Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23-06-2026 (C/02/448093 / FA RK 26-2446)
IPR. Verzoek benoeming Nidos tot voogdes. Niet bekend waar ouders minderjarige verblijven. Gezagsvacuum; hierin wordt voorzien.
Full text
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- Jeugdrecht Locatie Breda Zaakgegevens : C/02/448093 / FA RK 26-2446 Datum uitspraak : 23 juni 2026 Beschikking betreffende voorziening voogdij in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING NIDOS , gevestigd te Utrecht, hierna te noemen de GI, over [de minderjarige] , die volgens eigen opgave is geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2009, thans verblijvende op het adres [adres] , hierna te noemen de minderjarige. 1. Het procesverloop 1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken: - het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 mei 2026 en op dezelfde ingekomen op de griffie; - de bereidverklaring van de GI tot aanvaarding van de voogdij over de minderjarige van 7 mei 2026; - de akkoordverklaring van de minderjarige van 20 april 2026; - de brief van de griffier van de rechtbank van 13 mei 2026 aan de minderjarige. 2 De feiten 2.1 De minderjarige heeft het volgende verklaard. Zij is zonder onder meer een geboorteakte op 14 april 2026 in Nederland aangekomen. Zij is gevlucht om te ontsnappen aan een man die haar achtervolgde om met haar te trouwen. De man dreigde haar familie te vermoorden als de familie haar niet (aan hem) zou uitleveren om te trouwen. Zij is in 2024 op Cyprus aangekomen. Sinds het vertrek van de minderjarige uit haar gezin heeft zij geen contact meer gehad met haar ouders en is onduidelijk waar haar gezin verblijft. Zij verblijft nu bij haar tante (vaderszijde) in [plaats] . De naam van haar moeder is [naam 1] en de naam van haar vader is [naam 2] . 3 Het verzoek 3.1 De GI verzoekt om als voogdes over de minderjarige te worden benoemd en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De beoordeling 4.1 De GI heeft ter nadere onderbouwing van haar verzoek nog het volgende aangegeven. De Cypriotische autoriteiten hebben de IND verzocht de behandeling van het asielverzoek van de minderjarige over te nemen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft op verzoek van de IND onderzoek verricht en heeft positief geadviseerd met betrekking tot de opvoedsituatie/verblijf van de minderjarige bij haar tante. De minderjarige is door de IND nog niet gehoord over haar persoonsgegevens en haar asielrelaas. De nationaliteit van de minderjarige is niet bekend. 4.2 Aan de minderjarige is bij voormelde brief van 13 mei 2026 de mogelijkheid geboden om een zogenoemd kindgesprek met de kinderrechter te hebben. Zij heeft daarop niet binnen de in die brief genoemde periode gereageerd met de mededeling dat zij daarvan gebruik wil maken. Internationale bevoegdheid 4.3 Vanwege het feit dat de minderjarige niet in Nederland is geboren en zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de rechtbank ambtshalve vast te stellen of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht daarop van toepassing is. 4.4 Uit het verzoek van de GI volgt dat dat te kwalificeren is als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid. Hiermee valt het verzoek binnen het materieel toepassingsgebied van artikel 1 lid 1 sub a van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (herschikking) (hierna: de Brussel II- ter Verordening). Aangezien het verzoek na 1 augustus 2022 is ingediend is de Brussel II- ter Verordening temporeel van toepassing. De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld en redeneert daartoe als volgt. 4.5 Het begrip gewone verblijfplaats is meerdere malen door het Hof van Justitie van de Europese Unie geïnterpreteerd. Zoals het Hof van Justitie herhaaldelijk heeft geoordeeld, betreft het een autonoom Unierechtelijke begrip, zodat dit moet worden uitgelegd tegen de achtergrond van de context van de bepalingen en het doel van de Brussel II- bis Verordening (en inmiddels de Brussel II- ter Verordening), met name het doel dat de bevoegdheidsregels zijn opgezet in het belang van het kind, en er sprake is van een voldoening aan het criterium van de nauwe verbondenheid (zie onder meer de arresten 2 april 2009, A , C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 34 en 35; 22 december 2010, Mercredi , C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 44-46; 8 juni 2017, OL v. PQ , C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 40). 4.6 Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, alsmede van de Hoge Raad, dient het begrip gewone verblijfplaats bovendien een eenvormige betekenis te hebben. Volgens diezelfde rechtspraak stemt de gewone verblijfplaats van het kind overeen met de plaats die een zekere integratie in een sociale en familieomgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet door de nationale instantie worden bepaald met inachtneming van de feitelijke omstandigheden die eigen zijn aan elk zaak (zie arresten 2 april 2009, A , C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225, punten 42 en 44; 22 december 2010, Mercredi , C-497-10 PPU, ECLI:EU:C:2010:289, punten 47; 8 juni 2017, OL v. PQ , C-111/47, PPU, ECLI:EU:C:2017:436, punt 42). 4.7 Het begrip moet aldus worden uitgelegd dat deze verblijfplaats de plaats is die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf waaronder het naar school gaan, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat (zie arrest 2 april 2009, A , C-523/07, ECLI:NL:EU:C:2009:225). 4.8 Op basis van de feiten en omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld. Ten tijde van de aanhangig making van deze procedure verbleef zij pas een paar weken in Nederland en is niet vast komen te staan dat er sprake is van een zekere integratie in Nederland. 4.9 Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige niet kan worden vastgesteld, acht de rechtbank zich bevoegd op grond van artikel 11 lid 1 Brussel II- ter Verordening, nu zij zich in Nederland en binnen haar rechtsgebied bevindt. Toepasselijk recht 4.10 Op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek, als zijnde de lex fori, dat wil zeggen het Nederlands recht is van toepassing op een procedure voor de Nederlandse rechter. Inhoudelijke beoordeling van de verzoeken 4.11 Op het verzoek is van toepassing het bepaalde in artikel 1:253r juncto artikel 1:253q van het Burgerlijk Wetboek. 4.12 Op grond van de overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat de ouders van de minderjarige in de onmogelijkheid verkeren het gezag over haar uit te oefenen. Dit betekent dat het gezag is geschorst Er is dan ook sprake van een gezagsvacuüm. Daarin dient te worden voorzien. 4.13 Gelet op de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen, de bereidverklaring van de GI en de akkoordverklaring van de minderjarige, zal de rechtbank de GI benoemen tot voogdes over de minderjarige. 4.14 De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door de GI is verzocht. Dat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 5 De beslissing De rechtbank: 5.1 benoemt over de minderjarige [de minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 2009, tot voogdes de gecertificeerde instelling Stichting Nidos, gevestigd te Utrecht; 5.2 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026. Mededeling van de griffier : Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld: a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. Het beroepschrift moet door tussenkomst van een procureur worden ingediend bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van de rechtbank Breda.