# Rechtbank Amsterdam, 18-08-2026 (13-137910-26)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Amsterdam
- Identifier: ECLI:NL:RBAMS:2026:8272
- Date: 2026-08-18
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBAMS%3A2026%3A8272
- Canonical: https://overview.legal/posts/353522

## Summary

Executie-EAB uit Italië. Artikel 12 OLW: de rechtbank kan niet vaststellen dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De beslistermijn biedt onvoldoende ruimte voor het stellen van nadere vragen. Overlevering geweigerd.

## Full text

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13-137910-26 Datum uitspraak: 18 augustus 2026 UITSPRAAK op de vordering van 1 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op 22 april 2026 door the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Naples - Extradition Office , Italië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van: [de opgeëiste persoon] geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1982, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] , hierna ‘de opgeëiste persoon’. 1 Procesgang Zitting van 22 juli 2026 De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 22 juli 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon en haar raadsman, mr. J.G. Kabalt, advocaat in Breukelen, zijn – met voorafgaande toestemming van de rechtbank – niet verschenen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor onbepaalde tijd geschorst om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen de aanvullende informatie omtrent de eventuele strafovername uit Italië af te wachten en deze aan het dossier toe te voegen. Zitting van 4 augustus 2026 Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door haar raadsman, mr. J.G. Kabalt. De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak. 2 Identiteit van de opgeëiste persoon Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij alleen de Nederlandse nationaliteit heeft. 3 Grondslag en inhoud van het EAB Het EAB vermeldt een vonnis van the Court of Torre Annunziata van 11 april 2019, met kenmerk 933/2019, bekrachtigd door het arrest van the Court of Appeal of Naples, 3rd Division van 16 september 2022, met kenmerk 13426/22, en onherroepelijk op 6 juli 2023. De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en zij moet deze straf ondergaan in Italië. De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB. 4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Inleiding Het EAB vermeldt onder D): “ (…) 2. X No, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision. (…) 3.2 X being aware of the scheduled trial, the person had given a mandate to a legal counsellor, who was either appointed by the person concerned or by the State, to defend him or her at the trial, and was indeed defended by that counsellor at the trial; (…) ” Het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) heeft op 1 juli 2026 vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot artikel 12 OLW. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 14 juli 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ 1. I confirm that the judgment underlying the European Arrest Warrant (EAW) in question is that of the Court of Appeal of Naples (3rd Section), issued on 16 September 2022 (no. 13426/22) and becoming final on 6 July 2023; 2. [de opgeëiste persoon] was aware of the proceedings and was represented by retained counsel, Attorney Carmine Iannuzzi of the Naples Bar; it is not possible to state the reason for the lapse of several months between the appellate judgment and the final judgment; 3. It is noted that [de opgeëiste persoon] filed an appeal to the Court of Cassation, having appointed Attorney Luca Brachi as her counsel; 4. By a judgment dated July 6, 2023, the Court of Cassation declared the appeal inadmissible; 5. Therefore, the judgment of the Court of Appeal of Naples (3rd Section), issued on September 16, 2022 (No. 13426/22), constitutes the final judgment of conviction against [de opgeëiste persoon] .” Het IRC heeft op 15 juli 2026 de volgende aanvullende vragen gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit: “(…) 1. Did [de opgeëiste persoon] provide her address to the Italian authorities at which she could receive official documents and summons for the hearing? 2. To which address was the summons for the hearing for the appellate proceedings sent? 3. When was [de opgeëiste persoon] summoned for the hearing for the appellate proceedings? 4. Which other indications exist that [de opgeëiste persoon] was indeed aware of the time and place of the scheduled appellate proceedings? (…) - Did [de opgeëiste persoon] provide her attorney Carmen Ianuzzi with a mandate that was valid for the proceedings as a whole, including the appeal procedure? ” Na rappel door het IRC op 20 juli 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 21 juli 2026, voor zover relevant, de volgende aanvullende informatie verstrekt: “ (…) For the information of the Dutch judicial authority, it is noted that [de opgeëiste persoon] appointed defense counsel Carmine Iannuzzi of the Naples Bar - empowered by a power of attorney to represent her in court - and also instructed attorney Luca Brachi to file an appeal to the Court of Cassation against the judgment of the Naples Court of Appeal. The Court of Cassation, in a judgment dated July 6, 2023, declared the appeal inadmissible. Therefore, the judgment of the Naples Court of Appeal (3rd Section), issued on September 16, 2022 (No. 13426/22), constitutes the final conviction of [de opgeëiste persoon] . Finally, it is specified that the Italian legal system does not mandate the physical presence of the accused; proceedings may lawfully take place in their absence, provided that the accused - as is clearly the case here - is aware of the proceedings against them. ” Het IRC heeft op 30 juli 2026 opnieuw de vragen van 15 juli 2026 aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld. Hierop is geen antwoord ontvangen. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich – onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank – op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon geen gebruik heeft kunnen maken van haar verdedigingsrechten in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft haar advocaat Carmine Iannuzzi niet gemachtigd om hoger beroep in te stellen. Zij wist ook niet dat haar advocaat hoger beroep had ingesteld, tot zij in oktober 2022 het arrest van the Court of Appeal of Naples, 3rd Division van 16 september 2022 ontving. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks officieel in kennis is gesteld van de datum en plaats van de zitting in hoger beroep, dan wel dat zij opzettelijk heeft vermeden officieel in kennis te worden gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting. Bovendien wisten de Italiaanse autoriteiten dat de opgeëiste persoon zich in Nederland bevond, maar zij hebben haar niet opgeroepen voor de zitting in hoger beroep. Subsidiair heeft de verdediging de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende informatie op te vragen bij de Italiaanse autoriteiten over het verloop van de procedure in hoger beroep. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft aangevoerd dat het nog onduidelijk is of de advocaat van de opgeëiste persoon was gemachtigd om haar in hoger beroep te vertegenwoordigen. Het is ook onduidelijk of de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft – ondanks rappel – nog geen antwoord gegeven op de vragen die zijn gesteld door het IRC. De officier van justitie heeft de rechtbank daarom verzocht een tussenuitspraak te wijzen en daarin nadere vragen te formuleren met betrekking tot artikel 12 OLW, zodat het IRC de door de rechtbank geformuleerde vragen kan voorleggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. De beslistermijn biedt ruimte om nogmaals vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Oordeel van de rechtbank Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal of Naples, 3rd Division van 16 september 2022, met kenmerk 13426/22, toetsen aan artikel 12 OLW. De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. In het EAB is aangekruist dat de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW zich voordoet. Uit de aanvullende informatie van 14 juli 2026 en 21 juli 2026 – gelezen in samenhang met de vraagstelling van het IRC van 1 juli 2026 en 15 juli 2026 – volgt dat de opgeëiste persoon haar advocaat, Carmine Iannuzzi, heeft gemachtigd haar verdediging te voeren en dat die advocaat tijdens het proces in hoger beroep ook daadwerkelijk haar verdediging heeft gevoerd. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de machtiging van de advocaat ook gold voor de procedure in hoger beroep. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat de opgeëiste persoon rechtstreeks officieel in kennis is gesteld van de datum en plaats van de zitting in hoger beroep. Daarvoor is de enkele mededeling dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure onvoldoende. Evenmin is gebleken dat de opgeëiste persoon opzettelijk heeft vermeden officieel in kennis te worden gesteld van tijdstip en plaats van de zitting. De rechtbank is daarom van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW niet aan de orde is. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW, eindigt op 21 augustus 2026. De beslistermijn biedt dan ook onvoldoende ruimte om de antwoorden op de vragen van het IRC af te wachten, een zitting te plannen en binnen de beslistermijn uitspraak te doen. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de officier van justitie af, om bij tussenuitspraak nadere vragen te formuleren voor de uitvaardigende justitiële autoriteit. De stukken in het dossier bevatten verder geen informatie die aanleiding geeft om af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang. Het IRC heeft meerdere keren (op 1 juli 2026, 15 juli 2026 en 30 juli 2026) vragen gesteld over onder andere de gang van zaken in hoger beroep. Uit de antwoorden van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 14 juli 2026 en 21 juli 2026 wordt niet duidelijk of en zo ja, op welke wijze de opgeëiste persoon op de hoogte is gebracht van de procedure in hoger beroep. De vragen die het IRC heeft gesteld op 15 juli 2026, en heeft herhaald op 30 juli 2026, blijven tot op heden (grotendeels) onbeantwoord. Op basis van de beschikbare informatie kan niet worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Evenmin kan daarom sprake zijn van de situatie dat de opgeëiste persoon ofwel stilzwijgend afstand heeft gedaan van haar recht om bij haar proces in hoger beroep aanwezig te zijn, ofwel in dat kader kennelijk onzorgvuldig is geweest. De rechtbank kan niet vaststellen of de opgeëiste persoon haar verdedigingsrechten in die procedure heeft kunnen uitoefenen. Omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit ruimschoots de mogelijkheid heeft gehad om hier duidelijkheid over te verschaffen en de beslistermijn onvoldoende ruimte biedt voor het stellen van nadere vragen, zal de overlevering worden geweigerd. De rechtbank zal gelet op het bovenstaande de overlevering van de opgeëiste persoon op grond van artikel 12 OLW weigeren. 5 Slotsom De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd. 6 Toepasselijke wetsbepalingen De artikelen 2, 5 en 12 OLW. 7 Beslissing WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor General of the Republic attached to the Court of Appeal of Naples - Extradition Office (Italië) voor het feit zoals dat is omgeschreven in onderdeel e) van het EAB. HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] . Deze uitspraak is gedaan door mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter, mrs. L. Sanders en A.B.M. Wijnveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 augustus 2026. Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open. Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. De verdediging heeft verwezen naar Rb. Amsterdam 5 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5462 en Rb. Amsterdam 9 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7008. De verdediging heeft verwezen naar HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ) en HvJ EU 21 mei 2026, C447/24, ECLI:EU:C:2026:417 ( Höldermann ). Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ ( Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut) ), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 ( Khuzdar ).

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353522 · 2026-08-27
