Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23-06-2026 (C/02/448971 / FA RK 26-2888)
VT paspoort, niet aannemelijk dat moeder toestemming geeft
Full text
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Middelburg Zaaknummer: C/02/448971 / FA RK 26-2888 datum uitspraak: 23 juni 2026 beschikking betreffende vervangende toestemming paspoort in de zaak van [de man] , hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. L.E. van Hevele te Oostburg, tegen [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 2] . Als belanghebbende in onderhavige zaak wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming West Zeeland , hierna te noemen: de GI, gevestigd te Middelburg, Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk: - het op 27 mei 2026 ontvangen verzoek van de man met bijlagen 1.2 Het verzoek is mondeling behandeld op de zitting van 22 juni 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de advocaat van de man, een vertegenwoordigster namens de GI en een vertegenwoordigster namens de Raad. 1.3 De rechtbank stelt vast dat de man en de vrouw correct zijn opgeroepen, maar niet (in persoon) zijn verschenen. 2 De feiten 2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren: - [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020. 2.2 De man en de vrouw zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw. 2.3 Bij beschikking van 9 oktober 2025 heeft het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 december 2024 bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en aldus ten aanzien van de beslissing omtrent de verhuizing naar [plaats], althans naar één van de omliggende dorpen, de inschrijving op de [basisschool] en de bijbehorende kinderopvanginstelling en ten aanzien van de vaststelling van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken op grond waarvan [minderjarige] en de man voorlopig recht hebben op contact met elkaar ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur. 2.4 Bij beschikking van 14 oktober 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 oktober 2025 en tot 14 januari 2026, welke ondertoezichtstelling daarna is verlengd, voor het laatst bij beschikking van 5 december 2025 met ingang van 14 januari 2026 en tot 14 oktober 2026. 2.5 Bij beschikking van 28 november 2025 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de man, met ingang van 28 november 2025 en tot 12 december 2025. 2.6 Bij beschikking van 5 december 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de man verlengd, met ingang van 12 december 2025 en tot 23 januari 2026 onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek van de GI. 2.7 Bij beschikking van 22 januari 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de man, verlengd met ingang van 23 januari 2026 en tot 23 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek van de GI is aangehouden. Daarnaast is bepaald dat de vrouw en [minderjarige] minimaal 1,5 uur per week omgang met elkaar hebben, waarbij de regie voor wat betreft begeleid naar onbegeleid en uitbreiden in het tempo van [minderjarige] in de handen van de GI wordt gelegd, waarbij door de GI toegewerkt dient te worden naar de door de moeder verzochte regeling, en uiteindelijk naar de voorlopige regeling zoals door het gerechtshof is bepaald, een en ander zoals opgenomen in rechtsoverweging 5.8. van die beschikking. 2.8 Op basis van deze beschikking zou [minderjarige] bij de man moeten verblijven. De vrouw heeft echter op 14 maart 2026 na een omgangsmoment [minderjarige] niet meer teruggebracht. 2.9 Op 10 april 2026 heeft de GI een schriftelijke aanwijzing aan de vrouw gegeven. Deze houdt in dat de GI de volgende aanwijzingen geeft: “- U meldt [minderjarige] niet ziek wanneer zij fit (genoeg) is voor school en u zorgt ervoor dat [minderjarige] naar school gaat, conform schooltijden. Als [minderjarige] volgens u ziek is, gaat u hiervoor op consultatie bij uw huisarts of bij de GGD. U vraagt een verklaring aan de deskundige van de door u vastgestelde klachten. Deze verklaring deelt u met school en de GI; - U werkt mee van een zo spoedig mogelijke terugkeer van [minderjarige] naar vader. Dit betekent dat u ervoor zorgt dat u [minderjarige] naar school brengt. Vader zal dan de verantwoordelijkheid op zich nemen om [minderjarige] op te halen; - Zodra [minderjarige] bij vader is, hij verantwoordelijk voor de opvoeding van [minderjarige] , waaronder schoolgang valt. Dit betekent dat u [minderjarige] tijdens schooltijd niet opzoekt of haar ophaalt van school, zonder dat daar toestemming van de GI voor is; - U houdt zich aan de machtiging uithuisplaatsing, d.d. 22 januari 2026. Hierin is vastgelegd dat de GI de regie heeft in verband met de omgang. Dit betekent dat u zich aan de omgangsafspraken van de GI houdt. Deze afspraken volgen nog.” 2.10 Bij vonnis in kort geding van 11 mei 2026 is de vrouw veroordeeld om [minderjarige] binnen een dag na het in deze te wijzen vonnis aan de man af te geven op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor iedere dag dat de vrouw nalatig is aan het vonnis te voldoen. 2.11 Bij beschikking van 21 mei 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de man, verlengd met ingang van 23 mei 2026 en tot 14 oktober 2026. Ook de schriftelijke aanwijzing bekrachtigd, waarbij er een dwangsom aan de vrouw is opgelegd. 2.12 Op basis van deze beschikking behoort [minderjarige] bij de man te verblijven. Zij verblijft echter op een locatie waar de vrouw haar naartoe heeft gebracht, zonder toestemming van de man en/of de GI. De vrouw heeft de man en de GI ook niet geïnformeerd over deze verblijfplaats. 2.13 De vrouw heeft de Italiaanse nationaliteit, de man en [minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. 3 Het verzoek 3.1 De man verzoekt aan hem ter vervanging van de toestemming van de vrouw vervangende toestemming te verlenen, voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de [minderjarige] . 4 De beoordeling Rechtsmacht en toepasselijk recht 4.1 De Nederlandse rechter is bevoegd van het verzoek kennis te nemen aangezien de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op dezelfde grond is op de gezagsvoorziening Nederlands recht van toepassing. Wettelijk kader 4.2 Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. 4.3 Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven. 4.4 Ingevolge artikel 34 lid 1 van de Paspoortwet wordt bij een aanvraag ten behoeve van een minderjarige een verklaring van toestemming overgelegd van iedere persoon die het gezag uitoefent. Op grond van lid 2 kan, indien bij gezamenlijke gezagsuitoefening een van de personen die het gezag uitoefenen, weigert een verklaring van toestemming als bedoeld in het eerste lid, af te geven, deze op verzoek van de andere persoon die het gezag uitoefent, worden vervangen door een verklaring van de bevoegde rechter, die alvorens te beslissen een vergelijk tussen de beide personen beproeft. De rechter geeft een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Daarbij kan als voorwaarde worden gesteld dat de geldigheidsduur of de territoriale geldigheid van het aangevraagde reisdocument wordt beperkt. Op grond van artikel 38 lid 5 van de Paspoortwet beslist de rechter met de meeste spoed. Inhoudelijke beoordeling 4.5 De rechtbank stelt vast dat er geen vergelijk tussen de ouders mogelijk is. De vrouw heeft [minderjarige] na een omgangsmoment bij zich gehouden. De GI heeft meerdere pogingen ondernomen om [minderjarige] terug naar de man te brengen. De vrouw bleek niet thuis. Op een later moment is gebleken dat de vrouw [minderjarige] zonder toestemming van de man en/of de GI heeft overgebracht naar Italië. Volgens de man verblijft [minderjarige] bij oma moederszijde. 4.6 De vrouw heeft door haar handelen laten zien dat zij zich niets aantrekt van het feit dat partijen gezamenlijk gezag over [minderjarige] hebben. Ook legt de vrouw meerdere beschikkingen naast zich neer. Hoewel nergens uit blijkt dat de vrouw haar toestemming voor het aanvragen van een paspoort weigert te geven, is het in deze zaak aannemelijk dat de vrouw geen enkele medewerking zal verlenen. De rechtbank zal, nu het noodzakelijk is dat [minderjarige] over een paspoort beschikt, nu zij niet meer in Nederland verblijft, aan de man vervangende toestemming verlenen voor het aanvragen van een paspoort voor [minderjarige] . Uitvoerbaar bij voorraad 4.7 De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden. 5 De beslissing De rechtbank 5.1 verleent aan de man – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vrouw – toestemming voor de aanvraag van een Nederlands paspoort ten behoeve van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] ; 5.2 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.