Skip to content
Case Law · Rechtbank Den Haag ·ECLI:NL:RBDHA:2026:23872 NL LLM context A cited markdown file you can paste into your AI assistant (ChatGPT, Claude, a RAG or project knowledge base) to ground it in this document. Contains: this document’s text, its sections with their topics, and the full text of every law provision it applies. Everything links back to its source on overview.legal — legal information, not advice.

Rechtbank Den Haag, 11-08-2026 (NL26.8629, NL26.22830)

Rechtbank Den Haag
Summary

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De rechtbank vindt de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig en komt tot de conclusie dat eiser in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming nu eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Verweerder heeft daarmee onterecht de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, en had ook geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen of een inreisverbod mogen opleggen

Full text

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL26.8629 (beroep) en NL26.22830 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], V-nummer: [#], eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. M. Pals), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en draagt verweerder op aan eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. De rechtbank vindt de problemen van eiser met Al-Shabaab geloofwaardig en komt tot de conclusie dat eiser in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming nu eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Verweerder heeft daarmee onterecht de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, en had ook geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen of een inreisverbod mogen opleggen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 4 juli 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 14 april 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft hij verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. 2.2. De rechtbank heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. Eiser is in 2022 gerekruteerd door Al-Shabaab. Hij werkte voor de rekrutering bij een restaurant in [plaats], waar eiser ook vandaan komt. Eiser is ontslagen en na zijn ontslag is hij door een man benaderd van wie eiser dacht dat hij werk voor hem zou hebben. Onbewust van dat de man bij Al-Shabaab hoorde, is eiser bij hem in de auto gestapt. Tijdens de autorit werd eiser geblinddoekt. Hij werd naar een kamp van Al-Shabaab gebracht, waar hij werd vastgehouden. Op de derde nacht is eiser met een andere jongen uit het kamp ontsnapt. Na de ontsnapping is eiser tijdelijk bij zijn moeder in Mogadishu gebleven. Echter, eiser kwam erachter dat Al-Shabaab naar hem op zoek was. Hij is naar zijn moeder gegaan en bij een vrouw, genaamd [naam 2], voor een jaar lang ondergedoken. Op het moment dat eiser weer naar buiten ging, kwam hij de jongen tegen met wie hij in het kamp heeft gezeten. Eiser heeft hem zijn telefoonnummer en de gegevens van [naam 2] gegeven. Deze jongen bleek bij Al-Shabaab te horen. [naam 2] werd gebeld door Al-Shabaab, met de mededeling dat zij nog steeds naar eiser op zoek waren. De moeder van eiser heeft hem daarom geholpen het land te verlaten. Eiser vreest vermoord te worden door Al-Shabaab, nu zij naar hem zoek zijn en hem eerder met de dood hebben bedreigd. Het bestreden besluit 4. Verweerder wijst de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond . Verweerder vaardigt aan eiser een terugkeerbesluit uit en legt ook een inreisverbod op. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen met de Al-Shabaab. 4.1. Verweerder acht van het eerste asielmotief de identiteit deels geloofwaardig en de nationaliteit en herkomst wel geloofwaardig. Verweerder vindt de leeftijd van eiser niet geloofwaardig, en stelt dat zijn geboortedatum op [geboortedatum] 2006 moet worden vastgesteld. De twee leeftijdsschouwen geven geen eenduidig beeld van de leeftijd van eiser en eiser is in Griekenland geregistreerd met als geboortejaar 2006. Eiser heeft volgens verweerder onvoldoende gedaan om in Griekenland deze geboortedatum te corrigeren. Verweerder betrekt bij de vaststelling van de leeftijd ook dat de geboorteakte en identiteitskaart van eiser niet echt zijn bevonden door Bureau Documenten, en dat eiser dus valse documenten heeft overgeleverd. 4.2. Verweerder acht de problemen met Al-Shabaab deels geloofwaardig. Verweerder acht het geloofwaardig dat eiser door Al-Shabaab is meegenomen, drie dagen heeft verbleven in hun kamp en dat eiser is ontsnapt. Verder acht verweerder het geloofwaardig dat eiser zijn moeder hem niet blijvend op wilde vangen. Verweerder volgt niet dat eiser actief wordt gezocht door Al-Shabaab. Verweerder wijst hierbij specifiek op de beperkte capaciteit van Al-Shabaab en acht het gelet daarop niet aannemelijk dat eiser dusdanig specifieke talenten heeft dat Al-Shabaab hun beperkte capaciteit zou gebruiken om eiser op te sporen. Het is verder volgens verweerder onlogisch dat eiser vrij precies heeft verteld waar hij woont, en dat informanten volgens eiser makkelijk aan adressen kunnen komen, maar dat ze hem niet hebben gevonden in de dagen dat eiser bij zijn buren ondergedoken zat. Verder acht verweerder het ongeloofwaardig dat eiser meerdere dagen bij [naam 2] is verbleven, nadat eiser zijn gegevens heeft gedeeld met een jongen die bij Al-Shabaab werkzaam bleek te zijn. Dit geldt ook voor het feit dat eiser deze gegevens überhaupt heeft gedeeld. Tot slot acht verweerder het contact tussen Al-Shabaab en eisers moeder vaag. Het is onduidelijk hoe zij aan haar nummer zijn gekomen en verweerder vindt dat eiser gedetailleerder over dit contact had moeten verklaren. 4.3. Nu verweerder het niet aannemelijk acht dat eiser wordt gezocht door Al-Shabaab in Mogadishu, werpt verweerder dit tegen als binnenlands vestigingsalternatief. Eiser kan zich hier bij zijn moeder vestigen en Mogadishu is een gebied wat onder controle staat van de overheid. Tot slot is niet sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatieverordening . Verweerder neemt conform paragraaf C9/30.4.2 van de Vc voor Somalië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de stad Mogadishu. Eiser heeft verder geen individuele omstandigheden aangevoerd die ertoe leiden dat hij een groter risico zou lopen op willekeurig geweld. Is de leeftijd van eiser geloofwaardig? 5. Eiser voert aan dat de schouw van de AVIM geen stand kan houden. Verweerder heeft in het bestreden besluit onvoldoende betrokken dat bij beide leeftijdsschouwen tegenovergestelde conclusies zijn getrokken over het uiterlijk en de verklaringen van eiser. Eiser voert aan dat het niet duidelijk is waarom de AVIM eiser op basis van zijn kenmerken als evident meerderjarig aanmerkt, nu de hoormedewerker tijdens de tweede leeftijdsschouw op basis van dezelfde kenmerken tot de conclusie komt dat eiser evident minderjarig is. Hierbij is het onjuist om eiser volledig verantwoordelijk te stellen voor het correct noteren van zijn persoonsgegevens in Griekenland. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) volgt daarbij dat Griekenland de procedure voor leeftijdsbepaling niet volgt . 6. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt hierbij als volgt. Verweerder moet bij een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn, maar aan welke minderjarigheid hij twijfelt, in beginsel uitgaan van het vermoeden dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige behandelen. Het is aan verweerder om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Uit Werkinstructie 2025/1 volgt dat hij dan onderzoek zal moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, zal hij dat moeten motiveren. Als verweerder een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, mag hij die bij de beoordeling van de vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze verklaring in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring. Verweerder zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van de vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. 6.1. Nu de leeftijdsschouw van de AVIM en de leeftijdsschouw van de hoormedewerker tegenstrijdige conclusies opleveren, kan aan de uitkomsten hiervan geen waarde worden toegekend afgezien van dat twijfel bestaat over de leeftijd van eiser. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het vermoeden van minderjarigheid voldoende heeft weten te ontkrachten. De rechtbank acht hierbij doorslaggevend dat eiser ter staving van zijn gestelde minderjarigheid twee vals bevonden documenten heeft overhandigd. Eiser heeft hierover verklaard dat hij de documenten met zijn moeder bij een officiële overheidsinstantie heeft opgehaald. Uit het ambtsbericht 2025 volgt dat corruptie binnen de Somalische overheid wijdverbreid is en dat als gevolg daarvan op frauduleuze wijze officiële documenten worden verkregen. Dit is onvoldoende om de stelling dat Somalische documenten in beginsel onbetrouwbaar zijn of valselijk worden afgegeven, nu verweerder terecht heeft aangedragen dat Bureau Documenten Somalische documenten niet in algemene zin negatief beoordeelt. Daarbij had het op de weg van eiser gelegen om, als hij de valsheid van de documenten betwist, een contra-expertise in te brengen. Dit heeft eiser niet gedaan. De beroepsgrond slaag daarom niet. Heeft verweerder de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig mogen achten? 7. Eiser voert aan dat verweerder meerdere punten van zijn relaas niet ongeloofwaardig heeft mogen achten. In tegenstelling tot wat verweerder stelt, hoef je niet belangrijk te zijn, noch belangrijke vaardigheden te hebben om het risico te lopen gedood te worden als je het bevel van Al-Shabaab niet opvolgt. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een artikel van Marijke Jongejan , een mailwisseling met Somalië-deskundige Tony Burns en een verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Somalië 2025 (AAB 2025). Verweerder is niet inhoudelijk ingegaan op deze bronnen. Verder voert eiser aan dat het geven van de gegevens aan [naam 2] aan de jongen met wie hij in het kamp heeft gezeten en zijn verblijf bij [naam 2] van 3 à 4 dagen, wel geloofwaardig is. Eiser ging ervan uit dat de jongen ook uit het kamp was ontsnapt en hij hem daardoor kon vertrouwen. Mede vanwege zijn jonge leeftijd, heeft eiser destijds de consequenties van het delen van de gegevens van [naam 2] niet kunnen overzien. Eiser heeft voor een paar dagen bij [naam 2] kunnen blijven nadat zij gebeld is door Al-Shabaab, omdat Al-Shabaab niet altijd direct actie onderneemt en eiser daarmee geluk heeft gehad. Eiser voert aan dat hij heeft verklaard dat Al-Shabaab via de buren dan wel het uitgebreide informantennetwerk van Al-Shabaab aan het telefoonnummer van zijn moeder is gekomen. Verweerder kan hem daarom niet tegenwerpen dat het vaag is hoe Al-Shabaab aan het telefoonnummer van zijn moeder is gekomen. Het is volgens eiser ook niet onlogisch dat er een periode van 10 dagen was verstreken voor het contact tussen zijn moeder en Al-Shabaab, nu Al-Shabaab bezig was met een offensief en daarom andere prioriteiten had. Eiser voert verder nog aan dat hij inmiddels contact heeft gehad met zijn moeder, en hij van haar heeft vernomen dat Al-Shabaab op 20 maart 2026 nog contact heeft gezocht met haar. Vaardigheden 7.1. Ten aanzien van de bijzondere vaardigheden die eiser zou moeten bezitten alvorens Al-Shabaab naar hem op zoek zou gaan, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat Al-Shabaab slechts naar eiser op zoek zou zijn indien hij bijzondere vaardigheden bezit. Uit de door eiser overlegde bronnen blijkt juist dat de werkwijze van Al-Shabaab vaak onvoorspelbaar is. Uit het artikel van Jongejan volgt bijvoorbeeld dat Al-Shabaab niet één enkele modus operandi heeft of dat er een vastgesteld proces van escaleren bestaat bij het uitoefenen van de dreigementen door Al-Shabaab. Uit dit artikel volgt voorts dat vanwege de niet-eenduidige uitkomsten van de landeninformatie ten aanzien van de handelswijze van Al-Shabaab, verweerder niet zonder nadere onderbouwing kan tegenwerpen dat deze handelswijze in een specifiek geval ongeloofwaardig zou zijn . Bovendien lopen deserteurs altijd het risico om gedood te worden, ongeacht hun individuele waarde voor Al-Shabaab . De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit met zijn aangevoerde bronnen en toelichting ter zitting niet heeft weerlegd. Voor verweerder kan het onlogisch lijken dat Al-Shabaab naar eiser op zoek is, maar daarmee onderbouwd verweerder onvoldoende dat het ook ongeloofwaardig is. De rechtbank kan deze tegenwerping van verweerder daarom niet volgen. Delen informatie jongen en navolgend verblijf van 3 à 4 dagen bij [naam 2] 7.2. Ten aanzien van de gegevens van [naam 2] die eiser heeft gedeeld en zijn verblijf bij [naam 2] nadat zij door Al-Shabaab is gebeld, overweegt de rechtbank als volgt. Dat eiser de gegevens aan de medegevangene uit het kamp heeft gegeven, kan verweerder beschouwen als een niet-weloverwogen keuze, maar gelet op de omstandigheden en de jonge leeftijd van eiser is die keuze niet onaannemelijk. Eiser is samen met de jongen uit het kamp gevlucht en dacht daarom de jongen kunnen te vertrouwen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit verloop van omstandigheden niet geloofwaardig is. De rechtbank vindt daarnaast de uitleg van eiser over waarom hij nog bij [naam 2] heeft verbleven nadat Al-Shabaab had gebeld, niet onlogisch. Hierbij betrekt de rechtbank dat van eiser niet verwacht kan worden dat hij de werkwijze van Al-Shabaab kan duiden. Telefoonnummer moeder eiser via buren en telefooncontact moeder 7.3. Ten aanzien van het contact tussen de moeder van eiser en Al-Shabaab, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder kan het onlogisch vinden hoe Al-Shabaab precies aan het telefoonnummer van eisers moeder is gekomen en dat hier een periode van 10 dagen aan vooraf is gegaan, maar ook hierover oordeelt de rechtbank dat van eiser niet verwacht kan worden dat hij de handelswijze van Al-Shabaab kan duiden en dat hij daarmee kan uitleggen wanneer en waarom Al-Shabaab bepaalde acties onderneemt. In het licht van wat reeds geloofwaardig is bevonden, is dit beloop onvoldoende om deze tegenwerping te kunnen handhaven. Verweerder heeft wel kunnen tegenwerpen dat eiser uitgebreider had kunnen verklaren over het telefonisch contact tussen zijn moeder, [naam 2] en Al-Shabaab. Echter, dit is onvoldoende om het relaas ongeloofwaardig te vinden. 7.4. De rechtbank komt gelet op het bovenstaande tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de (toekomstige) problemen van eiser met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. Hierbij betrekt de rechtbank dat verweerder meerdere cruciale onderdelen uit het asielrelaas van eiser, zoals de gedwongen rekrutering, het verblijf in het kamp en de ontsnapping hieruit geloofwaardig acht. De onderdelen die verweerder onlogisch vindt en waarover hij tegenwerpingen maakt, geven onvoldoende grond om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het document dat door eiser is overgelegd vals is bevonden, onvoldoende om de gehele geloofwaardigheid van het asielrelaas te ontkrachten. Dit geldt des te meer, nu de rechtbank het asielrelaas van eiser geloofwaardig acht. 7.5. In de arresten Quotal en Ebilum heeft het Hof overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze arresten toetst de rechtbank de geloofwaardigheid daarom nu vol. Vol toetsend, is de rechtbank van oordeel, gelet op wat al geloofwaardig is geacht door verweerder en wat hierboven is overwogen onder 7.1 – 7.4 over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser, dat moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de problemen met Al-Shabaab. Dit geldt ook voor de negatieve aandacht die eiser vreest bij terugkeer naar Somalië. Zijn de problemen van eiser voldoende zwaarwegend? 8. Eiser voert aan dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij wijst erop dat Al-Shabaab naar hem op zoek is en dat zij hem willen vermoorden. Eiser voert aan dat hij niet veilig terug kan keren naar [plaats] en dat Mogadishu ook niet kan gelden als binnenlands vestigingsalternatief. Hierbij wijst eiser erop dat uit het AAB 2023 en het EUAA-rapport 2025 volgt dat Mogadishu slechts in uitzonderlijke gevallen als vestigingsalternatief kan gelden. Dit is slechts zo indien je behoort tot een lokale meerderheidsclan, voldoende mogelijkheden hebt in je eigen onderhoud te voorzien, en je sociale netwerk. Nu eiser onderdeel uitmaakt van een minderheidsclan en geen grootfamilie heeft, kan hem dit niet worden tegengeworpen. 8.1. De rechtbank overweegt als volgt. Om in aanmerking te komen voor het vluchtelingschap in de zin van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw moet worden voldaan aan de voorwaarden die gesteld zijn in het Vluchtelingenverdrag, Dit betekent dat eiser vanwege een gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde groep of zijn politieke overtuiging niet terug kan keren naar zijn land van herkomst, De rechtbank volgt verweerder in zijn conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan een van deze voorwaarden voldoet en dat hij daarmee niet onder het Vluchtelingenverdrag valt. 8.2. Nu eiser niet in aanmerking komt voor vluchtelingschap, toetst de rechtbank of eiser in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Daarvoor moet eiser aannemelijk maken dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Het asielrelaas van eiser is reeds door de rechtbank geloofwaardig bevonden. Daarnaast volgt uit landeninformatie dat gedeserteerde leden, ook die van lagere rangen, vermoord worden wanneer zij worden ontdekt door Al-Shabaab . Ook is het risico op represailles voor iemand die aan Al-Shabaab heeft kunnen ontsnappen, erg hoog . Het EUAA-rapport 2025 wijst er daarnaast op dat deserteurs en hun familie risico lopen op vervolging door Al-Shabaab. Op basis van deze informatie is de rechtbank van oordeel dat eiser een hoog risico loopt in Somalië en dat eiser bij terugkeer naar [plaats] een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft dit met zijn stelling dat, enkel onder verwijzing naar Cedoca, een bron van de Belgische overheid uit 2023, er geen informatie is die aantoont dat Al-Shabaab deserteurs daadwerkelijk opspoort en doodt, niet kunnen ontkrachten. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat de door eiser overlegde bronnen recenter en talrijker zijn dan de bronnen waarop verweerder zich heeft gebaseerd. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het asielrelaas van eiser zwaarwegend is en dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt. 8.3. Tot slot toetst de rechtbank of het binnenlandse beschermingsalternatief terecht is tegengeworpen. Uit het EUAA-rapport 2025 en het AAB 2023 volgt dat een redelijk vestigingsalternatief in Mogadishu zich slechts voordoet bij alleenstaande en gezonde jonge mannen of kinderloze koppels zonder kwetsbaarheden, die behoren tot een lokale meerderheidsclan en die voldoende mogelijkheden hebben om in hun eigen onderhoud te voorzien. Eiser is een buitenechtelijk kind, behorend tot een minderheidsclan zonder grootfamilie. Dit maakt dat eiser niet onder de groep mensen valt waarvoor Mogadishu een redelijk vestigingsalternatief is. De stelling van verweerder dat eiser veilig bij zijn moeder terecht kan wordt niet gevolgd, omdat geloofwaardig is geacht dat de moeder van eiser al is gevonden door Al-Shabaab. Gelet op deze omstandigheden is het niet redelijk om Mogadishu als binnenlands vestigingsalternatief tegen te werpen. 8.4. Nu de rechtbank van oordeel is dat het asielrelaas van eiser zwaarwegend is en hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt en dat Mogadishu hem niet als vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden. Beroep niet tijdig beslissen 9. Eiser heeft op 4 juli 2024 asiel aangevraagd. Op 28 januari 2026 heeft eiser een ingebrekestelling verstuurd, omdat de beslistermijn ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling was verstreken. In deze ingebrekestelling heeft eiser verweerder verzocht om binnen twee weken een beschikking te geven. Verweerder heeft niet aan dit verzoek voldaan. Eiser heeft daarom op 16 februari 2026 een beroep niet tijdig ingediend. Verweerder heeft op 14 april 2026 het bestreden besluit genomen. Eiser verzoekt om toekenning van de proceskosten voor het beroep niet tijdig beslissen. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat nu verweerder inmiddels wel op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, het belang van eiser bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag is komen te vervallen. Het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen, is om deze reden niet-ontvankelijk. 9.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn van verweerder is overschreden en verweerder pas na deze overschrijding een besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser. De rechtbank ziet hierin aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep niet tijdig beslissen. Hier heeft verweerder zich ook niet tegen verzet. Conclusie en gevolgen 10. De rechtbank komt tot de conclusie het asielrelaas van eiser geloofwaardig is. Het asielrelaas is daarnaast voldoende zwaarwegend om aan te nemen dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. Aan hem kan geen vestigingsalternatief worden tegengeworpen. Eiser krijgt gelijk. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, ook omvattende het terugkeerbesluit en inreisverbod. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, neemt de rechtbank nu zelf een beslissing. De rechtbank draagt verweerder op aan eiser een asielvergunning onder artikel 29a van de Vw (huidig) te verlenen. 10.1. De Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (Implementatiewet) bevat het overgangsrecht voor de behandeling van asielaanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026. Dit overgangsrecht houdt in dat voorschriften van de tot 12 juni 2026 geldende Vw die betrekking hebben op een achttal specifiek genoemde onderwerpen, van toepassing blijven op de aanvragen van vóór 12 juni 2026. De voorschriften voor de ingangsdatum van een verleende asielvergunning zijn niet genoemd in dit overgangsrecht. Hierdoor zou de ingangsdatum van een asielvergunning voor eiser niet de datum zijn van aanvraag – wat het geval zou zijn ten tijde van zijn aanvraag – maar de datum van de dag na de verlening van een vergunning zijn. De rechtbank is van oordeel dat in strijd met de rechtszekerheid en rechtsbescherming zou zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat een redelijke toepassing van de Vw en de Implementatiewet betekent dat eiser een vergunning moet worden verleend met als 4 juli 2024 ingangsdatum en een geldigheidsduur tot 4 juli 2029. 11. Het beroep is gegrond, dus krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor deelname aan zitting, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 934,-). 11.1. Voor zover het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen, is het niet ontvankelijk. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 467,- (één halve punt voor het indienen van een beroepschrift niet tijdig, waarbij 1 punt de waarde heeft van € 934,-). 12. Nu op het beroep is beslist, bestaat geen aanleiding om de voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af. Verzoeker krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, waarbij 1 punt de waarde heeft van € 934,-). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 14 april 2026; - draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als ingangsdatum 4 juli 2024, geldig tot 4 juli 2029; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser. De voorzieningenrechter: - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.N. de Graaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met de uitspraak op beroep, kan, voor zover dit gaat over het beroep, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 (oud). Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw en als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw. Verordening (EU) 2024/1347. Vreemdelingencirculaire 2000. Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel. ECLI:CE:ECHR:2024:1219JUD005931919. Werkinstructie 2025/1 Leeftijdsbepaling. Zie ECLI:NL:RVS:2024:3992. AAB 2025, pagina 87. Marije Jongejan, Is de werkwijze van de Somalische Al-Shabaab eenduidig? Vraag en Antwoord, Asiel en Migrantenrecht. Marije Jongejan, Is de werkwijze van de Somalische Al-Shabaab eenduidig? Vraag en Antwoord, Asiel en Migrantenrecht, pagina 49. Marije Jongejan, Is de werkwijze van de Somalische Al-Shabaab eenduidig? Vraag en Antwoord, Asiel en Migrantenrecht, pagina 50. Zie bijvoorbeeld het EUAA-rapport 2025, pagina 37 en 38; AAB 2023, p. 43; Correspondentie met Tony Burns. C-198/25, ECLI:EU:C:2026:447. C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448. AAB 2023, pagina 43. EUAA-rapport, pagina 114. Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951. Artikel 1A Vluchtelingenverdrag. Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. AAB 2023, pagina 43. Correspondentie met Tony Burns. EUAA-rapport 2025, Pagina 37 en 38. EUAA-rapport 2025, Pagina 114. AAB 2023, Pagina 43.