# Rechtbank Den Haag, 18-08-2026 (NL26.36563, NL26.36564)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:23889
- Date: 2026-08-18
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A23889
- Canonical: https://overview.legal/posts/353549

## Summary

Eisers zijn Koerdische journalisten en komen uit Turkije. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal argumenten aan (de beroepsgronden). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Eisers krijgen dus gelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging bij Koerdische journalisten uit Turkije. Daarnaast is volgens de rechtbank onduidelijk welk standpunt verweerder heeft ingenomen over het geheime onderzoek naar eiser en moet verweerder dit beter motiveren. De rechtbank volgt ook de stelling van eisers dat verweerder een onjuiste beoordeling van de zwaarwegendheid heeft gemaakt. Verweerder heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de eerdere vervolging zich niet opnieuw zal voordoen bij eisers. Ten slotte mocht verweerder de asielaanvragen van eisers niet als kennelijk ongegrond afwijzen

## Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL26.36563 en NL26.36564 (beroepen) uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [# 1] [eiser] , eiser V-nummer: [# 2] Hierna gezamenlijk te noemen: eisers (gemachtigde: mr. S.J. Koolen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. drs. F. Gieskes). Samenvatting 1. Eisers zijn Koerdische journalisten en komen uit Turkije. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal argumenten aan (de beroepsgronden). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven. Eisers krijgen dus gelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging bij Koerdische journalisten uit Turkije. Daarnaast is volgens de rechtbank onduidelijk welk standpunt verweerder heeft ingenomen over het geheime onderzoek naar eiser en moet verweerder dit beter motiveren. De rechtbank volgt ook de stelling van eisers dat verweerder een onjuiste beoordeling van de zwaarwegendheid heeft gemaakt. Verweerder heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de eerdere vervolging zich niet opnieuw zal voordoen bij eisers. Ten slotte mocht verweerder de asielaanvragen van eisers niet als kennelijk ongegrond afwijzen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 17 juni 2026 deze aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eisers hebben beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 4 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1994 en eiser is geboren op [geboortedatum 2] 1989. Eisers zijn echtgenoten, hebben de Turkse nationaliteit en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. 3.1. Eiseres heeft asiel aangevraagd om de volgende redenen. In Turkije liep een strafzaak tegen eiseres. Eiseres werd ervan beschuldigd propaganda te maken voor bepaalde Koerdische organisaties. Eiseres kreeg in 2020 een voorwaardelijke straf van vijf jaar. Deze voorwaardelijke straf is vorig jaar, in 2025, komen te vervallen. Daarnaast heeft eiseres problemen ervaren in Turkije vanwege haar Koerdische afkomst en door haar werkzaamheden als journalist. Bij terugkeer vreest eiseres dat er een nieuwe zaak tegen haar wordt geopend omdat zij een Koerdische journalist is en eiseres vreest voor de geheime rechtszaak tegen haar echtgenoot (eiser). 3.2. Eiser heeft asiel aangevraagd om de volgende redenen. Eiser heeft sinds 2008 problemen ervaren met de Turkse autoriteiten vanwege zijn werkzaamheden als journalist. In 2009 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden omdat eiser volgens de rechtbank propaganda had gemaakt voor de Koerdische partij PKK. Eiser is na de couppoging in 2016 gehoord door de politie. Sinds 2016 loopt er een geheime zaak tegen eiser. Deze zaak is in 2020 gesplitst en het onderzoek zou zich richten op het maken van propaganda voor Koerdische organisaties. Eiser ervaarde steeds meer onderdrukking en begon daarom zelfcensuur toe te passen. Uiteindelijk besloot eiser in 2023 Turkije te verlaten met zijn echtgenote (eiseres) en naar Nederland te vluchten. Eiser stelt ook gediscrimineerd te worden op basis van zijn Koerdische afkomst. Bij terugkeer vreest eiser opnieuw te worden vastgezet wegens zijn werkzaamheden als Koerdische journalist en een voor een voortzetting van de discriminatie. De bestreden besluiten Bestreden besluit van eiseres 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante motieven: identiteit, nationaliteit, herkomst; problemen vanwege de journalistieke werkzaamheden en politieke uitingen; problemen vanwege de Koerdische etniciteit. Verweerder vindt de asielmotieven van eiseres geloofwaardig. Echter leiden deze motieven niet tot een asielvergunning. Dat eiseres uit Turkije komt is onvoldoende. Verweerder neemt voor personen uit Turkije die actief zijn in de journalistiek aan dat zij vallen onder een risicoprofiel. Er geldt echter wel een individualiseringsvereiste omdat uit algemene landeninformatie blijkt dat niet alle journalisten onvoorwaardelijk gevaar voor vervolging lopen. Eiseres heeft niet aan dit individualiseringsvereiste voldaan. Zo was de rechtszaak in 2015 aangespannen en de voorwaardelijke straf van vijf jaar is verlopen. Niet wordt ingezien hoe deze zaak nog voor problemen bij terugkeer zal zorgen en het is onduidelijk of er nog een andere zaak tegen eiseres loopt volgens verweerder. Eiseres was en is actief op sociale media en vanaf 2020 werkzaam als journalist, maar hierdoor is zij niet meer in de problemen gekomen met de autoriteiten. Verweerder volgt wel dat eiseres vervelende aanvaringen heeft gehad met de autoriteiten, maar er wordt niet ingezien dat eiseres in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten of problemen kan verwachten bij terugkomst in Turkije. Daarnaast wordt niet gevolgd dat er een geheime zaak tegen eiser loopt. Ook heeft de familie van eiseres in Turkije geen problemen gehad met de autoriteiten, eiseres heeft Turkije legaal en probleemloos kunnen verlaten en de door haar gestelde toekomstige vrees voor de autoriteiten is gebaseerd op vermoedens. Verweerder volgt dat eiseres een politieke overtuiging heeft, maar uit haar verklaringen is niet gebleken waarom zij bij terugkeer haar journalistieke en politieke uitingen niet zou kunnen hervatten. In het kader van de ervaren discriminatie wordt eiseres niet zodanig beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Turkije. Eiseres is daarom geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en eiseres krijgt ook geen subsidiaire bescherming. 4.1. De asielaanvraag van eiseres is afgewezen als kennelijk ongegrond volgens artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres heeft niet direct asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiseres is op 7 september 2023 Nederland ingereisd en heeft pas op 21 september 2023 asiel aangevraagd. 4.2. Eiseres heeft een terugkeerbesluit gekregen. Zij moet binnen vier weken terugkeren naar Turkije. Bestreden besluit van eiser 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante motieven: identiteit, nationaliteit, herkomst; problemen vanwege de journalistieke werkzaamheden; problemen vanwege de Koerdische etniciteit. Verweerder vindt de asielmotieven van eiser geloofwaardig. Echter leiden deze motieven niet tot een asielvergunning. Dat eiser uit Turkije komt is onvoldoende. Verweerder neemt voor personen uit Turkije die actief zijn in de journalistiek aan dat zij vallen onder een risicoprofiel. Eiser heeft echter niet aan het individualiseringsvereiste voldaan. Eiser is in het verleden blootgesteld aan vervolging, maar sinds 2020 heeft hij geen problemen meer met de autoriteiten terwijl eiser zich wel op sociale media en als journalist heeft uitgelaten. Dit doet volgens verweerder afbreuk aan gestelde vrees voor nieuwe vervolging. Daarnaast volgt verweerder de stelling van eiser niet dat er een geheim onderzoek naar hem loopt sinds 2016. Zo heeft eiser geen inzageverzoeken van zijn advocaat overgelegd terwijl eiser tijdens het gehoor wel heeft aangegeven hierover over te beschikken. Na tien jaar zijn er geen concrete aanwijzingen dat het geheime vooronderzoek en de geheime strafzaak zullen leiden tot vervolging. Ook is het uitreisverbod van eiser opgeheven in 2020. Verweerder vindt het ongerijmd dat eiser vervolgens heeft gewacht tot 2023 om Turkije te verlaten en daarnaast heeft eiser dit probleemloos en legaal kunnen doen. In het kader van de ervaren discriminatie werpt verweerder tegen dat eiser niet zodanig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren in Turkije. Eiser is daarom geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en eiser krijgt ook geen subsidiaire bescherming. 5.1. De asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond volgens artikel 42, lid h, van de Procedureverordening . Eiser heeft niet direct asiel aangevraagd toen dat mogelijk was. Eiseres is op 7 september 2023 Nederland ingereisd en heeft pas op 21 september 2023 asiel aangevraagd. 5.2. Eiser heeft een terugkeerbesluit gekregen. Hij moet binnen vier weken terugkeren naar Turkije. Heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging bij Koerdische journalisten uit Turkije? 6. Eiser voeren aan dat er sprake is van groepsvervolging in het geval van Koerdische journalisten die voor Koerdische media schrijven en schrijven over de Koerdische autonomie. Deze groep ligt volgens eisers zwaar en stelselmatig onder vuur in Turkije. Eisers verwijzen in dit kader naar verschillende openbare bronnen zoals het algemeen ambtsbericht over Turkije, een rapport uit 2026 van de Mensenrechtencommissaris van de raad van Europa, een country report van de Berstelsmann Stiftung uit 2026, een document van RSF (Reporters Sans Frontieres) uit 2026 en een rapport van UK Home Office over Koerden in Turkije uit 2025. Verweerder heeft volgens eisers onvoldoende gemotiveerd wat de betekenis is van het vallen onder het risicoprofiel, omdat eisers niet alleen journalist zijn maar ook tot de Koerdische bevolkingsgroep horen. 6.1. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van groepsvervolging in het geval van Koerdische journalisten. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen. Uit het algemeen ambtsbericht Turkije volgt dat Koerdische media en journalisten in het bijzonder de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten trekken. Koerdische journalisten werden voortdurend strafrechtelijk onderzocht en gedetineerd, aldus het ambtsbericht. Uit het rapport van de UK Home Office van 2025, volgt dat in 2022 de Turkse overheid tientallen journalisten strafrechtelijk heeft onderzocht en heeft gedetineerd. Verder volgt uit dit rapport: ‘ In July 2024, 8 out of 11 Kurdish journalists who were tried were convicted of ‘membership of a terrorist organisation’ and each sentenced to 6 years and 3 months in prison. Nearly all Kurdish-language newspapers, television channels and radio stations remained closed on security grounds under government decrees .’ Ook volgt uit het Human Rights Watch (HRW) World Report 2025 over Turkije , dat Koerdische journalisten in 2024 disproportioneel werden geraakt. Verweerder heeft zich hier niet over uitgelaten in het bestreden besluit. De rechtbank acht in dit kader ook van belang eisers ter zitting hebben aangevuld dat zij daarbij ook als Koerdisch politiek activist gezien kunnen worden (toegedicht) door de Turkse autoriteiten. In dit verband wijst de rechtbank ook op het landenbeleid van verweerder, waarin is opgenomen dat DEM-activisten als risicogroep worden gezien. Ter zitting heeft de rechtbank verweerder gevraagd naar de relevante criteria voor een dergelijke aanwijzing dat er sprake is van groepsvervolging en hoe die zich verhouden tot de beschikbare landeninformatie. Verweerder heeft echter alleen aangegeven dat niet blijkt dat elke Koerdische journalist bij terugkeer wordt vervolgd, maar heeft daarbij niet kunnen motiveren waar deze maatstaf vandaan komt of op welke landeninformatie hij zich baseert. De rechtbank constateert dat verweerder hiervoor beleid heeft, waarin is opgenomen dat het moet gaan om een groep vreemdelingen die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging. Dat daar op dit moment geen sprake van is volgens verweerder is, gelet op de overgelegde landeninformatie, niet duidelijk voor de rechtbank. Verweerder heeft ter zitting verzocht om een nadere termijn om schriftelijk te kunnen reageren op dit punt. De rechtbank ziet daar geen aanleiding voor gelet op de volgende overwegingen. Heeft verweerder het geheime onderzoek naar eiser op de juiste wijze betrokken in de besluitvorming? 7. Eisers hebben de rechtbank er ter zitting op gewezen dat in de bestreden besluiten staat dat verweerder twijfelt of er een geheime zaak tegen eiser loopt . Verweerder heeft echter geen geloofwaardigheidsbeoordeling gemaakt. Als hij twijfelt aan wat eiser heeft verklaard, had verweerder volgens eisers een geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken. Eisers hebben er ook op gewezen dat zij een stuk uit 2017 hebben overgelegd bij de correcties en aanvullingen dat ziet op de geheime zaak. Dit had verweerder moeten betrekken bij zijn beoordeling. 7.1. De rechtbank overweegt het volgende over het geheime onderzoek naar eiser. Verweerder heeft in de bestreden besluiten de onderscheiden asielmotieven geloofwaardig geacht en dus geen geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen van eisers gemaakt aan de hand van werkinstructie 2024/6. De rechtbank constateert dat verweerder in de bestreden besluiten enerzijds het standpunt inneemt dat er sinds 2016 geen concrete aanwijzingen zijn dat het geheime vooronderzoek en de geheime strafzaak naar eiser zullen leiden tot vervolging, wat er op wijst dat verweerder wel geloofwaardig acht dat er een geheime zaak is gestart tegen eiser. Anderzijds werpt verweerder ook tegen dat het niet inzichtelijk is dat er een inzage verzoek door de advocaat is gedaan en dat dit twijfels oproept of er wel een geheime zaak tegen eiser loopt. Op zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven dat hij de geheime zaak tegen eiser niet geloofwaardig acht. Gelet op genoemde punten in het bestreden besluit en het feit dat er geen geloofwaardigheidsbeoordeling is gemaakt acht de rechtbank het zonder nadere toelichting niet inzichtelijk op basis waarvan verweerder zijn standpunt op zitting inneemt. De rechtbank concludeert daarom dat verweerders standpunt op dit punt onvoldoende duidelijk is. Verweerder heeft verder het stuk waar eisers op hebben gewezen niet betrokken en hierover geen standpunt ingenomen. De rechtbank acht de bestreden besluiten daarom ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Heeft verweerder de zwaarwegendheid juist beoordeeld? 8. Eisers voeren, kortgezegd, aan dat verweerder niet heeft voldaan aan de bewijsmaatstaf van artikel 31, vijfde lid, van de Vw. Eisers zijn namelijk eerder blootgesteld aan daden van vervolging, waardoor het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat zich dat niet zal herhalen bij terugkeer naar Turkije. Eiseres stellen dat verweerder op dit punt heeft verzuimd om in te gaan op essentiële aspecten voor de risicobeoordeling. 8.1. Verweerder heeft het bestreden besluit gehandhaafd op dit punt en zijn standpunt aangevuld ter zitting. Verweerder heeft erkend dat sprake is geweest van daden van vervolging in het verleden. Sinds 2020 hebben er echter, wat betreft de laatste daad van vervolging ten aanzien van eiseres, geen gebeurtenissen meer plaatsgevonden die leiden tot de conclusie dat eisers bij terugkeer te vrezen hebben voor vervolging of dat er aanwijzingen zijn dat zij in de negatieve aandacht staan. 8.2. De rechtbank stelt vast dat de door eisers genoemde bepaling niet meer van kracht is maar dat dezelfde verplichting voor verweerder volgt uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Uit die bepaling volgt dat blootstelling aan vervolging of ernstige schade in het verleden een duidelijke aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel. Daar komt bij dat bij eerdere blootstelling aan vervolging of ernstige schade, de bewijslast naar verweerder verschuift en hij moet motiveren waarom die zich niet opnieuw zal voordoen . 8.3. De rechtbank volgt de stelling van eisers dat verweerder een onjuiste beoordeling van de zwaarwegendheid heeft gemaakt. Verweerder heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de eerdere vervolging zich niet opnieuw zal voordoen bij eisers. De rechtbank is als volgt tot deze conclusie gekomen. 8.4. De rechtbank is ten eerste van oordeel dat verweerder een onvoldoende toekomstgerichte risico-inschatting heeft gemaakt aan de hand van de beschikbare landeninformatie. Verweerder heeft voor zijn risico-inschatting alleen de gebeurtenissen tussen de eerdere vervolging en het vertrek beoordeeld. Uit het gebrek aan overheidshandelen in die periode concludeert verweerder dat niet aannemelijk is dat eisers bij terugkomst risico zullen lopen. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder voor deze conclusie landeninformatie heeft geraadpleegd. Uit de landeninformatie over Turkije blijkt bovendien dat de vervolging, van Koerdische journalisten en van personen die kritiek hebben op de Turkse overheid, willekeurig is en moeilijk te voorspellen aan de hand van eerder onderzoek door de autoriteiten. De motivering van verweerder in de bestreden besluiten dat eisers niet (meer) in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten, is daarom onvoldoende volgens de rechtbank. 8.5. Daarnaast heeft verweerder de gebeurtenissen tussen vervolging en het vertrek in 2023 onjuist beoordeeld. Het standpunt van verweerder dat eisers in die periode gewoon hun werk als journalisten hebben kunnen doen in Turkije, volgt de rechtbank niet, omdat uit de verklaringen van eisers iets anders blijkt. Zo heeft eiser verklaard dat hij zelfcensuur toepaste. Eiseres heeft verklaard dat zij in 2020 ontslag heeft genomen bij haar werkgever [naam krant] , een krant die zich voornamelijk richtte op vrouwen, kinderen en Koerden, wegens de politie-invallen en daarna is zij softer geworden in haar berichtgeving. Ook werd eiseres gecensureerd door de overheid . Verweerder heeft deze omstandigheden ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. 8.6. Ten derde is verweerder volgens de rechtbank ook niet ingegaan op de inhoud van de berichtgeving en/of nieuwsartikelen van eisers. Dat is met name van belang in het licht van de landeninformatie uit het algemeen ambtsbericht . Hieruit volgt dat kritische en dissonante berichten over onderwerpen als president Erdoğan en zijn familie, militaire operaties van de Turkse strijdkrachten, de politieke en culturele rechten van de Koerdische minderheid en het conflict tussen de Turkse staat en de PKK, de negatieve aandacht trokken van de autoriteiten. Eisers hebben aangegeven over dergelijke onderwerpen te hebben geschreven en hebben bij de correcties en aanvullingen ook artikelen hierover overgelegd. Ook hebben eisers – onder verwijzing naar landeninformatie – naar voren gebracht dat zij voor verscheidene nieuwsplatforms hebben gewerkt die de negatieve aandacht trekken van de Turkse autoriteiten. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat dit is meegenomen in de beoordeling en ook ter zitting heeft verweerder hier onvoldoende op gereageerd. 8.7. De rechtbank overweegt ten vierde dat verweerder niet is ingegaan op de journalistieke werkzaamheden van eisers in Nederland. Zo heeft eiseres verklaard dat zij in Nederland nog een artikel heeft geschreven voor een Nederlandse krant en dat zij actief is geweest op haar sociale media en over het algemeen post over de democratie in Turkije en de positie van de Koerden . Uit het algemeen ambtsbericht volgt dat de Turkse autoriteiten sociale mediaberichten monitoren als deze kritische uitlatingen bevatten. Bij de correcties en aanvullingen is ook een artikel uit 2025 overgelegd van eiser waarin schrijft over de staatscontrole van de Turkse media. Daarnaast heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij Youtube video’s is gaan presenteren en/of maken voor een kanaal met 300.000 volgers wat zich richt op de politiek in Turkije. Dit kanaal is opgericht tijdens het verblijf van eiser in Nederland omdat het kanaal acht á negen maanden bestond ten tijde van het nader gehoor . De rechtbank acht van belang dat verweerder deze (journalistieke) uitingen in Nederland betrekt bij het nieuw te nemen besluit, omdat eisers zich opnieuw kritisch hebben geuit over de Turkse overheid. 8.8. De rechtbank overweegt ook dat verweerder onjuist heeft beoordeeld hoe eisers zich bij terugkomst in Turkije (politiek) willen uiten. De rechtbank constateert dat verweerder ten onrechte deze beoordeling in zijn geheel niet heeft gemaakt in het bestreden besluit van eiser. Daarnaast heeft verweerder dit in het bestreden besluit van eiseres onvoldoende gemotiveerd, omdat verweerder ervan uit is gegaan dat eiseres haar journalistieke activiteiten en haar kritische uitingen sinds de vervolging heeft voortgezet zoals zij dat daarvoor deed. In overweging 9.2. heeft de rechtbank echter geoordeeld dat dit standpunt van verweerder niet klopt. 8.9. Ten slotte overweegt de rechtbank dat de legale uitreis en het verkrijgen van een paspoort, gelet op de vorige overwegingen, de landeninformatie en de jurisprudentie die op zitting is besproken, niet voldoende zijn om op zichzelf de bewijslast te halen waar verweerder in deze zaak aan moet voldoen. De legale uitreis en de verkregen paspoorten sluiten volgens de rechtbank niet uit dat eisers in de negatieve belangstelling van de autoriteiten kunnen staan. Ook deze omstandigheid dient verweerder dus opnieuw te beoordelen. Heeft verweerder de bestreden besluiten als kennelijk ongegrond mogen afdoen? 9. Eisers voeren aan dat zij visumvrij en legaal in Nederland waren ten tijde van hun aanvraag en dat artikel 42, eerste lid, onder h, van de Procedureverordening hen niet kan worden tegengeworpen. Die bepaling betreft personen die illegaal inreizen of illegaal zijn en die situatie is dus niet van toepassing op eisers. 9.1. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit van eiseres gebaseerd op artikel 30b van de Vw en in het bestreden besluit van eiser heeft verweerder verwezen naar artikel 42, lid h, van de Procedureverordening. In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat per abuis in het besluit van eiser een verkeerd artikel is genoemd. Verweerder heeft dit hersteld door te verwijzen naar artikel 42, eerste lid, aanhef en onder i van de Procedureverordening. Ter zitting heeft verweerder echter aangegeven dat de Procedureverordening niet van toepassing is op de afdoeningsgronden bij asielaanvragen die zijn gedaan vóór 12 juni 2026. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw (oud) van toepassing is op de situatie van beide eisers, omdat niet in geschil is dat eisers zich niet binnen 48 uur hebben gemeld voor asiel. 10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bestreden besluiten niet als kennelijk ongegrond mocht afwijzen. Verweerder heeft erkend dat het bestreden besluit van eiser een gebrek bevat. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat verweerder de asielaanvragen van eisers niet als kennelijk ongegrond mocht afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw. Dit artikel ziet op situaties waarbij vreemdelingen onrechtmatig Nederland zijn binnengekomen. Eisers zijn Nederland legaal ingereisd met een visum en hebben daarnaast voor het verstrijken van het visum asiel aangevraagd. De rechtbank wijst in dit kader op een uitspraak van deze rechtbank van 26 april 2023, waar eisers op hebben gewezen, op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 21 oktober 2025 en op een uitspraak van deze rechtbank van 7 september 2023. Conclusie en gevolgen 11. Verweerder heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. 11.1. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvragen te nemen. De rechtbank acht van belang dat verweerder eerst een gemotiveerd standpunt inneemt of er sprake is van groepsvervolging van Koerdische journalisten. Daarnaast moet verweerder, als hij vindt dat geen sprake is van groepsvervolging, een duidelijk standpunt innemen over de geheime zaak naar eiser. Verweerder zal, als hij twijfelt aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen over het geheime onderzoek, een geloofwaardigheidsbeoordeling moeten maken. Als verweerder het geheime onderzoek geloofwaardig acht, dan zal verweerder dat moeten betrekken bij zijn zwaarwegendheidsbeoordeling die hij bovendien moet maken met inachtneming van wat de rechtbank onder 8.3-8.10 heeft overwogen. Bij zijn standpunt over het geheime onderzoek moet verweerder ook het door eisers overgelegde document uit 2017 betrekken. Verder hebben eisers ter zitting aangegeven nog een document te hebben van een advocaat dat de eerder gedane inzageverzoeken zou kunnen onderbouwen. Verweerder moet eisers bij een nieuwe beoordeling in de gelegenheid stellen om dit document over te leggen Als dit document wordt overlegd, zal verweerder dit ook bij zijn beoordeling moeten betrekken. 11.2. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder nieuw besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. 11.3. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft twee beroepschriften ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.802,-. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten van 17 juni 2026; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Nederpel, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie C9/34.3.2. van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Verordening (EU) 2024/1348. Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, p. 28. HRW, World Report 2025: Türkiye, 16 januari 2025. Deze bron wordt ook genoemd in het UK Home Office rapport van 2025. Zie bestreden besluit van eiser p. 6 en bestreden besluit van eiseres p. 5. Zie bestreden besluit van eiser p. 6. Verordening (EU) 2024/1347. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1971. Zie het algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, p. 28, 35, 37. Nader gehoor eiser, p. 13. Nader gehoor eiseres, p. 16. Nader gehoor eiseres, p. 7. Zie het algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, p. 29 en 35. Nader gehoor eiseres, p. 12 en p. 17. Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, p. 35. Nader gehoor eiser, p. 10 en p. 12. Algemeen ambtsbericht Turkije februari 2025, p. 37. Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1743. NL23.8891. NL25.27544 (niet gepubliceerd). ECLI:NL:RBDHA:2023:13782.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353549 · 2026-08-27
