Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03-06-2026 (C/02/446108 / FA RK 26/1366)
Schorsing van het gezag van rechtswege. Raadsonderzoek gelast naar het gezag en de zorg- dan wel omgangsregeling
Full text
beschikking RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Zittingsplaats: Breda Zaaknummer: C/02/446108 / FA RK 26/1366 Datum uitspraak: 3 juni 2026 beschikking betreffende gezag in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen: de vrouw, wonende te [woonplaats 1] , advocaat: mr. D. Marcus te Goirle, tegen [de man] hierna te noemen: de man, wonende te [woonplaats 2] , over de minderjarigen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ; [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] . Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren. 1 Het procesverloop 1.1 De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk: - het op 17 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen. 1.2 Het verzoek is op 3 juni 2026 op zitting geweest. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig. 1.3 Alhoewel correct opgeroepen is de man niet verschenen. 1.4 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] heeft daarvan geen gebruik gemaakt. [minderjarige 2] heeft schriftelijk haar mening gegeven over het verzoek. 2 De feiten 2.1 Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van [datum] 2017 is in het huwelijk van partijen de echtscheiding uitgesproken, waarbij de inhoud van het ondertekende echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan is opgenomen. 2.2 Voorafgaand aan en tijdens het huwelijk van partijen zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats] . 2.3 De man heeft de [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. 2.4 De minderjarigen verblijven bij de vrouw. 2.5 Bij vonnis in kort geding van 12 augustus 2025 van de voorzieningenrechter in deze rechtbank is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 1] en om [minderjarige 2] in te schrijven op een school in [woonplaats 1] . 3 Het verzoek 3.1 De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat de vrouw in het vervolg alleen wordt belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ; II. althans een zodanige beslissing te nemen als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; III. kosten rechtens. 3.2 De man is niet verschenen in de procedure en heeft aldus geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de vrouw. 3.3 Op de standpunten van partijen wordt, voorzover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan. 4 De beoordeling 4.1 Uit het verzoekschrift van de vrouw en uit de toelichting tijdens de zitting volgt dat de minderjarigen met ingang van februari 2025 volledig bij de vrouw verblijven, gelet op de verslechterde situatie van de man. Er zijn zorgmeldingen gemaakt en Veilig Thuis is ingeschakeld. De man kan de minderjarigen niet bieden wat die nodig hebben. In verband met huurachterstanden is de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning van de man aangezegd. De vrouw heeft begrepen dat de man uitstel voor de duur van zes maanden, tot 1 juni 2026, heeft gekregen om zijn woning te verlaten. De man is inmiddels al geruime tijd feitelijk niet betrokken bij de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen en er wordt geen uitvoering gegeven aan de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de man. De minderjarigen willen enkel contact met de man in het bijzijn van hun tante. Hier heeft de man niet mee ingestemd. De vrouw benadrukt daarbij dat zij er niet op uit is om het contact tussen de man en de minderjarigen tegen te houden. Verder licht de vrouw toe dat de communicatie tussen partijen sinds het uiteengaan van partijen ernstig en structureel is verstoord. De man is structureel onbereikbaar voor overleg en reageert niet, althans niet tijdig of adequaat, op de berichten van de vrouw en verleent geen medewerking aan de noodzakelijke beslissingen over belangrijke aangelegenheden van de minderjarigen. [minderjarige 2] heeft hulpverlening nodig voor haar kindeigen-problematiek, hetgeen de man heeft geweigerd. Daarnaast heeft de man, vanwege financiële problemen, geld van de rekening van [minderjarige 1] afgeboekt. De minderjarigen lijden enorm onder het gedrag en de terugval van de man. Er bestaat dan ook een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren raken dan wel is de wijziging van het ouderlijk gezag in het belang van de minderjarigen noodzakelijk. Voor de vrouw is het belangrijk dat zij praktische zaken rondom de minderjarigen kan regelen en dat zij voor nu de beslissingen kan nemen rondom de minderjarigen. Zij loopt er op het moment bijvoorbeeld tegenaan dat de dyslexieverklaring voor [minderjarige 2] niet kan worden afgegeven omdat de handtekening van de man daarvoor ontbreekt. De man maakt daarbij een bewuste keuze om niet te reageren, om zijn medewerking eraan niet te verlenen en door niet op de zitting te verschijnen. 4.2 De Raad adviseert, desgevraagd, om een raadsonderzoek te gelasten. De Raad kan zich binnen dit onderzoek inspannen om met de man in contact te geraken. Dit geeft mogelijk een beter beeld over de situatie van de man. Daarnaast zou er mogelijk ook sprake kunnen zijn van strijd tussen de ouders. Het is nog onduidelijk wat maakt dat er geen enkel contact is tussen de man en de minderjarigen. De Raad heeft de rechtbank voorts aangegeven dat het in het belang van de minderjarigen is om, hangende dit onderzoek, te bepalen dat de man van rechtswege is geschorst in diens gezag over de minderjarigen. Zo kan de vrouw in de tussentijd de praktische zaken die voor de minderjarigen op korte termijn moeten worden geregeld, zelfstandig realiseren. Wijziging van het gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag 4.3 De rechtbank acht zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek van de vrouw om met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen te worden belast. Er is namelijk nog veel onduidelijk over de situatie van de man en over de eventuele mogelijkheden van partijen om (op termijn) in het belang van de minderjarigen afspraken te kunnen maken. 4.4 De Raad voor de Kinderbescherming, locatie Breda zal daarom worden verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen: - Bestaat er, bij de instandhouding van het gezamenlijk gezag van beide ouders, een onaanvaardbaar risico dat de minderjarigen klem of verloren zullen raken tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of is het anderszins in het belang van de minderjarigen te achten om af te wijken van het in de wet neergelegde uitgangspunt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen? - Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders dan wel welke omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen? - Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke? - In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn? 4.5 In afwachting van de rapportage van de Raad zal de behandeling van de zaak worden aangehouden. De rechtbank verzoekt de Raad om uiterlijk op de pro forma zitting van 5 januari 2027 te rapporteren over de hierboven vermelde vragen en de rechtbank daarover te adviseren. De rechtbank zal vervolgens het verdere procesverloop bepalen. Schorsing van het gezag van rechtswege 4.6 Uit artikel 1:253r, eerste lid van het BW in samenhang gelezen met artikel 1:253q, eerste lid BW volgt dat indien een van de ouders die gezamenlijk het gezag over hun kind(eren) uitoefent/uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen of het bestaan of de verblijfplaats van de ouder onbekend is, de andere ouder het gezag uitoefent. Op grond van artikel 1:253r, tweede lid BW is het gezag dat aan één of beide ouder(s) toekomt, geschorst gedurende de tijd waarin voormelde omstandigheid zich voordoet. 4.7 De rechtbank constateert dat zich hier een situatie voordoet die voldoet aan voornoemd wettelijk criterium. De rechtbank is, met de Raad en de vrouw, van oordeel dat op basis van de overgelegde stukken en van hetgeen tijdens de zitting is besproken vaststaat dat de verblijfplaats van de man onbekend is dan wel dat de man tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen. Tot voor kort was de man woonachtig in [woonplaats 2] . Inmiddels lijkt het erop dat de man zijn woning heeft moeten verlaten en aldus met ingang van 1 juni 2026 niet langer op dit adres verblijft. De man heeft evenmin een ander verblijfsadres doorgegeven aan de vrouw en staat niet elders ingeschreven. De verblijfplaats van de man is daardoor nu onbekend geworden. Daarnaast lukt het de man, vanwege zijn persoonlijke problematiek, niet om de keuzes te maken die in het belang van de minderjarigen zijn. De man is niet in contact met de minderjarigen, de vrouw en/of zijn familie en de man is niet, althans nauwelijks, bereikbaar. Praktische zaken voor de minderjarigen, waaronder het verkrijgen van een dyslexieverklaring voor [minderjarige 2] , kunnen hierdoor niet worden gerealiseerd en ook andere belangrijke beslissingen kunnen hierdoor niet worden genomen. Dit acht de rechtbank niet in het belang van de minderjarigen. 4.8 De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gezag van de man over de minderjarigen hierbij van rechtswege is geschorst en dat de vrouw daardoor het gezag over de minderjarigen van rechtswege alleen uitoefent. De schorsing van de man in de uitoefening van het ouderlijk gezag vloeit rechtstreeks voort uit de wet. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat het gezag van de man in ieder geval geschorst zal zijn, totdat er meer duidelijkheid bestaat over zijn situatie en over de uitkomst van het raadsonderzoek. 4.9 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. 5 De beslissing De rechtbank 6.1 verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven onder punt 4.4 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren. Dit rapport dient vóór de pro forma zitting van 5 januari 2027 bij de rechtbank te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de (advocaat van de) vrouw en de man; 6.2 houdt de behandeling van deze zaak aan tot 5 januari 2027 pro forma; 6.3 houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 door mr. Bogaert, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026. Mededeling van de griffier : Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. verzonden op: In verband met deze procedure/ten behoeve van een juiste procesvoering worden uw persoonsgegevens, voor zover nodig, verwerkt in een systeem van het gerecht.