Rechtbank Noord-Holland, 12-08-2026 (C/15/371319)
Eiser heeft letsel opgelopen toen hij gedaagde sub 1 hielp om de deur van een appartement waarvan gedaagde sub 1 eigenaar is open te krijgen. Eiser stelt dat dat gedaagde sub 1 jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade. In het appartement bleek een hennepkwekerij te zijn gevestigd en bij het openen van de deur stormden er drie gemaskerde mannen naar buiten. Volgens eiser heeft gedaagde sub 1 onzorgvuldig en gevaarzettend gehandeld door de identiteit van de huurder onvoldoende te controleren en door hem niet te waarschuwen toen gedaagde sub 1 hem om hulp vroeg de deur te openen. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde sub 1 niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser en wijst de vorderingen af.
Full text
RECHTBANK Noord-Holland Civiel recht Zittingsplaats Alkmaar Zaaknummer: C/15/371319 / HA ZA 25-718 Vonnis van 12 augustus 2026 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. A. Doruk, tegen 1 [gedaagde sub 1] , te [woonplaats] , 2. ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V. , te Apeldoorn, gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en Achmea , advocaat: mr. A.S. Bloot-Kroes. De zaak in het kort [eiser] heeft letsel opgelopen toen hij [gedaagde sub 1] hielp om de deur van een appartement waarvan [gedaagde sub 1] eigenaar is open te krijgen. [eiser] stelt dat dat [gedaagde sub 1] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade. In het appartement bleek een hennepkwekerij te zijn gevestigd en bij het openen van de deur stormden er drie gemaskerde mannen naar buiten. Volgens [eiser] heeft [gedaagde sub 1] onzorgvuldig en gevaarzettend gehandeld door de identiteit van de huurder onvoldoende te controleren en door hem niet te waarschuwen toen [gedaagde sub 1] hem om hulp vroeg de deur te openen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde sub 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en wijst de vorderingen af. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 14 januari 2026; - de akte van mr. Doruk met aanvullende productie 6; - de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Door mr. Doruk zijn spreekaantekeningen overgelegd, zodat deze deel uitmaken van het procesdossier. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [gedaagde sub 1] is eigenaar van een appartement aan de [adres] te [woonplaats] . Per 1 december 2022 heeft hij dit appartement verhuurd voor een periode van drie maanden aan een persoon die zich met een rijbewijs met rijbewijsnummer [nummer] identificeerde als [naam] . Deze persoon heeft de huur contant afgerekend. Gebleken is dat dit een valse identiteit was. 2.2. Op 10 januari 2023 ging [gedaagde sub 1] post ophalen bij de postbus in het pand waar ook het appartement is. [gedaagde sub 1] merkte dat de watermeter constant doorliep. Hij vond dat vreemd en draaide de hoofdkraan dicht. Toen hij enige tijd later terug kwam bleek dat de hoofdkraan weer was opengedraaid. [gedaagde sub 1] is naar de deur van het appartement gelopen en heeft aangeklopt. Er werd niet opengedaan. [gedaagde sub 1] heeft geprobeerd de deur met zijn sleutel te openen, maar de sloten bleken te zijn vervangen. Hij zag dat er condens op de deur zat. [gedaagde sub 1] heeft zijn benedenbuurman – [eiser] – gevraagd hem te helpen de deur open te maken. [eiser] heeft een installatiebedrijf en had daarom wel gereedschap om de deur open te maken, namelijk (een) koevoet(en). 2.3. [gedaagde sub 1] is samen met [eiser] (en twee anderen: een vriend van [gedaagde sub 1] en een collega van [eiser] ) naar het appartement gelopen. Daar heeft [gedaagde sub 1] met een koevoet de deur geopend. Op het moment dat de deur openging, stormden drie mannen met bivakmutsen het appartement uit. In hun vlucht hebben zij [eiser] weggeduwd en is hij van de trap gevallen. [eiser] heeft zich aan de leuning kunnen vastgrijpen, maar heeft als gevolg van het incident wel letsel opgelopen. [eiser] heeft onder andere zijn knieschijf gebroken. 2.4. De aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde sub 1] – Achmea – heeft de aansprakelijkheid voor het incident en de schade van [eiser] afgewezen. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: I. voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] en Achmea aansprakelijk zijn voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het voorval van 10 januari 2023; II. [gedaagde sub 1] en Achmea hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een voorschot van € 5.000,-; III. [gedaagde sub 1] en Achmea hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat [gedaagde sub 1] jegens hem een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gepleegd. Die onrechtmatige daad bestaat volgens [eiser] uit een schending van de zorgplicht die [gedaagde sub 1] jegens hem had. [gedaagde sub 1] heeft zijn zorgplicht jegens [eiser] geschonden door het niet zorgvuldig controleren van de huurder van het appartement én door [eiser] niet te waarschuwen dat hij al vermoedde dat het ‘foute boel’ was toen hij [eiser] om hulp vroeg bij het openen van de deur. 3.3. [gedaagde sub 1] en Achmea voeren verweer. Zij betwisten dat [gedaagde sub 1] een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Het feit dat hij geen persoonsgegevens van de dader heeft, levert geen onrechtmatige daad op. Het staat ook helemaal niet vast dat degene die het appartement gehuurd heeft, ook één van de personen was die het appartement uitstormden. Ook het feit dat hij [eiser] om hulp heeft gevraagd bij het openen van de deur levert geen onrechtmatige daad op. [gedaagde sub 1] wist niet dat er criminele activiteiten plaatsvonden in het appartement, wist niet dat er mensen binnen waren en hoefde niet te verwachten dat die mensen [eiser] van de trap zouden duwen. Ten slotte bestaat er tussen [gedaagde sub 1] en [eiser] geen overeenkomst zodat ook daar geen zorgplicht uit voortvloeit. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. Of iemand jegens een ander onrechtmatig heeft gehandeld, dient beoordeeld te worden aan de hand van artikel 6:162 BW. Een gedraging is onder andere onrechtmatig wanneer deze in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid (art. 6:162 lid 2 BW). [eiser] stelt dat [gedaagde sub 1] in strijd heeft gehandeld met de maatschappelijke zorgvuldigheid door gevaarzettend te handelen. 4.2. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van het creëren van een gevaarlijke situatie (gevaarzetting) hanteert de rechtspraak de zogenaamde Kelderluikfactoren (HR 5 november 1965, NJ 1966/136, m.nt. Scholten).Volgens de Hoge Raad dient de vraag of het creëren van een risico onrechtmatig is, aan de hand van de volgende gezichtspunten beantwoord te worden: de omvang van de kans dat anderen niet goed opletten; de omvang van de kans dat daardoor ongevallen ontstaan; de aard en de ernst van de gevolgen die kunnen ontstaan (zaakschade of letselschade); de mate waarin voorzorgs- of veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk zijn (in termen van kosten en moeite) voor degene die het risico creëert. Er bestaat geen hiërarchie tussen deze gezichtspunten. De rechter moet ze in onderlinge samenhang tegen elkaar afwegen. 4.3. Het eerste en het tweede gezichtspunt kunnen samen worden gevoegd in één afweging: de kans (of de waarschijnlijkheid) dat schade ontstaat als gevolg van de gedraging in kwestie. 4.4. In deze kwestie gaat het volgens [eiser] om twee verschillende gedragingen die gevaarzettend zijn geweest: het door [gedaagde sub 1] niet goed controleren van de betrouwbaarheid van zijn huurder, en het door hem niet waarschuwen van [eiser] dat hij dacht dat het “foute boel” was, toen hij [eiser] vroeg te helpen bij het openen van de deur. Deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang bezien, kunnen de vordering van [eiser] echter niet dragen. Nog los van de vraag wat ‘foute boel’ in deze context betekent, kan naar het oordeel van de rechtbank de schade zoals die door [eiser] is geleden niet worden gezien als een gevolg dat naar objectieve maatstaven redelijkerwijze te verwachten is bij de aan [gedaagde sub 1] verweten gedragingen. Dat [eiser] is overlopen door vluchtende criminelen – en daarbij letsel opliep – is objectief zodanig onverwachts, dat [gedaagde sub 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld toen hij ‘slechts’ het rijbewijsnummer van de huurder noteerde, toen hij van deze een contante betaling aannam of toen hij [eiser] vroeg te helpen de deur te openen. 4.5. Dit betekent dat niet kan worden aangenomen dat deze gedragingen jegens [eiser] onrechtmatig zijn, zoals artikel 6:162 BW eist. Het betreft een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De overige gezichtspunten kunnen daarom buiten beschouwing blijven. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. 4.6. [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] en Achmea worden begroot op: - griffierecht € 2.995,00 - salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00) - nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 4.490,00 4.7. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen van [eiser] af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 4.490,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.