Rechtbank Rotterdam, 15-07-2026 (C/10/719972 / JE RK 26-967)
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verzoek voor een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing.
Full text
RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/719972 / JE RK 26-967 Datum uitspraak: 15 juli 2026 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige]. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F. Laros, kantoorhoudende te Rotterdam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 13 mei 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 19 mei 2026; het verzoekschrift van de GI met bijlagen van 26 juni 2026, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum; het begeleidend schrijven van de GI, ontvangen op 26 juni 2026. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger]. 1.3. De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan de begeleider van de moeder, [begeleider]. 1.4. Aangezien bij de moeder sprake is van een auditieve beperking, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van S. Heuft, doventolk. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers. 1.5. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en hij heeft deze dus zelf van de kinderrechter gehoord. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. 2.2. [minderjarige] verblijft bij zijn tante moederszijde. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 18 juli 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 2025 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 18 juli 2026. 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, dan wel driemilieuvoorziening, dan wel accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2. De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Het gaat goed met [minderjarige] bij de tante. Hij houdt zich aan de afspraken en de avondklok lijkt helpend te zijn. Het komende jaar moet worden gezocht naar een passende vervolgplek en er staat een oriënterend gesprek gepland bij de Viersprong. Daarna kan worden gekeken welke hulp noodzakelijk is. De GI denkt dat een driemilieuvoorziening passend is. 4 De standpunten 4.1. Door en namens de moeder wordt ingestemd met de verlenging van de ondertoezichtstelling. De moeder voert verweer tegen de verzochte trajectmachtiging tot uithuisplaatsing. Het is belangrijk dat [minderjarige] de hulp krijgt die hij nodig heeft. Het afgelopen jaar is er weinig gebeurd tijdens de ondertoezichtstelling en sinds het wegvallen van de pleegvaders is de situatie verslechterd. De moeder heeft om hulp gevraagd, maar dit is niet opgestart. Op dit moment gaat het goed met [minderjarige] bij de tante en hij kan daar blijven. Hoewel de moeder het liefst wil dat [minderjarige] thuis komt wonen, ziet zij ook in dat de plaatsing bij de tante op dit moment het beste is. De moeder verzoekt om de trajectmachtiging tot uithuisplaatsing te beperken tot een netwerkplaatsing bij de tante. 5 De beoordeling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Er zijn nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] en deze zorgen zijn op sommige gebieden zelfs toegenomen. De afgelopen periode is [minderjarige] betrokken geweest bij meerdere ernstige geweldsincidenten, waarbij hij zowel verdachte als mogelijk slachtoffer is geweest. De kinderrechter acht het van belang dat de GI betrokken blijft om te kijken welke hulp er nodig is voor [minderjarige]. De kinderrechter begrijpt de frustratie van de moeder, omdat er in het verleden veel dingen niet goed zijn gegaan. Het lijkt erop dat de GI weinig regie heeft gevoerd als het gaat om de in te zetten hulp. Positief is dat er inmiddels een nieuwe vaste jeugdbeschermer beschikbaar is voor het gezin. Ook ziet de kinderrechter een moeder die nog steeds open staat voor de hulpverlening en de samenwerking met de nieuwe jeugdbeschermer aan wil gaan. Ook [minderjarige] zegt open te staan voor de samenwerking met de jeugdbeschermer en gemotiveerd te zijn voor hulp. Het is de taak van de GI om spoedig samen met de moeder en [minderjarige] een concreet plan te maken voor de komende tijd. De kinderrechter vraagt de GI hierbij rekening te houden met het begripsniveau van de moeder, omdat ter zitting is gebleken dat de moeder niet alles wat in het verzoekschrift en gezinsplan is opgenomen heeft begrepen. 5.3. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen tot 15 juli 2027, zodat de termijn van de ondertoezichtstelling gelijk loopt met die van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter zal het overig verzochte ten aanzien van de ondertoezichtstelling afwijzen. 5.4. Ook is de kinderrechter van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.5. Ter zitting blijkt – net als uit de overgelegde stukken – dat er nog veel onduidelijkheid bestaat over de eventuele vervolgplek voor [minderjarige]. Ook is nog niet duidelijk welke behandeling er voor [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter heeft hierdoor moeite met het verzoek van de GI, waarbij een trajectmachtiging wordt gevraagd. Er is immers nog geen concreet zicht op de problematiek en ontwikkelbehoeften van [minderjarige] en bovendien is er nog geen concreet zicht op een plek. [minderjarige] verblijft op dit moment bij de tante en het lijkt het op dit moment goed met hem te gaan. Hij houdt zich aan de afspraken, hij is gemotiveerd voor hulpverlening, doet het goed op school en is samen met zijn begeleider vanuit JeugdProfs op zoek naar een sport en een bijbaan. Ook is op zitting gebleken dat [minderjarige] bij de tante kan blijven wonen. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat de plaatsing bij de tante wordt voortgezet. 5.6. De kinderrechter benadrukt dat een machtiging tot uithuisplaatsing niet langer dient te worden gebruikt dan nodig is. Wanneer de stijgende lijn wordt voortgezet en er mogelijkheden zijn om [minderjarige] al dan niet met de inzet van hulpverlening weer thuis te laten wonen, zal de GI dat moeten onderzoeken. 5.7. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in netwerkpleeggezin, te weten bij zijn tante, verlenen voor de duur van een jaar. De kinderrechter zal het verzoek voor het overige afwijzen. 5.8. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 15 juli 2027; 6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de tante, met ingang van 15 juli 2026 tot 15 juli 2027; 6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; 6.4. wijst het meer of anders verzochte af. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. Henschen als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 1:265b, eerste lid, BW.