# Rechtbank Den Haag, 29-07-2026 (C/09/695350)

- Type: Case Law
- Source: Rechtbank Den Haag
- Identifier: ECLI:NL:RBDHA:2026:21977
- Date: 2026-07-29
- Original: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI%3ANL%3ARBDHA%3A2026%3A21977
- Canonical: https://overview.legal/posts/353551

## Summary

Onrechtmatig delen van politie informatie; artikel 19 Wet Politiegegevens.

## Full text

RECHTBANK Den Haag Team handel Zaaknummer: C/09/695350 / HA ZA 25-1064 Vonnis van 29 juli 2026 in de zaak van 1 [eisers sub 1] te [woonplaats] , 2. [eisers sub 2] B.V. te [vestigingsplaats] , eisende partijen, advocaat: mr. E.M. van der Niet, tegen POLITIE (POLITIE EENHEID LIMBURG ) te Den Haag, gedaagde partij, advocaat: mr. M.E. Witting. Eisende partijen wordt hierna ieder afzonderlijk [eisers sub 1] en [eisers sub 2] genoemd en tezamen [eisers] Gedaagde partij wordt hierna de politie genoemd. 1 De inleiding 1.1. De rechtbank komt in dit vonnis tot het oordeel dat de politie jegens [eisers sub 1] onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met artikel 19 Wpg in 2022 aan de ANWB gegevens over [eisers sub 1] te verschaffen. Jegens [eisers sub 2] heeft de politie niet onrechtmatig gehandeld. De rechtbank zal de procedure verwijzen naar de schadestaat voor het vaststellen van de omvang van de schade die [eisers sub 1] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de politie heeft geleden. 2 De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 november 2025, met producties 1 tot en met 27, behoudens producties 18 en 22; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 13; - het tussenvonnis van 4 maart 2026, waarin een mondelinge behandeling is gelast; - de nadere akte namens gedaagde met producties 14 tot en met 16; - de akte overlegging producties namens eisers met producties genummerd 28 tot en met 42; - de door [eisers] en de politie overgelegde spreekaantekeningen; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 juni 2026. 2.2. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt en aan partijen toegestuurd. De politie heeft bij brief van 8 juli 2026 de rechtbank meegedeeld aanvullingen te hebben op het proces-verbaal, op welke brief [eisers] bij brief van 14 juli 2026 heeft gereageerd. Deze brieven maken deel uit van het procesdossier en het vonnis wordt gewezen met inachtneming van deze brieven, voor zover het correcties van feitelijke aard betreft. 2.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 3 De feiten 3.1. [eisers sub 1] is eigenaar van de eenmanszaak, [bedrijfsnaam 1] , en bestuurder en aandeelhouder van [eisers sub 2] . 3.2. In 2018 hebben [bedrijfsnaam 1] en de ANWB een overeenkomst gesloten op grond waarvan [bedrijfsnaam 1] vanaf 1 april 2018, als partnerbedrijf van de ANWB, pechhulp aan ANWB-leden verleende. Op 1 januari 2023 hebben [eisers sub 2] en de ANWB een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eisers sub 2] vanaf 1 januari 2023 de pechhulp aan ANWB-leden verleende en niet meer [bedrijfsnaam 1] . 3.3. In 2019 is het Openbaar Ministerie het zogenaamde [onderzoeknaam] -onderzoek gestart, een onderzoek naar de criminele activiteiten van een groepering die verdacht werd van grootschalige hennepteelt in organisatieverband (artikel 3 jo. 11b Opiumwet) en witwassen (artikel 420bis). In oktober 2020 heeft de politie een inval gedaan bij een autobedrijf in [plaats] . Eigenaar van dit autobedrijf was de besloten vennootschap [bedrijfsnaam 2] B.V. [eisers sub 1] hield op het moment van de inval 50% van de aandelen in [bedrijfsnaam 2] B.V. De overige 50% werden gehouden door [naam] . [eisers sub 1] en [naam] waren verdachte in het [onderzoeknaam] -onderzoek. [eisers sub 1] heeft de ANWB na de inval in 2020 direct geïnformeerd dat hij betrokken was bij een strafrechtelijk onderzoek. 3.4. [bedrijfsnaam 2] B.V. is met ingang van 1 oktober 2021 opgeheven. 3.5. Op 23 februari 2021 heeft de politie een proces-verbaal opgesteld met restinformatie uit het onderzoek [onderzoeknaam] , met als titel “ proces-verbaal restinformatie Carservice [eisers sub 1] in relatie tot de ANWB ” (het proces-verbaal restinformatie). In het hoofdstuk “ Aanleiding onderzoek [onderzoeknaam] ” is onder meer het volgende opgenomen: “ In 2019 werd binnen de eenheid [regio] , Dienst Regionale Recherche, een onderzoek gestart naar de criminele activiteiten van een groepering die zich onder andere bezig hield met de grootschalige hennepteelt in organisatieverband en witwassen, respectievelijk strafbaar gesteld in artikel 3 jo 11 b Opiumwet en artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht. Deze criminele activiteiten werden voornamelijk ontplooit vanuit het autobedrijf [bedrijfsnaam 2] BV, gelegen (…)in [plaats] . Eigenaren/bestuurders van dit autobedrijf betreffen [naam] , (…) en [eisers sub 1] , geboren op (…) te [geboorteplaats] . Laatstgenoemde is tevens eigenaar van het autobedrijf [bedrijfsnaam 1] , gelegen aan (…) in [plaats] . Uit het onderzoek [onderzoeknaam] is in ieder geval gebleken, dat beiden deel uit hebben gemaakt van de betreffende criminele organisatie. [bedrijfsnaam 1] blijkt als bedrijfspartner pechhulp te verlenen namens de ANWB. Men gebruikt daartoe het logo, bedrijfskleding en de uiterlijke voertuigkenmerken van de ANWB. Namens het bedrijf [bedrijfsnaam 1] is voorts ten behoeve van de pechhulpservice van de ANWB werkzaam: (…) [verwezen wordt naar een medewerker van [eisers sub 1] ] . Gedurende het onderzoek [onderzoeknaam] is gebruik gemaakt van diverse bijzondere opsporingsbevoegdheden, waaronder het opnemen van vertrouwelijke communicatie, de interceptie van spraak en data via telefoonaansluitingen en observaties. Dit proces-verbaal met restinformatie uit het onderzoek [onderzoeknaam] heeft voornamelijk betrekking op malversaties die in verband kunnen worden gebracht met de werkzaamheden van [bedrijfsnaam 1] namens de ANWB. ” 3.6. In het proces-verbaal restinformatie is verder opgenomen (i) dat bij [bedrijfsnaam 1] een Ferrari is aangetroffen waarvan specifieke onderdelen van diefstal afkomstig bleken te zijn; (ii) dat een medewerker van [bedrijfsnaam 1] (hierna: de medewerker van [eisers sub 1] ), rijdend in een auto met logo van de ANWB, geen rijbewijs had, dat bij de medewerker van [eisers sub 1] een pak hasj is aangetroffen en dat na een speekseltest, afgenomen terwijl hij in een auto met ANWB logo reed, is geconstateerd dat hij een “jointje” had gerookt; (iii) dat bij het afluisteren van gesprekken is gehoord dat (a) de medewerker van [eisers sub 1] sprak over een accutester die kon aantonen dat een accu vervangen moest worden, zonder dat dit echt nodig was en (b) een medewerker van de ANWB zou hebben gezegd dat een BMW niet meer in orde was, terwijl uit de context kon worden afgeleid dat er feitelijk weinig tot niets met de auto aan de hand was; de man van de ANWB zou hiervoor € 100 krijgen; en (iv) dat op het terrein van [bedrijfsnaam 2] BV een Audi is aangetroffen van Duitse origine die verduisterd bleek. 3.7. Bij e-mail van 3 maart 2021 heeft het Openbaar Ministerie (OM) [regio] zich gewend tot de Privacy Helpdesk van het Parket-Generaal van het OM in Den Haag en daarin onder meer het volgende opgenomen: “ Vanuit een onderzoek naar grootschalige hennepteelt in georganiseerd verband en witwassen werd bijgaand rest proces-verbaal opgesteld. Uit dit proces-verbaal komt naar voren dat het bedrijf van één van verdachten als bedrijfspartner pechhulp verleent namens de ANWB. Men gebruikt logo, bedrijfskleding en uiterlijke voertuigkenmerken. ” Vervolgens is kort de inhoud van het proces-verbaal restinformatie beschreven en gevraagd of de Privacy Helpdesk het ermee eens is dat het OM de informatie uit het proces-verbaal restinformatie deelt met de ANWB. 3.8. In haar antwoord van 9 maart 2021 heeft een medewerker van de privacy helpdesk gevraagd om contact, nadat de betreffende medewerker heeft geconstateerd dat de ANWB niet in een werkgeversrelatie tot de in het proces-verbaal restinformatie genoemde medewerker van [eisers sub 1] staat. De medewerker van de privacy helpdesk vraagt zich af welke stappen de ANWB tegen de medewerker van [eisers sub 1] zou kunnen nemen. Het OM heeft vervolgens besloten geen informatie aan de ANWB te verstrekken op basis van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). 3.9. In een e-mail van 18 oktober 2021 heeft de politie zich gewend tot de zaaksofficier van het OM [regio] (de zaaksofficier). In de e-mail heeft de politie er onder meer op gewezen dat enige tijd geleden ter sprake was gekomen dat het een goed signaal zou zijn om de ANWB in te lichten over de laakbare handel en wandel van een van hun licentiehouders, [eisers sub 1] . De politie heeft de vraag gesteld of en zo ja welke informatie aan de ANWB kan worden gedeeld. 3.10. Bij e-mail van 25 januari 2022 heeft de zaaksofficier als volgt op deze e-mail gereageerd: “ De kwestie is of de ANWB agv deze constatering (reputatie)schade heeft geleden. (Mij lijkt van wel.) Hebben jullie hier al contact over gehad met de ANWB en zo ja, weten jullie wat zij nodig hebben van ons? De berichten die ik vanuit Den Haag kreeg is dat we dan op deze wijze exact die info kunnen geven waarvan de ANWB aangeeft dat ze daar wat mee kunnen waarbij ze ook aangeven dat dit schadelijk gedrag is voor hun. ” 3.11. In een e-mail van 26 januari 2022 heeft de politie aan de zaaksofficier gevraagd of het akkoord is dat de politie het proces-verbaal restinformatie deelt met de ANWB. In een e-mail van een uur later aan een collega binnen de politie is onder meer het volgende vermeld: “ Ik heb het PV gevonden. Het enige dat ik nu nog wil weten is met wie jij destijds bij de ANWB gesproken hebt. [De zaaksofficier] wil toch gaan verkennen wat de ANWB nodig heeft om tot actie over te gaan. Als je dus een contactpersoon voor me hebt nemen wij het wel over. ” 3.12. In een e-mail van 27 januari 2022 aan de zaaksofficier heeft de politie erop gewezen dat inmiddels een proces-verbaal is opgemaakt waarin beschreven is dat [eisers sub 1] als verdachte is aangemerkt voor witwassen en 11 A/B Opiumwet: “ Wil je/kunnen we deze info ook bespreken met de ANWB? Zo ja, dan krijgt ons verhaal naar de ANWB wel meer "body". ” 3.13. Op 3 februari 2022 heeft een medewerker van de politie met de functie operationeel specialist A (de operationeel specialist) een e-mail geschreven aan de ANWB met de volgende tekst: “ Inzake ons onderzoek [onderzoeknaam] is er reeds contact geweest met de ANWB over twee personen. Deze personen betreffen de heer [eisers sub 1] die onder licentie van de ANWB actief is, en een werknemer van hem […] die ook voor de ANWB rijdt. Het onderzoek [onderzoeknaam] gaat over een malafide autobedrijf in Beek, die als dekmantel fungeerde voor het faciliteren van grootschalige hennepteelt en het illegaal te werk stellen van met name Albanezen. In ons onderzoek stuiten wij op een aantal bijzonderheden, die mogelijk voor de ANWB interessant kunnen zijn om de licentie van [eisers sub 1] tegen het licht te houden. Hier is al het eea over gecommuniceerd met de ANWB. Mogelijk dat dit u inmiddels bekend is. Schikt het u als ik u hierover morgen bel? Vooralsnog mag ik vanuit privacy wetgeving en de lopende strafrechtelijke procedure, nog niets op papier verstrekken. Maar het eea telefonisch bespreken kan u nu wellicht al helpen in de nabije toekomst actie te kunnen ondernemen. ” 3.14. Nadat de operationeel specialist een afspraak met de ANWB had gemaakt voor een belafspraak op 4 februari 2022, heeft de operationeel specialist in een e-mail van 3 februari 2022 aan de zaaksofficier het volgende geschreven. Bij de e-mail was gevoegd een kopie van het proces-verbaal restinformatie. “ Even voor jouw info. Morgen zal ik een overleg hebben met een juridisch medewerker van de ANWB over onderstaande kwestie richting [eisers sub 1] / [medewerker van [eisers sub 1] ]. Zal terughoudend zijn in verstrekken van info en vooral proberen te bepalen waar voor de ANWB de ondergrens ligt om juridische procedures op te starten. Ben je er okay mee als ik op hoofdlijnen de inhoud van bijgevoegde document aanhaal? Mondeling dus. We hebben ten aanzien van [eisers sub 1] nu ook de verdenking van artikel 11b en witwassen, maar dit zal ik vooralsnog niet zo concreet benoemen. ” 3.15. In een e-mail van 3 februari 2022 heeft de zaaksofficier hier als volgt op gereageerd: “ Dat is goed. We moeten ze op de hoogte stellen van wat er aan info ligt. Dan kunnen zij aangeven of het voor hun bruikbaar is / dat ze er actie op kunnen ondernemen. Voor ons van belang om te weten is wat ze met deze info kunnen. Als je dat dus zou willen vragen: graag. Met die kennis kunnen we dan - desgewenst - de informatie formeel verstrekken. ” 3.16. Op 4 februari 2022 heeft de operationeel specialist gesproken met een bedrijfsjurist van de ANWB. Van het telefoongesprek is op 4 februari 2022 de volgende registratie gemaakt: “ Vandaag, 4 februari 2022 heb ik telefonisch overleg gehad met de ANWB bedrijfsjurist (….) Korte uitleg gegeven van onderzoek [onderzoeknaam] en de bevindingen richting [eisers sub 1] en [medewerker van [eisers sub 1] ] . Aangezien [eisers sub 1] een niet directe medewerker van de ANWB is, zou [de bedrijfsjurist] een 'relatie'-manager hiertoe inlichten en de casus bespreken. Een eventuele actie vanuit de ANWB richting [medewerker van [eisers sub 1] ] is weer lastig, omdat [medewerker van [eisers sub 1] ] niet zelf direct bij de ANWB werkt, maar door [eisers sub 1] wordt aangestuurd en betaald. [bedrijfsjurist] k on niet direct aangeven wanneer de ANWB tot actie kon overgaan. Aangegeven dat er eventueel een mogelijkheid bestaat tot opvragen dossier bij OM. Tevens aangegeven dat [eisers sub 1] verdachte is in ons onderzoek en er een strafzaak tegen hem loopt. Dat er dus nog geen veroordeling is. Kort uiteenzetting gegeven van inhoud PV rondom [medewerker van [eisers sub 1] ] irt de ANWB. 3.17. In een verklaring van 5 februari 2026 heeft de operationeel specialist geschreven dat hij het volgende tegen de ANWB heeft gezegd: “ Ik heb toen op hoofdlijnen de informatie uit het proces-verbaal restinformatie van 23 februari 2021 met de ANWB gedeeld. Ik heb de ANWB niet medegedeeld dat de heer [eisers sub 1] verantwoordelijk zou zijn voor het vervoeren van drugs in de ANWB-busjes. Ik heb wel aangegeven dat de Politie een de ANWB voertuig staande heeft gehouden en dat daarin een werknemer van de heer [eisers sub 1] werd aangetroffen die op dat moment drugs bij zich had dan wel zojuist had ingenomen. Tevens heb ik aangegeven dat er op dat moment een groot onderzoek liep naar de handelingen van een als criminele organisatie betitelde groep mensen die opereerden vanuit een bedrijfspand in [plaats] , waar de heer [eisers sub 1] op dat moment 50% eigenaar van was. Bij dit bedrijfspand werden veelvuldig de ANWB voertuigen waargenomen. Zonder op dat moment in detail getreden te zijn, is aan de ANWB gevraagd om de aan de heer [eisers sub 1] verstrekte de ANWB licentie te heroverwegen. Wel heb ik hierbij verwezen naar de openbare bronnen op het internet, waar inmiddels meerdere nieuwsberichten waren verschenen over dit lopende onderzoek. Mijn contact met de ANWB vond puur en alleen maar plaats op verzoek van de Vaste Kern Leidinggevenden (VKL). Dit is een groep leidinggevenden met een vaste structuur binnen het Team Grootschalige Opsporing (TGO) dat het strafrechtelijke onderzoek vanuit de politie aanstuurde. Mijn teamleider van destijds (…) maakte onderdeel uit van de VKL. ” 3.18. In een gesprek met [eisers sub 1] op 9 februari 2022 heeft de ANWB [eisers sub 1] meegedeeld dat zij tevreden zijn over de geleverde dienstverlening en de samenwerking met [bedrijfsnaam 1] , maar dat de betrouwbaarheid van het merk essentieel is en dat de ANWB haar naam wil beschermen tegen eventuele reputatieschade. Daarom heeft de ANWB besloten de pechhulp opdrachten met ingang van 10 februari 2022 stop te zetten. Het contract is niet beëindigd. De ANWB heeft dit bericht in een brief van 10 februari 2022 aan [eisers sub 1] bevestigd. In de brief heeft zij erop gewezen dat het gesprek met [eisers sub 1] op 9 februari 2022 is gevoerd naar aanleiding van de berichtgeving van de politie inzake een strafrechtelijke procedure waarbij [bedrijfsnaam 1] betrokken is. 3.19. In een e-mail van 25 februari 2022 aan de operationeel specialist heeft de jurist van de ANWB, naar aanleiding van een verzoek uit de organisatie, gevraagd om een update: “ Ruim een week geleden heb ik u hierover nog telefonisch gesproken. De zaak ligt nu bij het OM en u zou mij nog nader berichten hoe de zaak er nu voorstaat, hoe deze verder gaat en welke informatie wij kunnen ontvangen om onze definitieve besluitvorming over de samenwerking met dit bedrijf goed te kunnen maken en onderbouwen. ” 3.20. Naar aanleiding van deze e-mail heeft de operationeel specialist de zaaksofficier bij e-mail van 25 februari 2022 gevraagd of hij meer duidelijkheid heeft in wat op dit moment of op korte termijn aan de ANWB kan worden verstrekt. In reactie hierop heeft de zaaksofficier op 8 maart 2022 aan de operationeel specialist gevraagd of de ANWB genoeg heeft aan de info die mondeling is gedeeld of dat ze het hele PV willen en dat verstrekking van het hele PV via een formele procedure moet. De operationeel specialist heeft de zaaksofficier bij e-mail van 8 maart 2022 als volgt geantwoord: “ Nee, daarvan geeft de ANWB aan dat zij niet genoeg hebben. Immers, ze hebben niets op papier. Alleen dat wat ik in grote lijnen verteld heb. Of ze het hele pv willen weet ik niet. Wat ze in ieder geval nodig hebben is iets om [eisers sub 1] mee om te oren te kunnen slaan. Wat kan ik de ANWB mededelen? Al een zittingsdatum bekend? 2024...? ” 3.21. Hierop heeft de zaaksofficier per e-mail van 8 maart 2022 als volgt geantwoord: “ Wat je gezegd hebt mogen ze gebruiken. Als ze specifiek kunnen aangeven welke info ze willen, kunnen we dat apart opschrijven en verstrekken. Zittingsdatum zal nog wel even duren idd. ” 3.22. De operationeel specialist heeft op 8 maart 2022 het volgende aan de jurist van de ANWB geantwoord: “ Dat wat ik telefonisch heb gemeld over de rol van de heer [eisers sub 1] , zal onvoldoende zijn voor de ANWB om juridisch verstrekkende acties te ondernemen richting hem. De ANWB kan via een officiële procedure inzage verkrijgen in relevante stukken. Dit loopt via de officier van justitie. De zitting zelf, zal nog lang op zich laten duren. Ook zou ik kort in een proces-verbaal van bevindingen het eea kunnen verwoorden. Mijn vraag is nu, wat is het minimale wat de ANWB nodig heeft om de procedure rondom [eisers sub 1] verder te voorspoedigen? Dan kan ik bekijken of ik juridisch gezien dit alles op papier kan verstrekken. ” 3.23. Bij e-mail van 10 maart 2022 heeft de ANWB onder meer het volgende aan [eisers sub 1] geschreven: “ de ANWB heeft naar tevredenheid een lang jarige relatie met [eisers sub 2] B.V. die in de regio [regio] als Partnerbedrijf van de Wegenwacht service optreedt. Inmiddels 2 jaar geleden (op/omstreeks september 2020) heb jij de teammanager bij de ANWB Wegenwacht en de accountmanager voor Partnerbedrijven bericht dat jij en [bedrijfsnaam 1] onderwerp zijn van een politie onderzoek. Op of omstreeks 20 februari 2022 heeft de politie regio Limburg contact met de ANWB gezocht om te informeren dat zij en/of [eisers sub 2] B.V. verdacht werden van strafbare feiten. Zoals boven vastgesteld had jij dit reeds uit eigen beweging aan de ANWB gemeld. Om moverende reden was dit intern niet uitgebreid binnen de ANWB gedeeld zodat dit toch als een verrassing kwam. Inmiddels is duidelijk (naar jij ons hebt geïnformeerd) dat jij en [eisers sub 2] B.V. niet langer verdacht worden van bovengenoemde verdenkingen. Het betrof een voormalig personeel lid die een schuur van jou had gehuurd. Jij hebt een schikking voorstel aan het OM gestuurd m.b.t. overtreding van de wet witwassen (Wwft). Het betrof het accepteren van contante betaling boven een bepaalde drempel waarde van een verkocht voertuig. Naar de ANWB begrijpt zou na accepteren van deze schikking de kous af zijn en de hele kwestie zijn afgerond. De ANWB is evident blij met deze gang van zaken. De ANWB verwacht van haar leveranciers en partners onberispelijk gedrag en kan zich qua reputatie risico niet permitteren een zakelijke relatie te onderhouden met bedrijven en personen die verdacht worden van strafbare feiten. Een grote klant van de ANWB is bijvoorbeeld de KLPD. De andere kant van het verhaal is dat [eisers sub 2] B.V. / [bedrijfsnaam 1] en jou persoon jarenlang naar volle tevredenheid van de ANWB haar opdragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de klanten/ leden altijd tevreden over de dienstverlening zijn geweest. Het vorenstaande in samenhang overziend komt de ANWB tot het oordeel dat de verdenkingen en strafbare feiten serieus zijn maar niet ernstig genoeg om de zakelijke relatie te verbreken. De ANWB wild graag de pechhulp opdrachtverstrekking hervatten op voorwaarde dat je binnen afzienbare tijd bewijs toestuurt dat de schikking is voldaan en de kwestie daarmee is afgerond. ” 3.24. Medio april 2022 heeft [eisers sub 1] met het OM een transactie op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht getroffen. In de transactie zijn onder meer de volgende overwegingen opgenomen: “ a. Dat de Officier van Justitie van oordeel is dat het dossier bewijs biedt dat [eisers sub 1] zich schuld heeft gemaakt aan – kort gezegd – valsheid in geschrifte binnen de administratie c.q. boekhouding van [bedrijfsnaam 1] B.V. en het witwassen van gelden met een totaal beloop van € 286.028; (…) c. Dat het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens het openbaar ministerie EUR 200.735 bedraagt nu ut politieonderzoek blijkt dat een gedeelte van het witgewassen bedrag, namelijk EUR 200.735 toebehoort aan [eisers sub 1] en hiervan geen legale herkomst is vastgesteld; (…) h. dat het openbaar ministerie heeft besloten om op de voet van artikel 74 Sr een transactie aan [eisers sub 1] aan te bieden onder de hierna genoemde voorwaarden en afspraken, welk aanbod door [eisers sub 1] wordt aanvaard; 3.25. De transactie hield in dat [eisers sub 1] onder meer afstand zou doen van in beslag genomen banksaldi en roerende zaken ten bedrage van € 200.735 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en een bedrag zou betalen van € 10.000 en dat indien aan alle transactievoorwaarden was voldaan, het recht tot strafvervolging zou komen te vervallen. 3.26. Bij brief van 1 juni 2022 heeft de voormalig advocaat van [eisers sub 1] namens hem een verzoek tot het instellen van disciplinair en/of strafrechtelijk onderzoek ingediend. 3.27. Bij brief van 4 augustus 2022 heeft de korpschef van de politie geschreven dat de politie de melding aan de ANWB in februari 2022 had gedaan op grond van artikel 39f van de Wjsg in opdracht van het OM. Hierna heeft [eisers sub 1] de politie aansprakelijk gesteld. In eerste instantie heeft de politie deze aansprakelijkheid afgewezen. 3.28. Bij brief van 15 januari 2024 heeft de Hoofdofficier van Justitie [eisers sub 1] het volgende geschreven: “ Ex artikel 39i Wjsg kan ik u laten weten dat uit de OM-systemen blijkt dat er geen strafvorderlijke gegevens over uw cliënt of zijn bedrijven in de afgelopen 4 jaren zijn verstrekt aan derden. Ter verdere toelichting daarop laat ik u weten dat het proces-verbaal restinformatie direct na opmaak is ontvangen door het OM maar niet heeft geleid tot een verstrekking aan derden. Van de bij het dossier betrokken collega’s begrijp ik dat op een later moment (februari 2022) door de politie gegevens uit het onderzoek zijn gedeeld met de Anwb. Bij het OM is niet precies bekend welke concrete gegevens er door politie zijn gedeeld. ” 3.29. [eisers sub 1] heeft de politie vervolgens tegen 6 maart 2024 gedagvaard en aansprakelijk gesteld op grond van overtreding van de Wjsg of de Wet politiegegevens (Wpg). Bij e-mail van 4 maart 2024 heeft de politie [eisers sub 1] als volgt geïnformeerd: “ Naar aanleiding van uw reactie is er nogmaals onderzoek gedaan en zijn uw verzoeken nagegaan. Aan de hand van de beschikbare informatie, kunnen wij u mededelen dat aansprakelijkheid wordt erkent. Ik verzoek u dan ook de (in causaal staande) schade van uw cliënt concreet in kaart te brengen en indien mogelijk een regelingsvoorstel te doen. ” 3.30. De politie heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld voor het overleg over de schadevergoeding. Bij brief van 30 december 2024 heeft deze advocaat namens de politie [eisers sub 1] geïnformeerd dat de erkenning van de aansprakelijkheid wordt gehandhaafd, maar dat [eisers sub 1] geen schade heeft geleden omdat de gegevensverstrekking van de politie op 4 februari 2022 niet in strijd was met de Wjsg of de Wpg, en de politie de informatie dus ook rechtmatig aan de ANWB had kunnen geven. Als de politie dat had gedaan, dan waren de gevolgen voor [eisers sub 1] hetzelfde geweest. 4 Het geschil 4.1. [eisers] vordert, samengevat en bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: A. de verklaring voor recht dat de politie medegedeeld heeft aan de ANWB dat [eisers] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en dat [eisers] verantwoordelijk was voor het vervoeren van drugs in de ANWB-busjes, alsmede de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB gedeeld heeft; B de verklaring voor recht dat de politiemedewerker(s) die de gegevens van [eisers sub 1] medio februari 2022 aan de ANWB verstrekt heeft / hebben, daarmee onrechtmatig jegens [eisers sub 1] en/of [eisers sub 1] h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1] en/of [eisers sub 2] gehandeld heeft / hebben en dat de politie aansprakelijk is voor de daardoor door [eisers sub 1] en/of [eisers sub 1] h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1] en/of [eisers sub 2] geleden en te lijden schade; C. de verklaring voor recht dat de politie in de nasleep van de gegevensverstrekking, waaronder de behandeling van de onder 1.10. van de dagvaarding genoemde brief en daaropvolgende aansprakelijkheidsstelling van de zijde van [eisers] onrechtmatig gehandeld heeft en/of onzorgvuldig en/of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play, en zodoende aansprakelijk is voor, althans overigens gehouden is te vergoeden, de schade die [eisers] dientengevolge geleden heeft en lijdt; D. de veroordeling van de politie tot betaling aan [eisers sub 1] , althans [eisers sub 1] h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1] , althans [eisers sub 2] , van de schade zoals onder 5.2.2. tot en met 5.2.9. van de dagvaarding uiteengezet, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; E. de veroordeling van de politie om binnen 2 dagen na het wijzen van het vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisers sub 1] , althans [eisers sub 1] h.o.d.n. [bedrijfsnaam 1] , althans [eisers sub 2] , te betalen: een bedrag van € 94.894,95 zoals onder 5.2.1. van de dagvaarding genoemd; een bedrag van € 200.735 zoals onder 5.4. van de dagvaarding genoemd; een bedrag van € 10.000 zoals onder 5.5. van de dagvaarding genoemd; een bedrag van € 38.373,65 zoals onder 5.6. van de dagvaarding genoemd voorwaardelijk, voor het geval de E4. genoemde vordering (gedeeltelijk) wordt afgewezen, terzake de buitengerechtelijke kosten te betalen een bedrag van EUR 3.996,84, althans EUR 3.303,18 voorwaardelijk, voor het geval de onder E4. genoemde vordering (gedeeltelijk) wordt afgewezen, de kosten van dit geding; althans voor wat betreft de onder E1. tot en met E5. genoemde bedragen, een door de rechtbank te bepalen bedrag, althans een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de respectievelijke data waarop de bedragen verschuldigd zijn geworden, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en voor wat betreft de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. 4.2. De politie voert verweer. De politie concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5 De beoordeling 5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de operationeel specialist (i) op 3 februari 2022 een e-mail heeft gestuurd naar de ANWB, (ii) op 4 februari 2022 met de ANWB heeft gebeld en (iii) op 8 maart 2022 nog een e-mail heeft gestuurd aan de ANWB. Partijen strijden over de vraag welke gegevens de operationeel specialist heeft verstrekt. De rechtbank beoordeelt allereerst op basis van welke wet de gegevens zijn verstrekt. Vervolgens beoordeelt zij welke gegevens zijn verstrekt en of de verstrekking van de gegevens onrechtmatig is geweest en wat hiervan het gevolg is. Op grond van welke wet zijn de gegevens verstrekt 5.2. De politie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [eisers] de verkeerde partij heeft gedagvaard. Zij stelt dat de operationeel specialist de gegevens heeft verstrekt aan de ANWB op grond van artikel 39 Wjsg. De rechtbank komt tot het oordeel dat de politie de gegevens heeft verschaft op grond van de Wpg. Zij legt de volgende omstandigheden aan haar oordeel ten grondslag: (i) Het OM heeft de politie bij brief van 15 januari 2024 geïnformeerd dat het OM geen gegevens over [eisers sub 1] aan de ANWB heeft verschaft. In de brief heeft zij erop gewezen dat het haar wel bekend is dat de politie in februari 2022 gegevens over [eisers sub 1] aan de ANWB heeft verschaft; (ii) In maart 2021 heeft het OM wel onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om informatie aan de ANWB te verschaffen, maar na input van de Helpdesk Privacy heeft zij hiervan afgezien; (iii) Vervolgens heeft de politie in het najaar van 2021 het initiatief genomen omdat zij meende dat het een goed signaal zou zijn om de ANWB in te lichten over de laakbare handel en wandel van een van hun licentiehouders. Zij heeft de zaaksofficier gevraagd welke informatie kon worden gedeeld; (iv) Het telefoongesprek van de operationeel specialist met de ANWB van 4 februari 2022 is geregistreerd. In de registratie is niet opgenomen dat het telefoongesprek op verzoek van het OM is gepleegd; (iv) In zijn verklaring van 5 februari 2026 heeft de operationeel specialist opgenomen dat hij de melding heeft gedaan puur en alleen op verzoek van de Vaste Kern Leidinggevenden (VKL). Dit is een groep leidinggevenden met een vaste structuur binnen het Team Grootschalige Opsporing (TGO) dat het strafrechtelijke onderzoek vanuit de politie aanstuurde. 5.3. De politie heeft nog gewezen op het contact dat geweest is tussen de politie en het OM over het verstrekken van de gegevens en op de e-mails ter zake van de zaaksofficier. De omstandigheid dat de politie in verband met de gegevensverstrekking contact heeft gehad met de zaaksofficier is echter onvoldoende voor de conclusie dat de gegevens op verzoek van het OM zijn verstrekt. Het contact met de zaaksofficier was immers ook onder de Wpg vereist omdat de politie zijn instemming als bevoegd gezag nodig had voor de gegevensverstrekking (zie ook 5.7.). Dat er contact is geweest, is dus, mede in het licht van de overige onder 5.2. aangehaalde omstandigheden, onvoldoende grond voor de conclusie dat de gegevens op grond van de Wjsg zijn verstrekt. 5.4. De rechtbank wijst nog erop dat het in dit geval, met een zo duidelijke stellingname van het OM in de brief van 15 januari 2024, op de weg van de politie had gelegen om het OM te benaderen over het standpunt van de politie dat de gegevens op basis van de Wjsg zijn verstrekt. Dit standpunt betekent immers dat de politie niet akkoord is met de inhoud van de brief van het OM van 15 januari 2024. Het kan toch niet zo zijn dat [eisers] moet aantonen welke overheidsinstantie heeft gehandeld, als duidelijk is dat een overheidsinstantie heeft gehandeld. Zeker als de overheidsinstanties die het niet eens lijken te zijn, geacht worden op het punt van gegevensverstrekking samen te werken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de politie bevestigd dat hierover in het kader van deze procedure geen overleg is geweest tussen het OM en de politie. Voor zover sprake is van enige twijfel over het antwoord op de vraag op basis van welke wet de gegevens zijn verstrekt, komt dat in deze procedure dan ook voor risico van de politie. Informatievestrekking in strijd met artikel 19 Wet Politiegegevens Wettelijke kader 5.5. Bij de uitvoering van haar wettelijke taken krijgt de politie de beschikking over vele soorten gegevens, vaak van gevoelige aard. Ambtenaren van politie zijn verplicht deze gegevens geheim te houden; zij mogen deze gegevens niet zomaar met anderen delen, ook niet met andere overheden. Wanneer de politie gegevens deelt ter vervulling van een wettelijke taak, moet zij bij het delen aan bepaalde voorwaarden voldoen. De voorwaarden waaronder en de wijze waarop zij politiegegevens mag delen, staan in nationale en Europese regelgeving. 5.6. In februari 2022 bestond het wettelijk kader voor het delen van politiegegevens uit de – op dat moment geldende versie van de – Wpg en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Beide regelingen zijn nationale uitwerkingen van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna: de Privacyrichtlijn) en, meer in het algemeen, van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). 5.7. Het door de politie op incidentele basis verstrekken van gegevens aan derden, zoals hier aan de orde, was en is geregeld in artikel 19 Wpg. Dit artikel is grotendeels gelijkluidend aan het voorheen geldende artikel 9 Wet Persoonsregistraties (WPR). De politie mag gegevens alleen verstrekken voor bepaalde in artikel 19 Wpg geformuleerde doeleinden, te weten (a) het voorkomen en opsporen van strafbare feiten, (b) het handhaven van de openbare orde, (c) het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven of (d) het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving. In de tweede plaats geldt dat de verstrekking noodzakelijk moet zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang. Met dit criterium wordt aangegeven dat de verstrekking voor de samenleving van meer dan gewone betekenis moet zijn. Daarbij gelden de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, wat betekent dat dit belang dermate zwaarwegend moet zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben. In de derde plaats wordt de beslissing van de verantwoordelijke tot verstrekking van politiegegevens genomen met instemming van het op grond van de Politiewet 1993 bevoegde gezag, in dit geval het OM. Gegevensverstrekking politie inzake [eisers sub 1] Proces-verbaal restinformatie 5.8. De melding van de politie aan de ANWB betrof het proces-verbaal restinformatie. In paragrafen 3.5. en 3.6. heeft de rechtbank beschreven wat in het proces-verbaal restinformatie is opgenomen. Het proces-verbaal restinformatie heeft als titel “ proces-verbaal restinformatie Carservice [eisers sub 1] in relatie tot de ANWB ”. Het proces-verbaal bevat een passage met als titel “ Aanleiding onderzoek [onderzoeknaam] ”. Hierin is onder meer beschreven welke criminele activiteiten zijn ondernomen vanuit het autobedrijf in [plaats] en is geconstateerd dat [eisers sub 1] 50% aandeelhouder is van het autobedrijf en dat hij deel heeft uitgemaakt van de criminele organisatie. Vervolgens wordt beschreven dat [bedrijfsnaam 1] bedrijfspartner pechhulp is van de ANWB en dat het proces-verbaal restinformatie uit het [onderzoeknaam] -onderzoek betreft dat betrekking heeft op malversaties die in verband kunnen worden gebracht met de werkzaamheden van [bedrijfsnaam 1] namens de ANWB. Vervolgens is in het proces-verbaal restinformatie de volgende informatie opgenomen: (i) dat bij [bedrijfsnaam 1] een Ferrari is aangetroffen waarvan specifieke onderdelen van diefstal afkomstig bleken te zijn; (ii) dat de medewerker van [eisers sub 1] , rijdend in een auto met logo van de ANWB, geen rijbewijs had, dat bij de medewerker van [eisers sub 1] een pak hasj is aangetroffen en dat na een speekseltest, afgenomen terwijl hij in een auto met de ANWB logo reed, is geconstateerd dat hij een “jointje” had gerookt; (iii) dat bij het afluisteren van gesprekken is gehoord dat (a) de medewerker van [eisers sub 1] sprak over een accutester die kon aantonen dat een accu vervangen moest worden, zonder dat dit echt nodig was en (b) een man van de ANWB zou hebben gezegd dat een BMW niet meer in orde was, terwijl uit de context kon worden afgeleid dat er feitelijk weinig tot niets met de auto aan de hand was; de man van de ANWB zou hiervoor € 100 krijgen; en (iv) dat op het terrein van [bedrijfsnaam 2] BV een Audi is aangetroffen van Duitse origine die verduisterd bleek. Verstrekte informatie 5.9. Op basis van de aan de ANWB gestuurde e-mails, de registratie van het telefoongesprek van 4 februari 2022, waarnaar de politie in deze procedure uitdrukkelijk heeft verwezen, en de verklaring van de operationeel specialist van 25 februari 2026 kan worden vastgesteld dat de politie in ieder geval de volgende informatie over [eisers sub 1] aan de ANWB heeft verstrekt: ( i) [eisers sub 1] is schriftelijk in verband gebracht met het [onderzoeknaam] onderzoek van de politie. Er is uitgelegd dat onderzoek [onderzoeknaam] gaat over een malafide autobedrijf in [plaats] , dat als dekmantel fungeerde voor het faciliteren van grootschalige hennepteelt en het illegaal te werk stellen van met name Albanezen (zie 3.13.); (ii) Er is verteld dat er een groot onderzoek liep naar de handelingen van een als criminele organisatie betitelde groep mensen die opereerden vanuit een bedrijfspand in [plaats] , waar [eisers sub 1] op dat moment 50% eigenaar van was. Bij dit bedrijfspand werden veelvuldig ANWB voertuigen waargenomen (zie 3.17.); (iii) Er is verteld dat [eisers sub 1] verdachte is in het onderzoek van de politie, er een strafzaak tegen hem loopt en er nog geen veroordeling is (zie 3.16.); (iv) De inhoud van het proces-verbaal restinformatie is kort uiteengezet, waarbij in ieder geval is verteld dat de Politie een de ANWB voertuig staande heeft gehouden en dat daarin de werknemer van [eisers sub 1] werd aangetroffen die op dat moment drugs bij zich had dan wel zojuist had ingenomen (zie 3.16. en 3.17.); ( v) Er is zowel schriftelijk als mondeling op gewezen dat bijzonderheden in het onderzoek mogelijk voor de ANWB interessant zijn om de licentie van [eisers sub 1] tegen het licht te houden (zie 3.13. en 3.17.); (vi) Er is geschreven dat de verstrekte informatie onvoldoende zal zijn voor de ANWB om juridisch verstrekkende acties richting [eisers sub 1] te ondernemen en gevraagd welke informatie nodig is om de procedure rondom [eisers sub 1] te “voorspoedigen” (zie 3.22.); (vi) Er is verwezen naar openbare bronnen op het internet, waar inmiddels meerdere nieuwsberichten waren verschenen over het lopende onderzoek (zie 3.17.). Gevorderde verklaring voor recht 5.10. [eisers] heeft onder A. gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat de politie aan de ANWB heeft medegedeeld dat [eisers] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en dat [eisers] verantwoordelijk was voor het vervoeren van drugs in de ANWB-busjes, alsmede de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB heeft gedeeld. 5.11. Tussen partijen is niet in geschil dat de politie de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB heeft gedeeld. 5.12. Volgens [eisers] heeft de politie ook tegen de ANWB gezegd dat [eisers sub 1] verantwoordelijk was voor drugstransporten in ANWB-busjes. Dit kan op basis van de overgelegde stukken niet worden vastgesteld. De operationeel specialist heeft in zijn verklaring van 25 februari 2026 over het gesprek op 4 februari 2022 opgenomen dat hij dit niet heeft gezegd. [eisers sub 1] verwijst naar een brief van de politie van 4 augustus 2022. In deze brief wijst de politie inderdaad erop dat zij heeft gezegd dat [eisers sub 1] verantwoordelijk was voor drugstransporten in ANWB-busjes. Echter met de politie is de rechtbank van oordeel dat de politie hier de woorden van [eisers sub 1] aanhaalt. 5.13. Wel blijkt uit de overgelegde stukken het volgende. In de e-mail van 3 februari 2021 heeft de operationeel specialist [eisers sub 1] in verband gebracht met het [onderzoeknaam] onderzoek over een malafide autobedrijf in [plaats] die als dekmantel fungeerde voor onder meer grootschalige hennepteelt. Vervolgens heeft de operationeel specialist op 5 februari 2026 verklaard dat hij de ANWB op 4 februari 2022 heeft verteld dat er een groot onderzoek liep naar de handelingen van een als criminele organisatie betitelde groep mensen die opereerden vanuit een bedrijfspand in [plaats] , waar [eisers sub 1] op dat moment 50% eigenaar van was en in de registratie van het gesprek van 4 februari 2022 is vermeld dat een korte uitleg is gegeven van het [onderzoeknaam] -onderzoek en is verteld dat [eisers sub 1] verdachte was in het onderzoek van de politie. Door [eisers sub 1] op deze wijze te linken aan het [onderzoeknaam] onderzoek, te vertellen dat hij hierin een verdachte was en dat het een criminele organisatie betrof die zich onder meer bezighield met grootschalige hennepteelt heeft de politie gecommuniceerd dat [eisers sub 1] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden. 5.14. De rechtbank concludeert dat de politie aan de ANWB heeft medegedeeld dat [eisers sub 1] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en dat de politie de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB heeft gedeeld. De op dit punt gevorderde verklaring voor recht zal de rechtbank echter afwijzen, omdat een verklaring voor recht zich niet leent voor een oordeel over hetgeen is gezegd of niet. Delen informatie onrechtmatig Toetsing gegevensverstrekking aan artikel 19 Wpg 5.15. De politie heeft erop gewezen dat met de informatieverstrekking aan de ANWB de doeleinden opgenomen in artikel 19 lid 1 onder (a) en (c) Wpg werden nagestreefd: artikel 19 lid 1 onder (a): het voorkomen en opsporen van strafbare feiten en artikel 19 lid 1 onder (c): het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Daarbij heeft de politie erop gewezen dat de ANWB werd geïnformeerd over belangrijke bevindingen die direct raakten aan de activiteiten van de ANWB en daardoor in potentie ernstige reputatieschade voor de ANWB zouden kunnen veroorzaken. Daarmee werd dus voorkomen dat (verdere) strafbare feiten zouden plaatsvinden en werd de ANWB in staat gesteld om zelf een afweging te maken of de samenwerking met (de bedrijven van) [eisers sub 1] al dan niet zou worden gecontinueerd. 5.16. Het doel zoals geformuleerd onder artikel 19 lid 1 onder a, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, is volgens de politie ook het zwaarwegende algemene belang dat zij met het verstrekken van de informatie aan de ANWB nastreefde. De politie wijst erop dat de effecten van drugshandel moeten worden tegen gegaan omdat deze de samenleving en de rechtsstaat in ernstige mate ondermijnen. Aan bedrijven en medewerkers die daar op welke manier dan ook een bijdrage aan leveren, moet een halt worden toegeroepen. Het gaat om een dringende maatschappelijke behoefte. Ook levert de georganiseerde drugshandel een evident gevaar op voor de veiligheid van mens en milieu. De aanpak van georganiseerde criminaliteit is een topprioriteit geworden van de Minister van Justitie. Deze aldus geformuleerde belangen wegen volgens de politie zwaarder dan het belang van de persoonlijke levenssfeer van [eisers sub 1] , zodat de gegevensverstrekking op grond van de Wpg rechtmatig is geweest. Minder ingrijpende maatregelen waren niet voorhanden. Daarbij is volgende politie van belang dat slecht beperkt en enkel mondeling informatie is gedeeld en dat geen informatie op papier is verstrekt. 5.17. De politie plaatst het verstrekken van de gegevens aan [eisers sub 1] aldus in het kader van de bestrijding van de drugscriminaliteit. Dit wordt ook bevestigd door de inlichtingen die de politie aan de ANWB heeft verstrekt. Er is onder meer verteld dat er een groot onderzoek liep naar de handelingen van een als criminele organisatie betitelde groep mensen die opereerden vanuit een bedrijfspand in [plaats] , waar [eisers sub 1] op dat moment 50% eigenaar van was (zie 3.17.) en er is verteld dat [eisers sub 1] verdachte is in het onderzoek van de politie, er een strafzaak tegen hem loopt en er nog geen veroordeling is (zie 3.16.). 5.18. De rechtbank is van oordeel dat dit door de politie geformuleerde zwaarwegende algemene belang niet zwaarder weegt dan het belang dat [eisers sub 1] heeft bij het beschermen van zijn persoonlijke levenssfeer. De rechtbank onderschrijft het belang van de bestrijding van de drugscriminaliteit. De politie heeft echter onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat de verstrekking van de gegevens aan de ANWB hieraan zou kunnen bijdragen. Welke strafrechtelijke handelingen inzake drugscriminaliteit in 2022 konden worden voorkomen met het verstrekken van de inlichtingen aan de ANWB is niet duidelijk geworden. Allereerst bestond er amper een link tussen de verdachte criminele activiteiten van het autobedrijf in [plaats] waarvan [eisers sub 1] aandeelhouder was en de ANWB. De enige link in het dossier vermeld, is de omstandigheid dat kennelijk op het terrein in 2020 veelvuldig auto’s met het logo van de ANWB zijn aangetroffen. Dat ook in de periode na de inval van de politie in 2020 nog auto’s met ANWB-logo op het terrein hebben gestaan, heeft de politie niet toegelicht en is ook niet waarschijnlijk. Dat deze auto’s er nog stonden toen de politie de ANWB in 2022 benaderde, is evenmin waarschijnlijk, omdat het autobedrijf [plaats] in 2021 is opgeheven. Verder heeft de politie niet gesteld dat en op welke wijze (auto’s van) de ANWB betrokken was/waren bij de grootscheepse hennephandel vanuit het autobedrijf in [plaats] . In het proces-verbaal restinformatie is wel opgenomen dat bij de medewerker van [eisers sub 1] , die reed in een bus met ANWB-logo een speekseltest is afgenomen op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat hij mogelijk hasj heeft vervoerd en dat bij de medewerker van [eisers sub 1] een plak hasj is aangetroffen. Dit betreft echter de medewerker van [eisers sub 1] en niet [eisers sub 1] zelf; zonder nadere toelichting, die de politie niet heeft gegeven, zegt dit ook niets over [eisers sub 1] zelf. Omdat voor de rechtbank niet duidelijk is geworden op welke wijze de informatieverstrekking aan de ANWB een rol kon spelen in de bestrijding van drugscriminaliteit, is zij van oordeel dat de verstrekking van deze informatie op deze grond niet proportioneel was. 5.19. De nadruk die de politie in de conclusie van antwoord heeft gelegd op een zwaarwegend belang, gelegen in de bestrijding van de drugscriminaliteit, sluit niet aan bij haar stellingen over hetgeen zij aan de ANWB heeft meegedeeld. Zij heeft weersproken dat zij heeft verteld dat [eisers sub 1] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden. De politie heeft in de conclusie van antwoord ook erop gewezen dat het ging om een verdenking van strafbare feiten die direct raakten aan de activiteiten van de ANWB en daardoor in potentie ernstige reputatieschade voor de ANWB zou kunnen veroorzaken. Voor zover de politie met het verschaffen van de informatie niet alleen als doel had de drugshandel te bestrijden, maar ook of juist te voorkomen dat de in het proces-verbaal restinformatie opgenomen verdenkingen, zoals gesjoemel met accu’s, zouden worden voortgezet, vormt dit echter evenmin een zwaarwegend belang dat zwaarder weegt dan het belang van [eisers sub 1] bij het beschermen van zijn persoonlijke levenssfeer. De link tussen [eisers sub 1] en dit handelen is zo minimaal dat dit het verstrekken van de informatie niet rechtvaardigt. De rechtbank verwijst voor dit oordeel ook naar hetgeen de privacy helpdesk van het OM op dit punt heeft overwogen. 5.20. Bij haar oordeel weegt de rechtbank mee dat op basis van de aan de ANWB verstrekte informatie kan worden geconcludeerd dat de politie de onder 5.15. genoemde doelen niet alleen wilde nastreven met het verstekken van informatie, maar de ANWB kennelijk ook wilde bewegen de licentieovereenkomst met [eisers sub 1] te beëindigen. De politie heeft immers in woord en op schrift aan de ANWB meegedeeld dat de door haar verstrekte informatie mogelijk interessant is om de licentie van [eisers sub 1] tegen het licht te houden. In de verklaring van 5 februari 20226 heeft de operationeel specialist ook geschreven dat hij op 4 februari 2022 aan de ANWB heeft gevraagd om de aan [eisers sub 1] verstrekte ANWB licentie te heroverwegen. Bij e-mail van 8 maart 2022 heeft de politie vervolgens aan de ANWB gevraagd – nadat ze had geconstateerd dat de informatie onvoldoende zal zijn om juridisch verstrekkende acties jegens [eisers sub 1] te ondernemen – welke informatie de ANWB nog nodig heeft om de procedure, waarmee kennelijk wordt bedoeld de beëindiging van de relatie met [eisers sub 1] , te bespoedigen. 5.21. Hiermee gaat de politie verder dan het enkel verstrekken van persoonlijke gegevens om de in de Wpg genoemde doelen te bewerkstelligen. Zij heeft daarmee geprobeerd in te grijpen in de civielrechtelijke relatie tussen de ANWB en [eisers sub 1] met mogelijk vergaande consequenties voor [eisers sub 1] , zoals de beëindiging van zijn overeenkomst met de ANWB. Dit terwijl slechts sprake was van een verdenking jegens [eisers sub 1] , en waarbij bovendien de link tussen de ANWB en het handelen van [eisers sub 1] waarvan de politie stelt dat ze de ANWB hierover heeft geïnformeerd, summier was. De politie stelt immers dat het niet haar bedoeling is geweest om de ANWB te informeren over de verdenking van [eisers sub 1] terzake de schending van de Opiumwet en het witwassen. 5.22. De politie heeft ook nog gewezen op het doel vermeld in artikel 19 lid 1 onder c Wpg: het verstrekken van hulp aan hen die deze behoeven. De ANWB zou reputatieschade kunnen leiden door het handelen van [eisers sub 1] . Alhoewel daartoe bevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft de politie niet kunnen uitleggen hoe en waarom de ANWB in 2022 reputatieschade zou kunnen lijden, welke met het verstrekken van de informatie zou kunnen worden voorkomen. De rechtbank verwijst ook naar hetgeen zij onder 5.18. en 5.19. heeft overwogen. Hierdoor is ook niet duidelijk geworden wat het zwaarwegende belang bij de informatieverstrekking was en dat dit zwaarder moet wegen dan het belang van [eisers sub 1] . 5.23. Bij haar oordeel weegt de rechtbank mee dat uit de overgelegde correspondentie kan worden afgeleid dat de zaaksofficier en de politie ervan uitgingen dat het mondeling verstrekken van informatie een informele aangelegenheid is, en dat pas het verstrekken van informatie op schrift ‘formeel’ is (en dus onder de werking van privacywetgeving valt). De rechtbank wijst in dit verband op de e-mail van de zaaksofficier van 3 februari 2022 waarin hij met zoveel woorden schrijft dat de ANWB op de hoogte kan worden gesteld van de info die er ligt, dat het van belang is om te weten wat ze met de info kunnen en dat met die kennis de informatie formeel kan worden verstrekt. Daarmee wordt miskend dat alle persoonsgegevens die worden gedeeld onder de Wpg vallen, dus ook als deze “informeel” worden verstrekt in een e-mail of mondeling. 5.24. Tot slot is nog van belang dat op basis van de overgelegde stukken niet duidelijk is geworden of de zaaksofficier heeft ingestemd met de mededeling dat [eisers sub 1] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden. Het leek bij het verstrekken van de informatie met name te gaan om de informatie opgenomen in het proces-verbaal restinformatie. In dit proces-verbaal restinformatie is een verwijzing naar het [onderzoeknaam] -onderzoek opgenomen over criminele activiteiten inzake grootschalige hennepteelt en is vermeld dat [eisers sub 1] lid was van de betreffende criminele organisatie. De informatievoorziening zag echter op de informatie die in het [onderzoeknaam] -onderzoek naar voren was gekomen en die aan de ANWB kon worden gelinkt. Dat was geen informatie die [eisers sub 1] linkte aan de drugshandel, maar informatie waarbij de medewerker van [eisers sub 1] met hasj in verband werd gebracht. Zie in dit verband de e-mail van de operationeel specialist aan de zaaksofficier van 27 januari 2022 waarin hij erop heeft gewezen dat inmiddels een proces-verbaal is opgemaakt waarin beschreven is dat [eisers sub 1] als verdachte is aangemerkt voor witwassen en 11 a/b Opiumwet en hij heeft gevraagd: “ Wil je/kunnen we deze info ook bespreken met de ANWB? Zo ja, dan krijgt ons verhaal naar de ANWB wel meer "body". En ook de e-mail van de operationeel specialist van 3 februari 2022 aan de zaaksofficier waarin hij heeft geschreven dat hij het proces-verbaal restinformatie in hoofdlijnen zal delen en de verdenking van artikel 11b (bedoeld wordt artikel 11b van de Opiumwet) en witwassen niet zo concreet zal benoemen. 5.25. Vervolgens heeft de operationeel specialist wel de verdenking van [eisers sub 1] in het [onderzoeknaam] -onderzoek met de ANWB gedeeld. Dit terwijl dit slechts zijdelings is vermeld in het proces-verbaal restinformatie en op grond van de overgelegde stukken niet kan worden geconcludeerd dat de zaaksofficier hiermee heeft ingestemd. 5.26. De conclusie van de rechtbank is dat de politie in strijd met artikel 19 Wpg heeft gehandeld door aan de ANWB mede te delen dat [eisers sub 1] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden en door de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB te delen. Zij zal dit voor recht verklaren. Was de verstrekking van de informatie onrechtmatig? 5.27. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de politie hiermee een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De rechtbank komt tot het oordeel dat dit zo is. De politie heeft zonder geldige rechtsgrond politiegegevens over [eisers sub 1] met de ANWB gedeeld. Zij heeft daarmee haar geheimhoudingsplicht van artikel 7 Wpg geschonden en in strijd met artikel 19 Wpg gehandeld. Dat is, mede gelet op de inbreuk die hiermee werd gemaakt op het recht van [eisers sub 1] op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, onrechtmatig jegens [eisers sub 1] . Hierbij weegt mee dat strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig gedrag bijzondere persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 16 Wbp en artikel 8 Privacyrichtlijn. Dit soort gegevens behoeft extra bescherming. Juist van de politie, die bij de uitoefening van haar taken constant met dit soort gegevens werkt, mag worden verwacht dat zij hier zorgvuldig mee omgaat. De gevorderde verklaring voor recht op dit punt zal de rechtbank dan ook toewijzen voor zover het [eisers sub 1] betreft. [eisers sub 1] Car Services is een eenmanszaak van [eisers sub 1] , zonder rechtspersoonlijkheid. Dit betekent dat in de verklaring voor recht [bedrijfsnaam 1] niet apart hoeft te worden vermeld. 5.28. Niet is komen vast te staan dat de politie over [eisers sub 2] gegevens heeft gedeeld met de ANWB. Uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken volgt niet dat de politie de naam van het bedrijf heeft genoemd bij de informatieverstrekking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [eisers] opgemerkt dat de politie desondanks ook jegens [eisers sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld, maar zij heeft dit niet nader toegelicht. Omdat niet is komen vast te staan dat over [eisers sub 2] gegevens met de ANWB zijn gedeeld, zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht voor zover deze [eisers sub 2] betreft afwijzen. Erkenning door de politie 5.29. De politie heeft in haar conclusie van antwoord de erkenning opgenomen in de e-mail van 4 maart 2024 gehandhaafd. Haar beweegreden hiervoor was dat zij een afgegeven erkenning niet wilde intrekken. Het betrof volgens de politie echter een hypothetische fout die zij had gemaakt. De erkenning van de politie was volgens haar namelijk ten onrechte gedaan, omdat zij de gegevens rechtmatig zou hebben verstrekt. Het gevolg hiervan is volgens de politie dat [eisers sub 1] als gevolg van haar hypothetische fout geen schade heeft geleden, want de rechtmatige verstrekking van de gegevens had voor [eisers sub 1] dezelfde gevolgen. Na hierover bevraagd te zijn door de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling heeft de politie haar erkenning ingetrokken, waartegen [eisers] bezwaar heeft gemaakt. De rechtbank laat dit voor wat het is, omdat zij tot het oordeel is gekomen dat de gegevensverstrekking door de politie in februari/maart 2022, erkend of niet, jegens [eisers sub 1] onrechtmatig is. Gegevensverstrekking na februari/maart 2022 5.30. [eisers] vordert ook nog de verklaring voor recht dat de politie in de nasleep van de gegevensverstrekking, waaronder de behandeling van een brief van [eisers sub 1] van 1 juni 2022 en de behandeling van een latere aansprakelijkheidsstelling, onrechtmatig heeft gehandeld en/of onzorgvuldig en/of in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van fair play, en zodoende aansprakelijk is voor, althans overigens gehouden is te vergoeden, de schade die [eisers] dientengevolge geleden hebben en lijden. Ten onrechte heeft de politie getracht onder haar aansprakelijkheid uit te komen door onder meer herhaaldelijk het standpunt in te nemen dat zij de gegevens op grond van de Wjsg heeft verstrekt. Pas na het uitbrengen van een dagvaarding in maart 2024 heeft de politie de aansprakelijkheid erkend. Daarna heeft zij echter negen maanden later een geheel nieuw standpunt ingenomen, dat er op neer komt dat [eisers] geen schade heeft geleden. Door dit handelen heeft de politie [eisers] op kosten gejaagd. 5.31. De politie heeft aansprakelijkheid op dit punt van de hand gewezen en erop gewezen dat het is toegestaan om, mede afhankelijk van het advies dat wordt verkregen, verschillende standpunten in te nemen en dat dit niet betekent dat alles wordt gedaan om onder aansprakelijkheid uit te komen. Voortschrijdend feitenonderzoek, dossierinzage en juridische duiding kunnen tot een wijziging van een standpunt leiden. 5.32. Gelet op het verweer van de politie had het op de weg van [eisers] gelegen om zijn stellingen op dit punt nader aan te vullen. Dat heeft hij niet gedaan, waardoor de rechtbank concludeert dat [eisers] zijn verwijten op dit punt onvoldoende heeft toegelicht. Bij dit oordeel weegt de rechtbank mee dat [eisers] de brief van het OM die heeft geleid tot de erkenning van aansprakelijkheid door de politie pas in 2024 bij de door hem uitgebrachte dagvaarding heeft gevoegd, zodat de politie ook niet eerder van deze brief kennis heeft genomen. De negen maanden later volgende stelling van de politie, daartoe geadviseerd door haar advocaat, dat de erkenning niet leidt tot het betalen van schadevergoeding, is opmerkelijk, maar niet zodanig dat dit, zonder een nadere toelichting van [eisers] , leidt tot de conclusie dat de politie hiermee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] 5.33. De conclusie is dan ook dat de vordering van [eisers] op dit punt wordt afgewezen. Schade 5.34. [eisers] vordert in deze procedure voor diverse door hem gestelde schadeposten een bedrag en voor het overige vordert hij een verwijzing naar een schadestaatprocedure. De rechtbank acht het aannemelijk dat [eisers sub 1] als gevolg van de onrechtmatige gegevensverstrekking schade heeft geleden. Alleen al omdat de ANWB het contract met [eisers sub 1] voor de pechhulp dienstverlening voor een aantal maanden heeft stil gelegd. Dit zal tot omzetverlies en daarmee tot schade hebben geleid. Ook heeft [eisers sub 1] gesteld dat de ANWB de overeenkomst heeft aangepast, waardoor hij én met minder auto’s is gaan rijden én een andere regio toegewezen heeft gekregen. En voorts heeft [eisers sub 1] gesteld dat hij een schikking met de politie heeft uitonderhandeld teneinde de dienstverlening met de ANWB voort te kunnen zetten, die hij zonder de gegevensverstrekking nooit had gesloten. 5.35. Op basis van de thans beschikbare gegevens kan de rechtbank echter de hoogte van de door [eisers sub 1] geleden schade niet in zijn totaliteit bepalen. Zo heeft [eisers sub 1] voor de periode dat de dienstverlening stil heeft gelegen enkel door hem gemiste omzet opgegeven, waarbij hij is uitgegaan van het gemiddelde over maanden die niet noodzakelijkerwijs representatief zijn voor de periode waarin het contract heeft stilgelegen. Ook heeft [eisers sub 1] geen stukken overgelegd waaruit volgt dat de beleidswijzigingen van de ANWB daadwerkelijk zijn ingegeven door de informatieverstrekking van de politie en heeft hij onvoldoende toegelicht wat de gevolgen zijn voor zijn schade van de omstandigheid dat [eisers sub 2] de overeenkomst met de ANWB in 2023 heeft overgenomen. Voor wat betreft de door [eisers sub 1] uitonderhandelde schikking met het OM is ook nader onderzoek nodig. 5.36. Gelet op dit een en ander zal de rechtbank de procedure verwijzen naar de schadestaat voor het vaststellen van de omvang van de door [eisers sub 1] geleden schade, waarbij dan alle schadeposten in een keer kunnen worden behandeld en beoordeeld. Proceskosten 5.37. De politie is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers sub 1] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 122,35 - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 4.102,00 (2 punten × € 2.051,00) - nakosten € 189,00 (plus de in de beslissing vermelde verhoging) Totaal € 7.408,35 5.38. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 6 De beslissing De rechtbank: 6.1. verklaart voor recht dat de operationeel specialist die heeft medegedeeld aan de ANWB dat [eisers sub 1] verdacht werd van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk de Opiumwet te overtreden, alsmede de conclusies uit het proces-verbaal restinformatie met de ANWB heeft gedeeld, daarmee onrechtmatig jegens [eisers sub 1] heeft gehandeld en dat de politie aansprakelijk is voor de daardoor door [eisers sub 1] geleden en te lijden schade; 6.2. verwijst de procedure naar de schadestaat voor het vaststellen van de schade die [eisers sub 1] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de politie heeft geleden; 6.3. veroordeelt de politie in de proceskosten van € 7.408,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98 plus de kosten van betekening als de politie niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 6.4. veroordeelt de politie tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 6.5. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2. tot en met 6.4. uitvoerbaar bij voorraad, 6.6. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Bordes en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026. Zie ook de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2005–2006, 30 327, nr. 3.

---
Generated by overview.legal · https://overview.legal/posts/353551 · 2026-08-27
