig zou achten; 2. de Raad kan bij gebleken ernstige opvoedproblemen de rechtbank sneller benaderen met een verzoek tot het treffen van de noodzakelijke voorzieningen. Tijdens de zitting is deze noodzaak met de vertegenwoordiger van de Raad besproken. De Raad heeft zich bereid getoond een dergelijk onderzoek uit te voeren. De Raad zal kennisnemen van de waarnemingen die tijdens het hulptraject worden gedaan en dan aan de hand daarvan vaststellen wat de situatie is met betrekking tot de verzorging en opvoeding van de minderjarigen, zowel in het gezin van de man als in dat van de vrouw. De complexiteit van de problematiek heeft tot gevolg dat de dynamiek van één en ander vaak pas geleidelijk inzichtelijk wordt, onder andere door de reactie op interventies. Eénmalig onderzoek kan bijdragen, maar is vaak niet voldoende. Het monitoren van reacties op interventies en het combineren van die informatie met de beeldvorming uit het verleden wordt procesdiagnostiek genoemd. Indien er sprake blijkt van ernstige zorgen kan de Raad zijn onderzoek opschalen naar een beschermingsonderzoek. In beide situaties verwacht de rechtbank de uitkomsten en bevindingen in een rapportage, die wordt ingebracht in de bodemprocedure met nummer C/02/446897 FA RK 26-1788. In geval van ernstige problemen verwacht de rechtbank een tussentijdse rapportage van de Raad. In het andere geval zal er een rapportage kunnen volgen op of kort na het beëindigen van het UHA-traject. Voorlopige voorziening 5.8. De vrouw heeft verzocht een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dit verzoek voldoende samenhang met de bodemprocedure, zodat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek. Spoedeisendheid 5.9. Ter beantwoording van de vraag of er plaats is voor een toewijzing van het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een voorlopige voorziening als voormeld dient de rechtbank te onderzoeken of hierbij een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van dergelijke verzoeken is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat deze de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin. 5.10. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang. De beslissing in de bodemprocedure zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog enige tijd op zich laten wachten. Gelet op de zorgen die de vrouw heeft kan niet van haar verlangd worden dat zij hierop moet wachten. De rechtbank zal dan zich dan ook inhoudelijk uitlaten over het verzoek van de vrouw. 5.11. Volgens de huidige feitelijke regeling zijn de kinderen om de week bij de man vanaf vrijdag na school tot zondagavond ( [minderjarige 2] ) dan wel maandagochtend ( [minderjarige 1] ). Daarnaast zijn de kinderen om de week bij de man op donderdagmiddag na school. [minderjarige 1] blijft dan slapen en de vrouw haalt [minderjarige 2] op na de korfbaltraining en neemt haar mee naar huis. De Raad heeft tijdens de zitting geadviseerd om voor de voorlopige regeling uit te gaan van deze huidige feitelijke regeling. De rechtbank hecht echter gewicht aan de zorgen die door de vrouw zijn geuit over de situatie bij de man. Zij acht het in het belang van de kinderen dat er voorlopig, in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure, in beperkte mate overnachtingen bij de man zullen plaatsvinden. Dit geldt ook voor de vakanties. De rechtbank is van oordeel dat de door de vrouw verzochte regeling een passende voorlopige regeling is. Zij zal deze regeling dan ook vaststellen. Uitvoerbaar bij voorraad 5.12. De rechtbank zal de beslissing over de voorlopige zorgregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. Proceskosten in de voorlopige voorziening 5.13. Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moeten dragen. Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] 5.14. De kinderrechter heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] afgesproken dat zij zelf een brief krijgen waarin de beslissing van de rechtbank staat. Omdat de rechtbank het belangrijk vindt dat beide ouders weten hoe [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden geïnformeerd, zal de inhoud van de brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in deze beschikking worden opgenomen. De brief zal worden gestuurd naar het adres van de vrouw, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daar hun hoofdverblijfplaats hebben. “Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , Op 9 juni 2026 zijn jullie op de rechtbank geweest om met de kinderrechter, mr. Van Leuven te praten. In dit gesprek is besproken hoe het met jullie gaat en wat jullie mening is over de situatie bij de ouders. [minderjarige 1] , jij hebt verteld dat je vader en je moeder heel anders denken over de opvoeding. Bij je vader ga je vaak heel laat naar bed, omdat hij vaak vergeet dat jullie naar bed moeten. Je vader is ook sneller geïrriteerd dan je moeder en schreeuwt soms meer. Je bent graag bij allebei je ouders. [minderjarige 2] heeft ook dingen verteld, maar zij wil graag dat dit niet wordt verteld aan haar ouders. Dat moeten ouders respecteren. Ze is graag bij allebei haar ouders, maar er zouden een paar dingen anders moeten. Op 16 juni 2026 heeft de rechtbank gesproken met jullie ouders. Daarbij was ook een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig. De rechtbank heeft goed naar jullie, je ouders en de Raad voor de Kinderbescherming geluisterd. De rechtbank heeft beslist over de verzoeken over jullie. Wat de rechtbank heeft besloten lees je in deze brief. De rechtbank en de Raad voor de Kinderbescherming vinden het belangrijk dat jullie bij allebei de ouders komen, maar zij vinden het wel belangrijk dat jullie regelmaat en structuur houden en dat jullie op tijd naar bed gaan. Je ouders zullen gaan starten met hulpverlening om ervoor te zorgen dat de dingen beter gaan lopen en dat zij beter met elkaar kunnen gaan praten. De Raad voor de Kinderbescherming zal gaan onderzoeken wat het beste voor jullie is en zal ook gaan kijken of er nog meer hulpverlening nodig is. Er zal ook iemand komen kijken hoe het gaat bij je moeder thuis en hoe het gaat bij je vader thuis. Het zal nog wel een poosje duren voordat dat onderzoek klaar is. De rechtbank heeft bepaald dat de contactregeling met jullie vader voorlopig anders is dan hij eerst was, zodat jullie minder bij jullie vader zullen slapen. Jullie zullen nu bij jullie vader zijn om de week op zaterdag vanaf 13.00 uur (na de lunch) tot zondag 17.00 uur en om de week op woensdag van 12.30 tot 17.00 uur. Tijdens vakantieweken bij jullie vader zijn jullie bij hem op woensdag van 12.30 uur tot donderdag 17.00 uur en van zaterdag 12.30 tot zondag 17.00 uur. Als jullie nog vragen hebben over deze brief, dan mogen jullie altijd een e-mail sturen. De contactgegevens van de rechtbank staan linksboven in deze brief. Met vriendelijke groet namens de kinderrechter, De griffier.” 6 De beslissing De rechtbank In de bodemprocedure C/02/446897 FA RK 26-1788 6.1. verwijst partijen en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en de kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder; 6.2. verzoekt het loket om uiterlijk op 22 december 2026 pro forma , of zoveel eerder als mogelijk is, de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen; 6.3. verzoekt de Raad zijn rapport en advies in te brengen, zoals hierboven onder rechtsoverweging 5.7. vermeld, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan (de advocaten van) partijen; 6.4. houdt de behandeling van deze zaak, alsmede iedere verdere beslissing, op de verzoeken over de zorgregeling aan tot 22 december 2026 pro forma; In de voorlopige voorziening (C/02/446896 FA RK 26-1787) 6.5. bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist: - dat de bij beschikking van 9 mei 2023 vastgestelde zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig wordt gewijzigd, in die zin dat zij contact met elkaar hebben: om de week op zaterdag 13.00 uur (na de lunch) tot zondag 17.00 uur; om de week op woensdag van 12.30 tot 17.00 uur; - dat de bij beschikking van 9 mei 2023 vastgestelde vakantieregeling tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig wordt gewijzigd, in die zin dat zij tijdens de vakanties bij de man contact met elkaar hebben: op woensdag van 12.30 uur tot donderdag 17.00 uur; van zaterdag 12.30 uur tot zondag 17.00 uur; 6.6. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.7. compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353516 · 2026-08-27
